‘Met Schulz.’ Ze heetten allemaal Schulz. ‘Morgen vertrekken jullie. Waar gaat de reis heen, Berger?’

‘Geen idee’, zei ik, hopelijk zonder verrast te klinken. ‘Dat zien we nog wel.’ Ik zag mezelf staan bij onze vestibule met de telefoon tegen mijn oor, weerspiegeld in het donkere raam, mijn schouders onwillekeurig opgetrokken.

‘Hoeveel buitenlanders gaan er mee?’ Dat was waarschijnlijk een vraag naar de bekende weg. Voor kinderen verboden. Voor de staat verplichte kost.

‘Eens kijken. D. natuurlijk. Een of andere Zwitser. En een stuk of drie Nederlanders, vrienden van D.’ Op dat moment keek mijn vrouw op van haar boek. Ze trok een gezicht.

‘Je gaat met vijf buitenlanders het land in en je rapporteert het niet’, stelde hij vast. Deze Schulz was minder ambtenaar dan de meeste andere want hij gebruikte mijn codenaam niet. Misschien was hij hoger in rang.

‘Het spijt me’, zei ik en ik meende het.

‘Je privileges zijn natuurlijk vanzelfsprekend, Berger. Je telefoon. Je Wartburg. Je geldwisselarij. En vooral je bibliotheek. Dat is allemaal vanzelfsprekend.’

‘Ik weet het. Ik had het moeten rapporteren. Ik heb er niet aan gedacht. Het leek zo onschuldig. Een paar dagen fietsen op het land. En ik ben er zelf bij. Achteraf had ik het natuurlijk gerapporteerd als…’

‘Je hebt er niet aan gedacht’, zei Schulz peinzend. ‘Wat zou er met je gebeuren als wij eens een keer niet aan je zouden denken?’

Ik wist niets te zeggen.

‘Geef antwoord, Berger.’ Nu snauwde hij. Op hetzelfde moment stonden ze in de kamer, de gezichtlozen van de staatspolitie, de anonieme mannen met de ongebreidelde macht. Meestal kon ik wel met ze omgaan. Mijn intelligentie was in hoge mate superieur aan de hunne. Mijn literaire geest hield me op de been. Ik troostte me vaak met de gedachte dat ik hen meer gebruikte dan zij mij. Maar af en toe werd ik gegrepen door de angsten van Josef K. en Judas Iskariot tegelijk; de angsten van het slachtoffer en de verrader, de tweeslachtige inborst van ieder mens, dus ook van Schulz die zoals iedereen onherroepelijk moest leven met de wetenschap dat ook hij beul en gekruisigde in zich verenigde. Omdat ieders tijd ooit zou komen.

‘Dan raak ik alles kwijt’, zei ik gelaten. Hopend dat hij er genoegen mee zou nemen en me niet zou laten opsommen wat ik dan allemaal kwijt zou raken. Mijn ogen rustten op mijn vrouw die allang niet meer las. Mijn mooie, erudiete vrouw, Irene. Mijn muze. Alleen voor haar was ik de dissidente denker die in het Westen werd gerespecteerd en in het Oosten werd getolereerd. Ze deelde mijn liefde voor de oudere, Duitse literatuur. Want wie kon er nog een Faust scheppen? Wie begreep de wereld als Goethe? Wie dichtte als Rilke of kende de liefde als Hesse?

Schulz in ieder geval niet. Aan hem ging heel onze prachtige cultuur voorbij. Hij was bang voor een paar buitenlanders op het land.

Lees ook De grens, Thuis brengen of maak een andere keuze.

©Jan Kloeze, april 2016