Schakels

Sinds kort stond ze zichzelf toe daaraan te denken, niet dat ze er nooit aan had gedacht, maar eraan te denken alsof het werkelijkheid zou worden, dat het echt zou plaatsvinden, en hoe dat dan zou gaan, wat ze zou moeten doen om hem toe te laten, niet in een optreden terwijl hij haar vasthield en zij zich opkrulde langs zijn lijf en ze haar benen spreidde en weer sloot om zich door de smalle ruimte achter zijn armen te steken, als in een envelop, waarna ze kort op de grond terecht kwam, zich afzette en terug stuiterde. Niet op die manier dus, maar in haar bed.

De kleine jongen met het rode haar zat op een andere school, een school waar zij niet thuishoorde. Hij kwam vaak naar het klimrek, klom er bovenop en slingerde aan zijn knieën, als een meisje, maar harder en helemaal rond met zijn armen tegen zijn borst geklemd en zijn kin ook op zijn borst, zo paste hij tussen de bovenste vakken terwijl hij wiekte en wervelde, steeds harder en sneller. Zij moest erom lachen. Zelf liep ze over het halve bolvormige rek, met losse handen, gewoon rechtop, zonder schoenen, alsof haar voeten apenklauwen waren die zich om de stangen vouwden. Het kwam vaak voor dat zij een paar keer van beneden naar boven was gelopen, op en neer, terwijl hij zijn rondjes draaide en het was niet meer dan logisch dat ze dingen gingen verzinnen. Schommels, boomtakken, fietsen, lantaarnpalen, overal klommen ze samen in, meestal hij eerst en dan zij als een liaan aan hem vast geslingerd, op en over hem, en als vanzelf hadden ze een rolverdeling te pakken, hij liet haar draaien en cirkelen, altijd vast aan zijn armen, benen, nek of hoofd.
Een beresterke bonenstaak werd hij, met sproeten op zijn rug en zijn benen die ze zag als hij een korte broek droeg en als hij zweette, dan begonnen ze te glimmen of eigenlijk te vlammen, zijn sproeten waren een beetje roestig net als zijn haren. Hij groeide maar door en zij begon daar ook mee en waar eerst weinig aan de hand was, veranderde haar lichaam, wat ze lastig vond omdat haar heupen en haar borst soms in de weg zaten.
Ze namen lessen in de kleine studentenstad waar ze opgroeiden. Aan het eind van de cursus traden ze voor het eerst op. Zijn ouders waren er, haar moeder ook. Was het tot aan dat moment een grap, iets om de tijd mee door te komen, een manier om met evenwichtskunst en zwaartekracht te spelen, nu werd het plotseling serieus. Door het podium te betreden veranderden ze in een wezen met vier armen en vier benen. Het publiek keek niet meer naar haar of naar hem, maar naar Schakels, zoals ze zichzelf hadden genoemd. Na het eerste applaus en de eerste buiging, hand in hand, nahijgend en bezweet, dachten ze dat ze samen op een levenspad zaten.

Totdat hij bij haar was geweest zoals nooit daarvoor zat er een laagje om haar heen, iets dat op hem reageerde en altijd wist hoe dichtbij hij was. Nadat datgene gebeurd was waarvan ze niet wist hoe het zou zijn, had ze haar vel afgelegd. Als ze nu om hem heen cirkelde, aan zijn armen hing of over zijn rug schoof, kroop hij in een simultane ademtocht onder haar huid, precies zoals hij had gedaan toen ze op haar kamer waren en ze naar elkaar keken, naar het laatste onbekende gebied van elkaars lijven, de onontdekte en nog onbewoonde eilandjes in een zee waarvan ze elke centimeter kenden omdat ze elkaars geur, elkaars jonge rimpels, elkaars aderen, striemen, blauwe plekken, sproeten, spieren en gewrichten kenden als ze koud waren en nog moesten beginnen, als ze warm waren terwijl ze oefenden of met hun optreden bezig waren, als ze zweetten, hijgden, afkoelden, als ze voor het publiek bogen, als ze hand in hand afgingen en weer terugkwamen, als ze bij elkaar in de stoel naar tv keken, als ze bij hem achterop zat en naar cursus fietsten… voortaan droeg ze zijn gladde zweet op haar buik, rook ze hem als de zomer, soms zout, zonnig, soms als appel, als olie.

Zijn ouders hadden een kleine studio voor hem gekocht. Het was een half uur fietsen vanaf haar kleine huurkamer in de stad, waar ze woonde onder een etage met jongens die zagen hoe soepel ze was als ze haar tegenkwamen op de trap en haar teigetje noemden.
Hun mentor was een pezig mannetje, tanig als stokvis, dat zijn leven lang door de lucht had gezweefd terwijl zijn broers hem aan elkaar doorgaven, met een accent dat nog het meest deed denken aan Russisch.
‘Zijn jullie geliefden?’ vroeg hij op de introductiedag.
In het antwoord straalden ze.
Hij keek bedenkelijk. Zij zag het.
Samen hadden ze kort daarvoor naar de oude loods in de wereldhavenstad gestaard. Ze hadden de met grote witte verfletters beschilderde deuren gezien, zo reusachtig dat er met gemak een binnenvaartschip doorheen kon, en ze zagen naast het gebouw de ruwhouten picknicktafels op schots en scheef gelegde straatstenen, waar ouderejaars zaten te kletsen. Meisjes droegen uitstaande rokjes boven sterke benen en hadden sjaals in hun haar. Jongens met knotjes lieten wijde broeken aan hun lijf slobberen. Donkere ogen lachten in bruine, zwarte en gele gezichten. Lichte ogen lachten terug onder witblonde wenkbrauwen. De troep was neergestreken als een zwerm zinderende spotvogels, in staat elk gewenst moment op te vliegen in krankzinnig lenige formaties, koprollend door de lucht, jonglerend met koffiebekers en waterflesjes. De vlakbij afgemeerde zeevloot leek dit stelletje naar deze wereldhaven te hebben gebracht, afkomstig uit plaatsen als Odessa, Caïro of Lima. En toen moesten ze nog naar binnen voor dat gesprek met hun mentor. En toen hadden ze nog niet eens de gigantische oefenruimtes gezien, zo hoog dat een duif er kon nestelen, zo open dat een peloton er kon marcheren.

Nieuwe oefeningen kregen ze, met stokken en touwladders, waarbij ze hoger door de lucht zweefden, beter timeden en dieper  bogen, zij moest in haar eentje naar een balk reiken of aan een dik, soepel touw hangen alsof hij het was, terwijl hij zijn coördinatie oefende en soms de hele dag op zijn kop hing, op zijn kop stond, ondersteboven bleef. Hij groeide door, kreeg spieren als een atleet en als ze naast elkaar stonden keek hij twee koppen over haar heen.
Op een ochtend in het tweede semester huppelde ze onder de ijle nok van het oude loodsgebouw naar hem toe, hij stond bij de trampolines met zijn hoofd in zijn nek en de schaduw van een stuiterend meisje viel over hem heen.
Toen ze daarna met hem oefende, was zijn huid als bevroren water.

Op de trap in haar studentenhuis maakten de jongens geen grapjes meer. Als ze naar school ging en de houten deuren van de loods in de verte zag, voelden haar rugspieren als heavy metal. Ze kon niet meer liggen, zitten of lopen. Soms sliep ze staand tegen de muur in haar kamertje. Twintig jaar oud werd ze in deze havenstad en volgens röntgenfoto’s en bloedbuisjes moest ze kerngezond zijn, niettemin schreef de dokter poeders en pillen voor en verwees hij haar naar een fysio, iemand met een natte oogopslag die haar van top tot teen bevoelde en vroeg of ze pijn had bij het vrijen en dacht dat het aan haar koperen spiraaltje kon liggen.
Als trekvogels in de winter verdwenen haar spieren. Ze zag er weer uit als het tengere meisje van het schoolplein dat over klimrekken kon lopen en haar moeder nam haar terug in huis.

© Jan Kloeze