Alles weg gedaan. Behalve de kleren die ze aan heeft. Een strakke spijkerbroek, die weer past om haar verdwenen buik. Een losse trui er overheen. Haar oude halfhoge laarsjes. En schoon ondergoed natuurlijk. Plus een elastiekje voor haar dunne paardenstaart.

Zoemende insecten om haar heen. Glinsterende blaadjes in wuivende bomen. Stille rails buigen een bocht in een roerloze ladder. En muziek. Zachte muziek. Klassiek. Kent ze niet. Het zijn slechts een paar maten, steeds opnieuw.
Ze hield van house en hiphop. Ze was een feestbeest, een party-animal. Never a dull moment. You only live once, weet je wel. O ja. Daar weet ze alles van. Hoe kort het leven kan zijn. Bebloede lakens in het ziekenhuis. Doorzichtige zakken aan rekken. Zacht pratende mensen. Over de naam van haar kindje. Voor de verwerking.
Violen herkent ze. Een blaasinstrument ook. Dan stopt het geluid abrupt. Er klinkt een stem. Van een boze man. ‘Niet bang zijn, Sophia.’ Wie is dat? Ze kijkt om zich heen. Hij spreekt uit het hoge gras bij het talud. Het lijkt alsof hij ademhaalt en nog niet klaar is, maar het is weer stil.
Even later begint het muziekje opnieuw.
Dan voelt ze de trein, nog voordat ze hem ziet. Want er is iets veranderd in de lucht. Die maakt alvast plaats voor het razende gevaarte met een hondenkop. Haar redding. Haar verlossing. Haar hereniging. Ze draait zich terug naar de stalen liggers, de bielzen balken, de grijze kiezels met hardnekkig opschietend onkruid en hier en daar een bloempje van niks.
Het is een fucking telefoon, weet ze. Uit het raam gegooid zeker. Als ze haar straks gaan oprapen, bij elkaar gaan vegen, vinden ze dat ding en denken ze dat hij van haar was. Dan is ze geïdentificeerd. Dan geven ze haar een naam. De naam van de bange vrouw.
De machinist toetert met een diep, wanhopig geluid. De razende lucht rukt woest aan haar oude, dunne gestalte.

©Jan Kloeze

Lees ook Radionieuwsdienst of Thuis brengen.