Sinds Zahir op de vlucht was, stroomde het bloed in zijn omvangrijke lichaam anders. Sneller. Feller.

Soms voelde hij zijn hart bonzen in zijn vingertoppen, kuiten en kaken. Het leek alsof hij meer bloed bezat, alsof alle onderdelen van zijn grote lijf waren gezwollen. Toch had hij bijna alles achter zich moeten laten en zou hij verdrietig moeten zijn. Maar dat was hij niet. Hij durfde het zichzelf nauwelijks toe te geven, dat hij barstte van het leven.
Dit had hij nog nooit meegemaakt. Zelfs niet toen hij nog maar net verliefd was op Eshal in het land waar hij vandaan kwam, het land waar ze midden in de stad op daken leefden om wat verkoeling te vinden, het land waar zijn familie hem omringde, het land waar op een dag iemand van de regering hem kwam vertellen dat het restaurant niet langer van hem was maar van een neef van de Leider.
Hij had dat restaurant zelf opgebouwd. Het zal elke avond vol. Er werkten vier koks en twintig serveersters. Sinds zijn huwelijk met Eshal stonden in het restaurant overal bloemen, het hele jaar door. Hij liet ze komen met het vliegtuig of per handkar.
Als hij naar haar keek veranderde hij van een zwaarlijvige, soms wat barse restauranthouder in een verlegen jongen van honderdtwintig kilo. Vergeleken bij hem was ze een rank vogeltje met prachtige, ovalen ogen en lang, dik en pikzwart haar. Toen hij haar voor het eerst beminde, was hij zich hinderlijk bewust van zijn logge lijf. Maar ze bewoog in het grote bed moeiteloos op, onder en om hem heen, als een stroomversnelling. Waarna zijn liefde voor haar hem zacht deed schreien.
‘Zonder jou ga ik niet’, had hij gezegd op de avond dat zijn besluit vast stond.
‘Mijn vader en moeder. Ze zullen pappa en mamma straffen. En iedereen.’
‘Niet als ze het restaurant krijgen.’
Ze had gehuild.
Samen gingen ze twee weken later de grens over en nog een grens en nog een. Ze hoefden geen gebruik te maken van wrakke bootjes. Het restaurant had goed geboerd.
En nu waren ze aangeland bij een nieuwe grens. Het duurde lang, te lang. Zahir en Eshal stonden tussen talloze, onbekende vluchtelingen bij een hek, een hek dat er nieuw uit zag.
‘Kom. Jij.’
Een scherpe stem. Een dwingend wenkende arm. Onder een grote uniformpet keken keurende ogen Eshal scheef aan. Ze beefde. Ze greep Zahirs arm vast. Zahir deed een stap naar voren, ging met heel zijn hebben en houwen voor zijn vrouw staan. Het hete, levende bloed verkilde in zijn aderen. Zweet stroomde koud van zijn zware wangen in zijn hals.


Lees ook De zoon of Nova Zembla.

©Jan Kloeze