Om de tijd te doden, ging ik op zondagmiddag naar Hij gelooft in mij in het nieuwe DelaMar, de musical over het leven van volkszanger André Hazes.

Het was een heldenepos over flow en belemmering, over geestkracht en materialisatie – zoals elk levensverhaal feitelijk. Maar bij deze held was het allemaal stevig uitvergroot, mag ik wel zeggen. Na afloop liep ik om de hoek, langs Americain, naar café de Smoeshaan, waar zich op de stoep een klein, soms vrij rustig terras bevond. Ik zat nog geen tien meter af van de artiestendeur die bij het DelaMar hoorde. Binnen enkele minuten na afloop van de voorstelling, ik had mijn biertje nog niet of nauwelijks kunnen bestellen, kwamen de eerste spelers al naar buiten. Ze waren te herkennen aan hun gelaatstrekken, maar natuurlijk niet aan hun kleding die nu casual en zomers was; jurkjes, korte broeken, sandalen. De hoofdrolspelers kwamen wat later naar buiten. Sommigen liepen meteen weg, anderen bleven hangen om alsnog te verdwijnen en enkelen namen samen met leden van de tableau de trouppe plaats op het terras bij mij in de buurt. Te ver weg om hun gesprekken te kunnen horen, maar dichtbij genoeg om ze goed te kunnen observeren. Ze zaten tussen twee voorstellingen in, dronken wat en bestelden te eten.

De volstrekt vanzelfsprekende overgang van toneel naar terras, maakte het soms indrukwekkende spel waar ik ruim twee uur naar had zitten kijken, tot werk. Gewoon werk. Niks bijzonders. Spelen op effect. Ontroering. Verwondering. Verdriet. Verontwaardiging. Lachen. Moeiteloos werd het opgewekt. De zaal bespeeld. Applaus. Buigen. Meer applaus. Het onvermijdelijke staan in ovationeel klappen. Het werd in ontvangst genomen, met blijdschap en schijnbare dankbaarheid.

Gordijn dicht. Meteen doorlopen naar de kleedkamer. Schmink eraf. Kostuums uit. Kort jurkje over het hoofd. Slippers aan. En naar buiten. Nog voordat de foyer leeg was, nog voordat de laatste gasten zich hadden ontlast op het toilet, zat het musicallegertje al aan de eerste sigaret en werd de telefoon gecheckt. Gebabbeld. Gegroet richting voorbijgangers. Geen moment kwam het bij de toneelspelers op dat een zeker persoon op hetzelfde terras zojuist nog in de zaal zat. En wat zou dat ook. Het was ze worst. Ze zaten alweer in het volgende toneelstuk en de rolverdeling lag opnieuw vast. Het was duidelijk wie er het langst bij was, wie de meeste aandacht kreeg, wie er bij hing en wie de grotere rollen speelde.

Aan de rand van het water, waar waterfietsen werden verhuurd en hippe Amsterdammers in aluminium sloepen uiterst langzaam voorbij voeren, zaten twee meiden in het werkuniform van het DelaMar. Ze aten hun meegebrachte boterhammen en dronken uit een kop automatenkoffie met deksel. Ze bevonden zich ook tussen twee voorstellingen, maar op een andere planeet. De jongste kon het niet laten regelmatig schuins te kijken naar het druk pratende groepje ‘beautiful people’ op het terras. Ze droomde ongetwijfeld van een leven in de schijnwerpers, maar had een grijze lange broek en een zwart giletje aan en haar blonde lokken zaten verplicht in een paardenstaart.

Aan de overkant van het water, half verscholen achter een dicht begroeid strookje groen tussen de gracht en de Nassaukade, passeerde een woedende demonstratie van een paar honderd mensen die Palestijnse vlaggen de lucht in staken en onverstaanbare leuzen schreeuwden. Geblindeerde politiebusjes stonden langs de route. Politie te paard begeleidde het rumoer. De optocht verdween langzaam uit beeld om een half uurtje later vanaf het Leidseplein opnieuw op te duiken en richting Vondelpark uit elkaar te vallen.

Het was een farce majeure. De grote grap drong zich aan mij op, terwijl ik met een droevige glimlach om me heen keek en vier koude pilsjes dronk, een portie kaas met mosterd en daarna nog een Ceasar Salade met patat verorberde. Ik speelde zelf de rol van de man van de wereld, die op zijn gemak een uurtje en een paar tientjes stuk sloeg op een terras en zich vermaakte door uitsluitend daar te zitten en te kijken. Ik wisselde af en toe een paar woorden met de serveerster die me ergens bekend voorkwam. 

Maar verder deed ik niks bijzonders. De meeste mensen namen nauwelijks notie van me. Niet de mensen die over het trottoir vlak langs me liepen en ook niet de mensen die op de fiets voorbij kwamen en steevast hun ogen over het terras lieten glijden in de hoop hier een van hun helden te spotten. André Hazes kon daar worden aangetroffen, als men er maar in wilde geloven.

Lees ook De grens, De superconducteur of maak een andere keuze.

©Jan Kloeze, april, 2016