‘Kijk, hier is het donker. Kom.’

‘Nee joh. We staan daar gewoon op straat, bij de fietsen.’

‘Jawel. Kan best. Of wacht, dan nemen we die boom daar. Bij die woonboot met al die struiken.’

De jongen loopt al door op zijn grote, witte sneakers. Hij houdt haar hand vast. Het meisje stribbelt niet tegen, maar volgt evenmin van harte. Ze is jong, jonger dan ze er uit ziet met haar halfhoge laarsjes, lycra stockings en een losse trui die over haar billen valt. De buitenverlichting van de woonboot floept aan, maar gaat ook weer uit als ze stil staan aan de rand van de kalme gracht. Hij leunt met zijn rug tegen de boomstam, omgeven door hangplanten en coniferen die een houten pergola bedekken. Zij voegt zich naar zijn lichaam en leunt tegen hem aan. Ze zoenen. Hij is ouder dan zij en bijna een kop groter. Zijn rechterhand ligt op haar kont. De linker rust tussen haar schouderbladen. Hij weet nog niet dat het zo voldoende is. Gewoon afwisselend een beetje druk geven en weer los laten. In plaats daarvan begint hij haar rug te strelen, alsof hij een hond aait. Ze maakt zich een tikkeltje los uit zijn omhelzing, maar leunt nog wel tegen hem aan. Ze praten, zo te zien. Ik kan ze niet horen, maar het lijken lieve woordjes en ik probeer opnieuw te verzinnen wat ze tegen elkaar zeggen. Ze hebben geen idee dat ik in deze zomernacht vanuit de onverlichte stuurhut van de tegenover gelegen woonboot naar hen zit te kijken. Hij verplaatst de hand van haar billen naar haar hoofd. Niet grijpend naar haar achterhoofd, ook niet teder tegen haar wang, maar op haar kruin, waar ooit haar fontanel heeft gezeten.

‘Toe maar’, zegt hij zachtjes.

‘Nee’, fluistert ze, haar hoofd schuddend als om te testen hoe hard hij werkelijk drukt. ‘Niet hier.’

‘Kan best’, zegt hij. ‘Eventjes.’

Maar dan is het voorbij. Gracieus draait ze weg. Ze zet zich af tegen zijn borst. De tenen van haar laarsjes duwen een kuiltje in het zand als ze een soort pirouette maakt. De buitenlamp floept weer aan.

‘Andere keer’, roept ze, uitdagend en lachend terwijl ze op de klinkers stapt, in het gelige licht van de straatlantaarns.

Hij zucht en strekt zijn rug waardoor hij in één beweging achter haar aan komt, met gestrekte armen. Ze slaakt een gilletje en snelt met hoge stappen naar het bordes van nummer 46, waar de gordijnen zijn gesloten en de grijs bepleisterde gevel zwart lijkt. Voordat ze het bordes betreedt, is hij bij haar. Ze zoenen opnieuw. Dan laat hij haar gaan. Ze steekt haar hand in het piepkleine tasje op haar heup, haalt de sleutel eruit en opent de deur. Voordat ze naar binnen gaat, kijkt ze nog even om. Hij is al doorgelopen en merkt het niet. Ze sluit de deur.

Ik zie dat het ganglicht bij nummer 46 gaat branden. ‘Ik ben thuis’, roept ze, want ze weet dat haar moeder nog wakker is.

Lees ook Nova Zembla, De zoon of maak een andere keuze.

©Jan Kloeze, april, 2016