Het moment was zo etsend dat alles van kort daarvoor uit zijn geheugen was weggebrand. Hij moest met een groep jongens en meisjes op stap zijn geweest, zoals elke dag in die vakantie.

Zij was één van de meisjes. Marit. Ze was net als hij een jaar of veertien. Verlegen. Slank, vrij kort haar. Een paar sproetjes in haar gezicht. Ovalen ogen die ze vaak geloken hield.
Daarom durfde hij haar soms even snel in haar geheel op te nemen, van top tot teen, haar lange hals, haar bescheiden borstjes, haar smalle middel en haar lange benen waarmee ze soms nog wat springerig was.

Zo stond ze daar, op dat veldje in de buurt van de camping, tegen het hek bij het weiland met de lage zon recht achter haar. Ze droeg een korte spijkerbroek en een rood hemdje met hoge hals en lage armsgaten.
Ze keek hem aan. Niet verlegen meer. Plotseling onverschrokken. Op een meter afstand. Er was niemand bij. Het was stil, hoewel ze net nog iets tegen elkaar hadden gezegd. Nu zag hij naar adem happend dat ze kleine lichtgevende haartjes had in haar oksels, want ze tilde haar armen op om iets met haar haren te doen en de zon streek liefdevol over haar verborgen intimiteit die hem bij de keel greep. Haar ogen zeiden dat het tijd werd, dat het mocht.

Dit verlegen meisje in deze prachtige zomer had zich op een of andere manier bij zijn groepje aangesloten. Nu had ze hem op deze warme avond in een zacht strijklicht meisjesachtig geraffineerd apart genomen. Ze tilde haar armen op, omdat de vrouw in haar al wist dat een man zijn ogen niet van haar smalle schouders af kon houden, haar nu geheven borstjes. Hij verstijfde in bewondering. Dat zag ze. Hij durfde haar niet nader te komen omdat hij haar schoonheid, haar jonge vrouwelijkheid en haar bereidwilligheid niet aan durfde te nemen.

Ze leerde een belangrijke les. Dit was een jongen die bewonderde, een dichter en een dromer. Als ze wilde dat de zacht roepende tintelingen die ze al een tijdje diep in haar buik voelde aan de oppervlakte werden gebracht, moest ze een andere jongen hebben, misschien minder mooi, minder raadselachtig, maar onverschilliger en overheersender.
De dichter zag hoe haar vingers in de hoogte een kleine paardenstaart bij elkaar friemelden en die toen weer lieten vallen. En hoe ze plots opnieuw verlegen was en haar zojuist nog stralende ogen verborg. Ze liet in één beweging haar armen zakken en draaide op haar hakken van hem weg. Bij haar heup maakte haar linkerhand een kort groetgebaar. Ze moest thuis zijn. Zei ze zacht.

Hij mompelde iets terug, zag haar weglopen door het gras en merkte dat haar strakke, korte broek zijn blik hooghartig weigerde. Het hemdje dat haar rug bedekte, sprak een andere taal. Daar had zijn jongenshand onder kunnen zijn gekropen om haar zachte huid te strelen, om het raadsel van haar bh’tje te ontmoeten. Maar ze was in de verte verdwenen en de rest van zijn leven koesterde hij de herinnering aan haar gestalte in het zonlicht.

© Jan Kloeze, aug. 2018

Lees ook De mengbeker of De naam van de bange vrouw.