Dragonfly

Toen John haar voor het eerst kuste, in die geïmproviseerde slaapzaal na dat brallerige feestje, had ze zich afgevraagd wat ze met zo’n zonderling aan moest, maar hij zoende mannelijk en hij was raadselachtig en hij huurde een huisje van drie keer niks waar hij toch gelukkig was en hij zei dingen waar ze om moest lachen en hij was in ieder geval geen loodgieter of timmerman zoals haar vader en haar broers. Toen hij bij haar introk, wisten haar familieleden niet wat ze met hem aan moesten. Nu hij normaler werd, aangepaster, socialer ook en zijn eigen geld verdiende, ging dat beter. Toch hield ze soms het gevoel dat hij bij haar op kamers woonde. Dat John op zolder bleef toen zij haar weeën kreeg, vond ze daarom niet gek. Ze was naar boven gegaan om het hem te vertellen. Dat ging best, al raakte ze licht buiten adem. Daar zat hij onder het schuine dakraam, achter die vreemde computer met grote zwarte floppy’s en dat amberkleurige beeldscherm, gekocht van een kennis verderop in de straat, iemand die als eerste zo’n ding in huis had gehad maar nu alweer toe was aan een nieuwe. ‘Ik denk dat ik weeën heb,’ had ze gezegd. Hij reageerde alsof ze haar kind ter plekke bij hem kwam inleveren. ‘Het gaat heus nog wel een tijdje duren,’ lachte ze. Het was een zondagmiddag. Ze had voor de zekerheid de vroedvrouw gebeld, maar die maakte nog geen aanstalten om langs te komen.
Ze ging in bad en ze goot met haar handen warm water over het deel van haar puilende buik dat als een omgekeerd doopfont boven het oppervlak uitstak. Het badwater kleurde lichtroze dankzij de korrels die ze erin had opgelost. Rozenschijn. Ze ging ervanuit dat haar zoontje straks gedoopt zou worden en dat John hem vast zou houden met een hand onder zijn ruggetje en de andere onder zijn hoofdje, precies zoals haar vader volgens het fotoalbum háár had vastgehouden toen de pastoor zijn zegenrijke werk deed.
Haar vader was verantwoordelijk voor het eerste orgasme in haar leven. Ze was een jaar of vier en zat bij hem op de nek. Niet dat haar vader enig idee had, zij zelf net zo min trouwens. Hij hield haar gewoon vast bij haar enkels terwijl zij op zijn nek schommelde als een kleine koelie. Ze wandelden ergens heen met het gezin dat nog niet af was. Haar zusje en haar broertje zaten samen in een kinderwagen die door haar moeder werd geduwd. Ze onderzocht het haar op haar vaders hoofd, kraaide van plezier en werd stil toen ze een vreemd, gloeiend gevoel in haar beentjes gewaarwerd. Langzaam verspreidde die tinteling zich door haar buik en toen ze onwillekeurig ging verzitten, schokte er iets tussen haar benen, precies daar waar ze de benige nek van haar vader raakte. Het schokte nog een keer en toen werd haar hele lijfje warm, niet van buitenaf, maar van binnenuit. Ze gloeide tot aan haar kruin en voelde de hitte op en neer gaan langs haar ruggengraat. Van de schrik piepte ze zacht en toen sloeg ze dubbel, helemaal over haar vaders hoofd.
Het was het enige orgasme van haar leven waar ze geen moeite voor had hoeven doen.
Waarom dacht ze daar nu aan? Waarom dacht ze aan het onschuldige genot van een meisje met niet meer dan een spleetje tussen haar benen, geen haren, geen lippen, geen bloed, geen afscheiding. Straks moest haar zoontje daar doorheen, een belofte die elke moeder nakwam, maar ten koste waarvan? Wat gebeurde er met het ooit onbezoedelde, onschuldige heuveltje dat ze jarenlang bij zich had gedragen zonder er een bewuste gedachte aan te wijden? Behalve dat het soms jeukte en dat ze leerde dat ze het voor andere mensen verborgen moest houden en dat het met een washandje gewassen moest worden.
Daar moest dus een hoofdje door en alles wat daaraan vastzat. Terwijl ze in het laken zou poepen en mensen toekeken als zij met haar benen wijd moest persen, de plek openbarend die daarna nooit meer hetzelfde zou zijn, net zoals haar borsten zouden gaan hangen en het vel op haar buik zou scheuren in kleine vertakte tekenen. ‘Zorg alsjeblieft dat je het waard bent, jochie,’ mompelde ze met tranen in haar ogen. De badkamer huilde met haar mee in dikke druppels op de betegelde muren.
Het liefst wilde Saskia haar moeder bellen. Zelf had haar moeder er zeven uitgepoept. Na elke bevalling was ze binnen een paar dagen weer op de been om het huishouden te bestieren en het eten te koken voor ‘Pa’. De vrees om uit te scheuren, de preutsheid die ze voelde, de vreemde behoedzaamheid om het kindje dat al zo lang in haar buik zat te ontmoeten, de twijfel of ze wel goed voor hem kon zorgen… al die dingen zou haar moeder achteloos van tafel vegen.
John zat nog boven.
Ze stond druipend op en droogde zich af. Daarna deed ze een grote onderbroek en een zwangerschaps-bh aan. Daaroverheen een kamerjas. Ze ging naar beneden en belde de vroedvrouw opnieuw.

‘Jij bent toch…’
‘Saskia.’
‘Je bent getrouwd. Moeder. Therapeut.’
‘Niet per se in die volgorde…’
Daan lachte. Ik was me er bewust van dat hij ook bij anderen in de bus een praatje had gemaakt, maar alleen bij mij kwam zitten.
‘Eenpersoonskamer en bij voorkeur vegetarisch,’ las hij op van het formulier dat de reisorganisatie kennelijk had samengesteld en dat hij uit een zak van zijn oude jagersjas had gehaald. De Israëlische verslaggever van het journaal droeg ook zo’n jas. Als hij op televisie was, vroeg ik me altijd af wat er in al die zakken moest zitten.
‘Nog psychopaten of neuroten gezien in de groep? Dan kan ik er vast rekening mee houden.’
‘Ongetwijfeld. Maar als ik op vakantie ben, werk ik niet. Ook niet voor jou.’
Hij knikte, stond op en liep naar de microfoon voorin de bus. We hoorden dat we werden losgelaten bij de Brightlingsea Sailing Club en langs de rivier zouden wandelen naar Wivenhoe, waar we boven de The Rose and Crown logeerden, een pub met volgens Daan een prachtig terras aan de rivier. In de pub zouden we ook onze bagage aantreffen. ‘Ik loop zelf natuurlijk mee. Dus als je onderweg iets wil vragen, be my guest.’ Daan sprak Engels als een Engelsman, zelfs als er maar één of twee Engelse woordjes in een zin voorkwamen. Toen hij mij begroette vlak voordat ik in Harwich de bus betrad en ik zijn grappige, zwarte ongetemde krullen en bruine ogen zag, vroeg ik me ineens af welke bh’s ik eigenlijk had ingepakt. Ik wilde het niet aan mezelf toegeven, maar ergens deed hij me aan de jonge John denken, toen hij nog onaangepast was en in dat gekke huisje woonde, dromend van een schrijverschap dat vrijwel was opgelost als…, ja, als een droom.

Het beeld van ons kleine ventje dat zich met kleverige handjes aan de glazen tuindeur vasthield, met zijn koppie net boven het schot uitkwam en naar mij lachte, twee of drie tandjes in een gulle mond, Saskia die voor de zekerheid op haar knieën achter hem zat en ons kind aanspoorde naar papa te zwaaien, dat beeld hield me op de been, die herinnering sterkte me op het moment dat ik de personeelsingang van het ziekenhuis betrad, op weg naar de röntgenafdeling. Daar was ik aangenomen als hoofd administratie, een functie die niets te maken had met administratie maar zo heette omdat er onderscheid gemaakt moest worden tussen de laboranten die met patiënten werkten en het ondersteunend personeel dat afspraken maakte, dossiers opzocht, de typekamer bemande en patiënten aan de balie ontving. Kort daarvoor was ik dertig jaar oud geworden. In een vlaag van door vaderschap geïnduceerde ambitie had ik gesolliciteerd, was aangenomen en nu gaf ik fulltime leiding aan een groep van een stuk of twintig vrouwen en een paar verdwaalde mannen.
Het ziekenhuis was een half uurtje fietsen vanaf de nieuwbouwwijk in de stad aan de rivier waar Saskia en ik sinds kort naar toe waren verhuisd. Op zolder had ik een tweedehands computer staan die ik af en toe maar steeds minder frequent, aanzette om voor de vorm nog wat te prutsen aan een kort verhaal, gestimuleerd door de redactie van De Koning dat twee keer een door mij aangeboden tekst had geaccepteerd, waarna een uitgeverij uit Amsterdam weer een ander verhaal had opgenomen in een bundel met veelbelovende jonge schrijvers, maar ik had dus steeds minder tijd voor de schrijverij, zoals ik het inmiddels was gaan noemen, want mijn baan in het ziekenhuis slokte me elke dag op van half acht in de morgen tot half zes in de avond en sinds Kurt was geboren, nu anderhalf jaar geleden, stond mijn hoofd steeds minder naar zinsconstructies, verhaalopzetten of persoonsbeschrijvingen. Behalve als ik naast de glinsterende asfaltweg over het roodgekleurde fietspad naar het ziekenhuis snelde. Alleen dan droomde ik nog over schrijverschap, over vriendschappen met andere kunstenaars, over literatuur in combinatie met kunstwerken in hoge ateliers vol ongebonden geesten die dingen zagen waar administrateurs en doktoren geen idee van hadden.

Daan zette er meteen de pas in. Ik zag zijn groene jagersjas en zijn vaalrode rugzak nog net de hoek om gaan, richting de riviermond. Anders dan de Hollanders lieten Engelsen hun rivieren gewoon lekker in zee uitmonden, zonder gedoe met sluizen. Ze deden evenmin aan walbeschoeiingen of andere inperkende maatregelen, zodat eb en vloed vrij spel hadden langs de rivieroevers die bij laag water tientallen meters taai slik toonden. Ik las dit soort informatie altijd thuis en in de bus vaak nog een keer.
Drie vriendinnen gingen als direct achter Daan aan. Ze waren een jaar of veertig, hadden samen nieuwe wandelschoenen en van die wapperende jasjes gekocht en nu het echt begon, wandelen in een vreemd land, waren ze ondanks hun bravoure toch een beetje ontheemd en wilden ze dicht bij de gids blijven.
Ik had tegen Daan gezegd dat ik op vakantie niet aan het werk was, maar dat was een leugentje want ik vond het juist heerlijk om dit soort observaties te doen. De groep bevatte twee vrijgezelle mannen die elkaar niet kenden. Eén van de twee had een nieuwe rugzak gekocht, van een huismerk, de ander had zo’n lullig zakje aan touwtjes op zijn rug hangen. Verder hadden we vier echtparen en drie alleenreizende vrouwen. Ik liep in de achterhoede. Aan de boulevard stonden wit- en blauwgeverfde strandhuisjes, allemaal precies even groot, maar met verschillende naamborden. De in de bus gevreesde buien waren overgedreven en de zon scheen. Hier en daar werden een paar van die huisjes geopend door gezinnen die er stoelen, tafels, barbecues en opblaasbedden uithaalden. Na de huisjes liep ik door een soort duinlandschap met hier en daar een houten bank die steevast ‘in loving memory’ aan iemand was opgedragen, vaak getooid met een fotootje van een hoogbejaarde heer of dame.
Een paar kilometer later naderde ik de Tide Mill. Dichterbij hoorde ik het repeterende geluid van grote schoepen die in het water grepen en weer loslieten. Achter de witgeschilderde, houten muren bonkte de door het water aangedreven as. Dichterbij gekomen zag ik de meeste mensen van onze groep samen met Daan bij één van de grote schoepen staan. Hij had zijn jas uit. Een verschoten hemd slobberde om zijn gestalte en zijn krullen bewogen zachtjes in de wind. De zonnebril die hij droeg stond hem waanzinnig goed. Zijn broek werd opgehouden door een touw, geen riem, en zat losjes om zijn kruis. Ik rukte mijn blik los. Wees niet zo’n stompzinnig wijf, zei ik tegen mezelf.
‘Als jullie verder gaan, blijf dan op het pad. Want er wonen hier mensen. Het is hun privé-tuin. Aan het eind van het pad is een draaihek en dan kom je weer bij de rivier uit,’ zei hij.
De mensen kwamen in beweging. Sommigen aarzelden omdat Daan was blijven staan. Maar ze liepen toch door.
‘Saskia. Je hebt alles gemist.’
‘Ik heb het gewoon in de beschrijving gelezen.’
‘Daarin staat niets over de tragische liefdesgeschiedenis van de lord en zijn vrouw die de molen in de zeventiende eeuw bouwden.’
‘Mmm. Van tragische liefdesgeschiedenissen weet ik genoeg.’
‘Vertel.’
‘Uhuh. Beroepsgeheim.’
Daan lachte en tikte mijn arm aan. We liepen samen de tuin in, passeerden een grote vijver met een imposante, in het water spiegelende treurwilg en kwamen uit bij het rivierpaadje dat te smal was om naast elkaar te lopen. Ik liet hem voorgaan omdat ik niet wilde dat hij de hele tijd naar mijn kont kon kijken.
Dat ik me snel bekeken voelde, had ik aan mijn vader te danken. Als een rok in de ogen van mijn vader te kort was of een decolleté te diep, dan werd ik terug naar boven gestuurd om me anders aan te kleden.

‘John, kan ik je even spreken?’ In de deuropening van mijn kantoortje stond Marian, pas 20 jaar oud. Ik had haar zelf aangenomen. Marian kwam naar mijn bureau en hield een broek in haar hand, een broek met wijde pijpen en een winkelhaak ter hoogte van de linker bil. ‘Dit is gisteren gebeurd toen ik een stapel dossiers wilde pakken, bij de ontwikkeltanks. Het is daar altijd donker en er stak een metalen frame uit waar ik achter bleef haken.’
Ik keek naar de scheur die ze nu voor mijn ogen uitrekte, rafelrandjes onder haar vingers. Waarom had ze me dit gisteren niet laten zien, toen het gebeurd was?
‘Volgens mijn vader is het ziekenhuis hiervoor verzekerd’, zei ze verlegen en onzeker door mijn zwijgen. ‘Als je me niet gelooft, kan ik het je laten zien. Hoe het gebeurd is.’
‘Goed’, zei ik.
De afdeling bestond uit één lange besloten gang van een meter of dertig. Aan de ene kant bevonden zich de röntgenkamers met een doorgang naar de wereld van de patiënten. Aan de andere kant van de gang lagen schemerige hokken met felle lichtbakken vol grillige beelden op zwarte, grootformaat fotoplaten die door de radiologen werden bekeken terwijl ze hun bevindingen dicteerden in een microfoontje, vlak onder de mond gehouden. Ze keken dwars door mensen heen zonder hen ooit te hebben zien. De lampen achter de skeletachtige fotobeelden belichtten de witjassen en maakten mummelende duivels van hun gezichten. Ik koesterde het plan om dit in een verhaal op te nemen en telkens als ik het zag, voelde ik een scheut tekortkoming omdat ik nog maar zelden de pen ter hand nam.
Marian liep voor me uit. De spijkerbroek spande om haar jonge kont. Ik probeerde er niet nadrukkelijk naar te kijken. Links en rechts schoten geüniformeerde laboranten de gang op en af. Ze knikten naar ons. We waren hier welkom als we de boel maar niet ophielden. Het hele ziekenhuis had altijd haast.
Voorbij de kantine stonden de ontwikkelapparaten, grote grijsmetalen vierkante containers. Omdat hier geen lichtbakken hingen was het er donkerder dan elders in de schemerige gang. Hoewel dossiers zelden in deze uithoek waren te vinden en ze er ook niet thuishoorden, werd er nog weleens een stapel neergelegd en vergeten. Mijn mensen, die een paar uur per dag naar dossiers zochten en ze eigenlijk altijd wisten te vinden omdat ondanks de schijnbare chaos de ziekenhuislogistiek een ijzeren logica bevatte, hadden de gewoonte om ook bij deze giftige, zilver en zink bevattende bakken te zoeken.
‘Kijk, hier gebeurde het.’ Marian deed alsof ze een stapel dossiers pakte, bukte zich en draaide half naar me toe om te controleren of ik wel zag wat ze deed. Haar borsten drukten in deze houding onheilspellend tegen de knoopjes van haar bloes en haar spijkerbroek ging vlak boven de bilspleet een beetje openstaan. In deze houding werden vrouwen van achteren genomen. Ik kon de gedachte niet onderdrukken. Sinds de geboorte van Kurt was de toeschietelijkheid van Saskia sterk afgenomen, terwijl ze tijdens de zwangerschap evenmin veel zin had gehad. Toen ik in dat kleine huisje van me sappelde als schrijver in spé was dat anders. Maar hoe meer ik veranderde in een verantwoordelijke burger, hoe minder zin ze in me leek te hebben. Ik draaide me om en zei tegen Marian dat ik genoeg had gezien en dat ik met personeelszaken zou overleggen over een schadevergoeding voor haar broek.

Daan liep harder dan ik, omdat ik af en toe stilstond om een foto te maken van in de grijze modder weggezakte en door de eigenaar kennelijk vergeten schepen die vermolmd waren tot zwarte staketsels en eerder uit de grond leken te groeien dan dat ze erin wegzakten. In het midden stroomde de kronkelende rivier tussen rode en groene boeien en ik zag dat het water het land in drong. Het moest dus vloed zijn, want uit zichzelf zou de rivier naar zee stromen. Nu was het nog een smal stroompje tussen wel twintig meter bruine kelp en slik aan weerszijden, nauwelijks diep genoeg voor een roeiboot, maar straks was de modder verdwenen en konden ook grotere schepen op de vloed naar het stroomopwaarts gelegen kunstenaarsplaatsje varen dat wij te voet gingen aandoen.
Hoewel ik steeds verder achterbleef, liep Daan min of meer binnen gezichtsafstand om daaruit te verdwijnen als het pad weer eens werd omzoomd door manshoge heesters vol kattentongen, braambossen en brandnetels met witte kronen. Als ik die plekken zelf bereikte, verbaasde ik me over alle vlinders die om mijn hoofd wapperden; kleine bruintjes, grote page-achtige en felgele of spierwitte exemplaren. Percelen tussen houtwallen en kleine bossen droegen koren, vlas, koolzaad en ook lupines. Meeuwen krijsten boven het water en op de modder liepen langsnavelige snippen langs de waterlijn.
De lage dijk maakte een bocht om ruimte te maken voor een droogvallende haven waar de groeiende vloed een klein stroompje binnen bracht. Jachtjes met namen als Cressida of Lady Jane maakten zwaar slagzij in het slik, maar zouden straks weer even drijven op de stroom, een genot dat ze twee keer per etmaal kortstondig werd gegund. Ik glimlachte in mezelf en maakte er foto’s van.
Verderop bij het water was Daan op een verweerde krib gaan zitten. Hij haalde een thermoskan uit zijn rugzak en wenkte me. Bij hem gekomen, zette ik mijn rugzak af, deed mijn camera in het foedraal en merkte dat ik behoorlijk zweette. Maar ik hield mijn flodderjasje aan, want daaronder droeg ik een shirt dat behoorlijk om mijn borsten spande.
‘Die kleine mieren, daar, op die steen in het water. Zie je ze?’
Ik zag ze.
‘Ze lopen iedere keer naar de rand, waar de vloed langzaam opkomt en de steen steeds kleiner maakt. Dat er iets misgaat, lijken ze instinctmatig te weten, maar wat moeten ze doen?’
Een tijdje staarden we samen naar de diertjes, niet veel, een stuk of vijf, misschien acht, die zigzagden over een van de grotere stenen, een roodbruin exemplaar, tussen andere stenen van dezelfde kleur die van elkaar werden gescheiden door het water dat inderdaad onherroepelijk telkens een miniem stukje steen extra innam. Het was bijna niet te zien, maar als ik even een andere kant opkeek, naar Daan bijvoorbeeld en zag hoe ontspannen hij erbij zat en zijn brood opat, dan was daarna het leefgebied van de miertjes toch weer wat kleiner geworden. Om ons heen murmelde het water tussen de stenen, gorgelde de modder zachtjes en zoemden vliegen met vreemde, langwerpige vleugels. Op een grote vijver dobberden zwanen, een kleinere soort dan we in Nederland gewend waren; in het water dreven kale boomstammen en de vijver moest zich wel achter een drempel bevinden, want anders was hij bij eb helemaal leeggelopen. Waar een dicht bos begon woonden mensen in halfvergane woonschepen die met lange, van opgedroogd zeewier druipende touwen aan de wal vastzaten. Boven het water scheerden libellen, kleine blauwe exemplaren die af en toe, net als wij, naar de steeds verder ingesloten insecten op hun steen keken.
‘In het Engels heten ze dragonfly,’ zei Daan.
‘Ze lijken boven het water te verdwijnen in de lucht om dan plotseling weer op te duiken,’ zei ik.
‘Draken hebben een mythische betekenis. Ze staan voor een transformatie. Als je ze tenminste kunt verslaan.’ Daan lachte. Hij had een onregelmatig gebit dat zijn lach meteen iets vrolijks meegaf.
‘En jij bent een ridder van de ronde tafel,’ zei ik.
‘Sir Daniel, at your proposal.’
We lachten en ik realiseerde me ineens hoe dicht we bij elkaar zaten..
‘Kijk. Ze zijn weg,’ zei ik.
De steen was helemaal nat, het roodbruin veranderd in zwart en de mieren waren verdwenen. Hadden we het toch nog gemist. Waren ze verdronken of konden ze zich door het water mee laten voeren naar een andere, droge stek?
‘De dood komt meestal als je net effe de andere kant opkijkt,’ zei Daan.
‘Ben jij filosoof of zo?’
‘Docent Engels met lange vakanties.’
‘Mijn man zou het met je eens zijn.’
‘Waarom begin je over je man? Waarom beginnen leuke vrouwen altijd over hun man?’
‘Zelfbescherming, denk ik.’
Hij deed zijn zonnebril af en keek me aan. Zijn blik ging naar beneden, rustte op mijn borsten, gleed langs mijn heupen en keerde terug naar mijn ogen. Ik wilde zijn krullen voelen.
‘Jouw man, vooruit dan, wat doet hij?’
‘Manager. Wilde per se een herenhuis in de binnenstad. Nu is hij hard op weg naar zijn eerste infarct. Of zijn laatste.’
‘Is het er zo een,’ zei Daan.
Waarom had ik dat gezegd? Ik wilde dat huis net zo goed.

Voor de zoveelste keer stond John op van de bank om het gordijn een stukje opzij te schuiven. Nog steeds niets. Ja, de Audi stond voor de deur. Ondanks alles genoot hij van de aanblik van zijn auto in het lantaarnlicht, de zilveren raamomlijsting, de grote wielen, de smalle achterlichten. Hij gaapte, keerde terug naar de bank, legde zijn hoofd op de leuning, wreef door zijn dunner wordende haar en dacht aan het mooie, hoge stemmetje van zijn zoon, toen het tij nog niet gekeerd was. ‘Papa, wat is dat?’ Kurt zat in de bonkige bolderkar en keek met grote ogen naar een houten stellage met buizen en teilen in de wei, vlak naast de korrelige asfaltweg, waar koeienpoten het gras kapot hadden getrapt. ‘Dat is nou een wasstraat voor koeien,’ zei John. ‘Vertel straks maar aan mama: met stront aan de staart erin, schoon er weer uit.’ Stront, daar moest Kurt om schateren. John trok de kar aan de dissel weer in beweging en zei zacht: ‘Kijk een helikopterlibel.’ Hij wees naar een lichtblauw, niet al te groot exemplaar boven de sloot tussen weg en wei. Het diertje kwam tevoorschijn op een scheutje zonlicht boven de lage horizon.
Omdat hij pijn in zijn nek kreeg, ging John nu toch maar naar boven. Hij poetste zijn tanden, kleedde zich in de badkamer uit en sloop de slaapkamer in waar het naar zijn slapende vrouw rook. In het donker omzeilde hij de hindernissen van kledingkast, dressoir en stoel. Ondanks dat hij naast haar in bed kroop, veranderde Saskia’s ademhaling niet en zoals altijd vroeg hij zich even af of ze net zo onbewust zou doorslapen als een vreemde kerel op deze manier bij haar in bed kroop. En toen dacht hij weer aan het zeer zeldzame bruinbuikje, een benaming die hij had verzonnen omdat zijn zoontje wilde weten welke vogel daar op die tak zat. Of de geheime groene sprinkhaan, het krinkelende waterding, de onaanraakbare geelzwarte tor, de nooit landende zwartkraai. En die keer dat er kraaien in het weiland zaten, deed John heel verbaasd. Alsof zij samen de eersten waren die hadden gezien dat die vogels toch op hun pootjes konden staan.
Naast het zandpad stak een gevorkt stokje uit de grond. ‘Wacht,’ zei John. Hij liep er naartoe en deed alsof hij met al zijn kracht probeerde er beweging in te krijgen. Hij gromde van de inspanning. ‘Het is een wichelroede,’ zei hij. ‘Een soort toverstok. Probeer jij het eens.’
Kurt klom met zijn gipsen poot uit de kar en hinkte naar het stokje. Hij bukte zich, zette zich schrap en toen hij hard aan de wichelroede trok, viel hij van de weeromstuit op zijn kont en bleef hij gierend van de lach liggen. Er zaten plakplaatjes van dino’s op het gips.

Daan en ik waren niet samen het terras van de Rose and Crown op komen lopen, omdat ik nog een tijdje op een bank had gezeten bij de waterkering die Wivenhoe moest beschermen tegen springtij en storm, een zeldzaamheid in deze contreien maar noodzakelijk ‘omdat het schilderachtige plaatsje in het verleden meerdere malen was verwoest door de vloed die kilometers ver het land in kon komen’. Het land lag hier dieper en de dijk was veel steiler dan aan het begin van de rivier en de deuren van de waterkering, een soort sluis, waren misschien wel vijftien meter hoog. Een kleine zeilclub had precies hier een lang, glooiend talud gemaakt voor hun bootjes. De rivier was nog altijd aan het vollopen. De eerste boten begonnen zich achter hun moorings op te richten en ik voelde me verwant aan die scheepjes want ik had zelf ook het gevoel dat ik na een lange tijd van droogte weer een beetje dobberde.
John was in het ziekenhuis opgeklommen tot bouwdirecteur. De pub had vast wel een telefoon waarmee ik hem internationaal kon bellen. Straks zou hij naar Studio Sport kijken en verstoord opnemen. ‘Hé, wat leuk dat je belt – is er iets – dat doe je normaal nooit, zeker niet als je nog maar net weg bent – hier gaat alles zijn gangetje – bij jou? – wat, iemand ontmoet? – natuurlijk – geen probleem – als jij denkt dat… – ken ik hem? – oh, gelukkig – nou, nog veel plezier.’ Ik schudde mijn hoofd. Absolutie zou ik niet krijgen.
‘Hé, Saskia? Kom erbij zitten.’
Nog in hun wandelkleding zat mijn hele groep al aan het Engelse bier, de mannen een groot en de vrouwen een klein glas. Eén van de drie vriendinnen, die met hoog opgestoken haar en een wat schuwe oogopslag, had me geroepen. Het was een smal terras, gelegen tussen de ingang van de pub en de stenen kade, met grote, ronde tafels en daaraan vastgetimmerde banken voor minstens een man of tien. De leden van mijn groep zaten dicht op elkaar gepakt omdat het anders niet paste.
‘Leuk,’ riep ik. ‘Strakjes. Eerst even opfrissen.’
Het eerste wat ik zag in de schemerige gelagkamer was dat Daan zijn zonnebril in zijn krullen had gestoken. Daarna drong het pas tot me door dat hij naar me knipoogde.
‘Vele laatsten zullen de eersten zijn,’ zei hij en hij kwam op me af met mijn kamersleutel, zo’n zware aan een nog zwaarder, metalen label. ‘Jezus. Citaat.’
‘Als katholiek weet ik niets van de Bijbel,’ zei ik.
‘Je hebt nummer tien. Dat weet je toch wel, dat er tien geboden waren?’
‘Ja, gij zult niet begeren…’ Ik zag dat hij verrast was. Hij wees naar de ruimte achter de lange, met leer beklede bar. Daar was de trap naar boven. Mijn bagage stond al op mijn kamer.
Zo’n eenpersoonskamer was een luxe, maar ik betaalde dit soort reizen helemaal zelf. Ik maakte mijn wandelschoenen los, schoof ze van mijn voeten, deed mijn sokken uit en ging op het bed liggen, een grote boxspring met een langwerpig, rond kussen aan het hoofdeinde en een gewatteerde sprei. Aan de muur hing een aquarel van de waterkering bij Wivenhoe, van bovenaf geschilderd, bij hoogwater, waardoor de rivier vol was met zeilbootjes die zo te zien een wedstrijd deden. In de hoek stond een kleine televisie. In de andere hoek prijkte een klein bureau met de gebruikelijke welkomstfolders.
Ik stroopte mijn broek af en deed mijn jas en mijn hemd uit. Daarna haakte ik mijn bh los, trok mijn benen op en schoof mijn slip over mijn voeten. Het voelde heerlijk schaamteloos om zo op een vreemd bed in een vreemde kamer te liggen, met geroezemoes dat door het open raam vanachter de vitrage naar binnen glipte, wetend dat John ver weg was en Daan dichtbij. Zelfbevrediging, daar deed ik vrijwel nooit aan, met dank aan mijn brave vader die mijn moeder zo vaak mogelijk zwanger maakte maar nooit de hand aan zichzelf sloeg. Niet dat hij ons dat vertelde. Dat wisten we gewoon.
De deur ging open. Daan kwam binnen en deed zonder een woord te zeggen eerst het raam dicht.
Mijn hand plukte het samengeplakte haar op mijn schaamheuvel los en schoof verder naar beneden, waar het litteken schuin op een buitenste lip stond. Het had me moeite gekost om Kurt te laten komen. Volgens John had het teken de vorm van een langwerpige vlieg, maar hij was een schrijver, een fantast.

©Jan Kloeze