Op een wat broeierige middag liep ik licht zwetend in spijkerbroek en op gympen door de Nova Zembla straat, waar ooit een vriend van me woonde. Ik logeerde soms bij hem, zeker dertig jaar geleden.

Tegen de gevels en portieken van de laagbouwflats lieten bewoners hier en daar planten groeien. Klimrozen, bruidssluiers en seringen. Halverwege de straat viel mijn oog op een uitbundige bloem in een bladhaag, hoog tegen de muur opgroeiend.
Stilstaand en beter kijkend bleken er meerdere van die bloemen verstopt te zitten tussen het groen. Obsceen opengevouwen toonden ze hun meeldraden en stampertjes in schaamteloze erecties op een kleurenspel van zonnestralen in lilapaars, zilverwit, zwartig bruin en groengeel, in hun enthousiasme onschuldig als een jong meisje dat zich vlak voor haar puberteit aan je oog kan opdringen.
Ik merkte dat ik werd gadegeslagen door een vrouw die met stevige pas aan kwam gelopen. Ze droeg een tasje aan haar schouder en ging vrijwel geheel in het zwart gekleed, passend bij haar donkere haar en opvallende bril.
‘Passiebloem’, zei ze glimlachend. En de manier waarop ze lachte maakte me duidelijk dat ze niet alleen wist hoe de bloem heette, maar ook wat passie was.
Ik hervatte mijn wandeling over het brede trottoir van de Nova Zembla straat. Zij leek in te houden.
‘Een ontmoeting onder de passiebloem, wat kan ons nog gebeuren?’ had ik moeten vragen. Maar in plaats daarvan liet ik mijn snelheid inzakken, waarop zij slechts een fractie van een tel aarzelde en haar oorspronkelijke pasfrequentie hervatte.

©Jan Kloeze

Lees ook Hij gelooft in mij of Even vragen.