Volmaakte beheersing

‘Wat zie je daar, visserman?, vroeg hij. Wijzend naar het water.
‘Hoezo?’, probeerde ik.
‘Beschrijf het.’ Hij nam een lange teug uit de fles.
‘Nou, ik zie het meer, een baggerschuit, meeuwen.’
‘Kleuren visserman. Beschrijf de kleuren.’
Hij wachtte gebiedend op antwoord, met zijn lange benen op tafel, schetsboek in de hand. Vanuit mijn verleden was een kleur een modeartikel. Het ene jaar wilden de mensen bruine schoenen en het jaar daarop juist zwarte.
‘Goed. Het meer is grijs. De boeien daar zijn rood en groen. Ze weerspiegelen een beetje in het water. Verder zijn de meeuwen natuurlijk wit en het schip is zwart.’
‘Wat voor zwart?’
‘Pikzwart.’
‘Hoe komt dat?’
‘Is gewoon zo’, zei ik ten einde raad.
‘Nee, visserman.’ Een vage glimlach om zijn lippen. ‘Dat komt door het licht. De zon is nog niet zo krachtig. Een zwart voorwerp absorbeert het licht totaal. Er zijn geen nuances. Het is zwarter dan zwart.’
Ik knikte en wilde naar binnen gaan.
‘Wacht even. Waar doet dat zwart op het water je aan denken?’
‘Aan een zandzuiger.’ Ik permitteerde me enige brutaliteit.
‘Nee. Het is de onberekenbaar om zich heen grijpende dood. Stel je het zand voor dat op de bodem van de geul ligt. Plotseling wordt het opgezogen door een kracht die sterker is dan wat het zand ooit heeft ervaren. Het stijgt op door een donkere tunnel en wordt op de dekschuit gespuugd. Daar droogt het op en valt het uit elkaar.’
Het schilderij dat hij maakte van dit tafereel is later naar Londen gegaan. Het doek bestaat maar uit twee kleuren, violet en koolzwart. Soms lijkt het alsof het violet opgezogen wordt in een zwart gat, maar kijk je op een ander moment dan zie je dat het zwart door het violet wordt uitgestoten. Het is een grillig schilderij met stukken onbeschilderd, ruw linnen. Hij noemde het ‘Requiem’.

Mijn hart gonst van dit soort herinneringen terwijl ik reis naar het huis waar ik met hem woonde. Het staat in Friesland op een rechthoekig stuk land dat in het zuidwesten grenst aan een langwerpig meer en aan de drie andere kanten wordt begrensd door kanalen. Tijdens het zomerseizoen is een veerpont de enige verbinding. Ik wandel over de smalle weg die uitkomt bij het veer. Maïsvelden benemen me het uitzicht. De warme, vochtige lucht trilt boven het asfalt.
Veertien jaar geleden liep ik hier ook. Toen was het voorjaar. Ik had bijna vijfenveertig jaar een schoenenzaak gehad waar langzaam maar zeker, in het begin bijna onmerkbaar, steeds minder klanten kwamen. Op aanraden van de winkeliersvereniging had ik fors geïnvesteerd om de winkel naar moderne maatstaven te verbouwen, maar toen de wanden wit waren en de stellingen van glas paste ik zelf niet meer in de zaak. Ik moest sluiten. Mijn broer, die tien jaar jonger is dan ik en een goedlopend café had in Amsterdam, stuurde me naar het Noorden. ‘Ga jij maar eens een tijdje in mijn caravan zitten’, zei hij.

Palingfuiken stonden haaks op de wal en zwarte, plastic vlaggetjes wapperden aan de verste staken. Wilde eenden zwommen langzaam voorbij. Iets verderop begon het water te rimpelen, maar hier aan de wal was het vlak. De wind blies door mijn schrale haren zonder de somberheid die me plaagde te kunnen verjagen.
‘Zeg visserman’, zei iemand achter me. Ik schrok op uit mijn gedachten en keek om. Er stond een jonge vent met een mager gezicht achter een korte, zwarte baard. Zijn krullende haren waren vochtig alsof hij net had gezwommen. Een met verf besmeurde stofjas slobberde om zijn magere gestalte. Daaronder droeg hij alleen een korte, afgeknipte spijkerbroek. Er lag een donkere schemer over zijn blote huid, als een vacht.
‘Wil het een beetje bijten?’ Zijn stem was zacht maar doordringend, als gefluister in de nacht. Onafgebroken keek hij me aan. Het was onmogelijk zijn blik te ontwijken.
Ik schudde mijn hoofd. ‘Nog niks.’
‘Hebt u nog iets anders te drinken?’ Hij wees op de thermoskan die naast de visdoos op de grond stond.
‘Alleen koffie.’
Hij lachte en kwam erbij zitten. ‘Ik heb liever een biertje.’
Het was stil. Ik had het ongemakkelijke gevoel dat ik iets moest zeggen, ook al was hij ongevraagd bij me gekomen. ‘Ik drink nooit alcohol’, zei ik dus maar.
‘Waarom niet?’
‘Ik geloof dat ik het niet lekker vind. Ik denk dat ik een matig mens ben.’
‘U ziet er zorgelijk uit’, zei hij. ‘U zou wel wat drank kunnen gebruiken.’
Ondanks mezelf vertelde ik hem kort in welke omstandigheden ik verkeerde. Hij keek me peinzend aan. Even later nam hij me in dienst, wuifde al mijn bedenkingen geamuseerd weg.
‘Jij bent precies wat ik nodig heb.’ Terstond tutoyeerde hij me. ‘Een matig mens.’
Ach, ik was gewend voor de mensen te knielen en aan hun nukken en grillen te voldoen. Ik had in mijn leven meer naar de grond dan naar de hemel gekeken. En Jacob van Woerden was een man om te dienen. Zijn gezag was vanzelfsprekend. Hij brandde als een verlaten vuur.

De pontbaas behandelt me volkomen neutraal. Ik ben zijn enige passagier. Het veer heeft maar enkele minuten nodig om naar de overkant van het kanaal te varen. Voorzichtig schuifel ik over de brede, geribbelde loopplank en dan betreed ik eindelijk het eiland weer. Zeven gelukkige jaren van mijn veel te lange leven heb ik hier gewoond. Ik zie de heesters schitteren in de laagstaande zon. De kastanje is flink gegroeid. Dat had ik niet verwacht. De boom heeft veel te lijden in dit vlakke, Friese land. De ringen in zijn stam zijn waarschijnlijk vlak naast elkaar getrokken. Het boogvormige hek in de natuurlijke muur van rododendrons is er nog. De tuin is een woestenij. Er groeit wilde maïs en zelfs riet, samen gaand in uitbundige tonen groen en geel. Kleine boompjes met jonge, bruine stammetjes staan in het hoog woekerende, grijs bloeiende gras. Het stenen tuinpad zit vol zwartgroen mos. De houten steiger hangt scheef en de vaalgrijze planken zien er glibberig uit.
De stenen van het huis zijn niet zo wit meer als vroeger. Het grote raam weerkaatst de ondergaande zon en lijkt het licht zelf uit te stralen. Een wolk trekt voor de zon. Het grote raam wordt plotseling zwart. Dan zie ik hem staan, op het terras, wijdbeens, borst vooruit, fles bier in de hand. Hij jaagt me geen angst aan. De doden staan dichter bij me dan de levenden. Ik ben zelfs blij hem te zien. Maar het zonlicht komt over het water aangesneld. De zonnestralen jagen de schaduw voor zich uit en vallen onbarmhartig over zijn schim heen.
Binnen ruikt het naar vocht en schimmel. De houten vloer van de gang buigt onder mijn langzame passen. Tot mijn verbazing staan mijn voeten er nog naar. Het atelier is onwaarschijnlijk leeg, hoewel ik me niet kan herinneren dat het leeg is gehaald toen ik het huis tot mijn verbazing bleek te hebben geërfd. Natuurlijk is de verfgeur allang weg. Ik ga naar de keuken, mijn oude domein. De kastjes en het aanrecht zijn er nog, maar het fornuis is verdwenen. Ik leg mijn zomerhoed op het zinken blad.

Vooral in het begin hadden we veel vrouwen over de vloer. Ze kwamen uit zichzelf en bleven nooit langer dan een paar dagen. Het waren meestal studentes of beginnende kunstenaressen die zich aanboden als model. Vrijgevochten types over het algemeen. Soms zat er iemand bij die er een hekel aan had zich in mijn keuken te wassen. Toch was er geen andere mogelijkheid. Hij peinsde er niet over mij weg te sturen. ‘Niet zo preuts’, zei hij dan met zijn zachte, sissende stem. ‘Dat is de visserman. Die kijkt niet eens.’ En hij had de grootste lol omdat hij wist dat ik inderdaad mijn best deed niet te kijken.

Het lijkt wel alsof de smalle, krakende trap steiler is geworden, maar dat ligt natuurlijk aan mijn stramme knieën. Ik bekijk mijn oude slaapkamer, maar kan me niet meer voorstellen dat ik in dit vertrek heb geleefd. Hierboven heeft het huis geen bezieling, nooit gehad ook. In het atelier moet ik zijn. Daar wil ik op de grond gaan zitten, tegenover het raam.

Het eerste jaar was het moeilijkste. Hij begon vaak aan hetzelfde schilderij dat hij nooit afmaakte. Hij zette het doek op in okeren tinten zonder er een andere kleur aan toe te voegen. Het was een schilderij van een vrouw. Hij schilderde haar met snelle streken, van het doek spattend. Ik vroeg hem wie ze was, maar hij antwoordde niet. Maanden later zag ik een foto van een vrouw met dezelfde bedwelmende trekken. Ze was gefotografeerd voor een roddelblad, dat een van zijn modellen in het huis had laten slingeren. ‘Vera van Woerden, de vrouw van de bekende schilder Jacob van Woerden’, was het fotobijschrift. Ik was er dus ten onrechte van overtuigd geraakt dat ze alleen in zijn verbeelding bestond. Toch durfde ik er uit mezelf niet op terug te komen. Want als hij aan zo’n portret was begonnen, dronk hij een paar dagen lang mateloos, liet mijn eten staan, schold op alle kankerkleuren die hij kon opnoemen en plofte na lange nachten steevast in het ochtendlicht op de oude bank onder het raam. Daarna besloot hij om een of andere reden dat het genoeg was geweest en zette hij het doek onafgemaakt in een hoek.
De kenners die zich na zijn dood over hem ontfermden, denken dat het studies zijn, studies voor een magnum opus dat hij nooit maakte. Er is zelfs iemand gepromoveerd op de serie okeren portretten van wat zijn muze is gaan heten. Maar ìk weet dat het geen studies waren. En ze was zijn muze evenmin.


We hadden een houten sloep die was uitgerust met een dieselmotor. Daarmee voer ik twee of drie keer per week naar het dorp aan het kanaal, zo afgelegen dat de bussen er omkeerden. Er waren wat toeristenwinkeltjes, een hotel en een klein agentschap waar ik zijn post ophaalde. In het tweede of derde jaar dat ik in het huis woonde, kwam de brief die alles veranderde. Kort nadat ik hem de witte envelop overhandigde, stuurde hij het meisje dat bij hem was weg. Hij sloot zich op in zijn atelier.
Die nacht was er geen spoor meer van zijn doordringende fluisterstem. Buiten smeet hij schreeuwend lege flessen kapot. Het gerinkel sneed door de warme nacht. Daarna leek het alsof hij zijn atelier vernielde. Ik was boven, hoorde alles en wilde steeds naar hem toe gaan, maar kon me niet verroeren.
Toen het eindelijk stil werd, riep hij me. In dit moment van grote nood had hij me nodig. God zij dank. Tussen de ravage van gebroken ezels en vernield linnen hing hij tegen de muur. Zijn mond was besmeurd, zijn bebloede handen hielden een verfrommelde en half verscheurde brief vast. De haren van zijn baard waren aan elkaar geklit.
‘Alles voor niets’, zei hij haast onverstaanbaar.
‘Koffie? Jacob, wil je koffie?’ Mijn stem trilde meer dan ik had verwacht. Ik sloeg mijn ogen neer. ‘Misschien iets te eten maken?’
Hij schudde zijn hoofd en zakte langs de muur naar beneden.
‘We moesten haar tekenen terwijl ze schrijlings op een bank zat, kin iets geheven, linkerarm gestrekt over de leuning, borsten ontbloot en een doek over haar dijen gedrapeerd.’
Hij keek in de verte alsof hij de scène weer voor zich zag en haar opnieuw tekende. ‘Haar huid was lichter dan licht, doorschijnend als spinrag. Haar ogen bijna zwart. De lijn van haar hals liep perfect uit in de aanzet van haar borsten. De slanke arm met de sierlijke hand. De roerloosheid in haar gestalte. De belofte van haar onzichtbare rug… Ik kon mijn arm niet bewegen, visserman. De docent waagde het haar af en toe aan te raken om haar houding te corrigeren. Ze negeerde hem daarbij volkomen. Luister je?’
Zijn ogen die in de verte staarden, keken me plotseling scherp aan.
‘Later heb ik haar zien lachen, zien slapen, vrijen. Ik volgde haar over straat als ze uit ging zonder dat ze het wist.’
Ik keek hem aan, hoefde niks te zeggen.
‘We trouwden. We woonden een half jaar in New York, geld als water. Overal waren we welkom. Ik was die jonge, Hollandse schilder met die prachtige vrouw. Iedereen wilde haar fotograferen, schilderen, beeldhouwen en filmen. Ze genoot. Ze kon er geen genoeg van krijgen.’
Hij zweeg. Maar ik kon wachten. Dat had ik wel geleerd in die winkel van me. Hij drukte zich op met twee handen, kwam overeind en ging met zijn rug naar me toe voor het grote raam staan, waar het ochtendlicht schemerde.
‘Ze kwam zwanger terug uit New York.’ Hij klonk bitter en trots tegelijk. ‘We waren in mijn nieuwe atelier, in Amsterdam, aan het Hortusplantsoen. Ze droeg een zomerjurkje, een dingetje aan flinterdunne bandjes. Ik keek naar haar buik, meende een zeer kleine welving te zien. Meteen wilde ik haar schilderen. Maar ze liep weg en zei dat we moesten afwachten wat voor kleur het had.’
Hij draaide zich om, keek me aan, bijna smekend. Abrupt liep hij naar de deur van het atelier, die hij opende en open liet staan terwijl hij naar buiten ging.
Na deze nacht maakte hij nooit meer zo'n schilderij van een okeren vrouw. Er kwamen nieuwe werken in felle kleuren, grote doeken vol abstracte en levende vormen. Vrouwen die zich meldden in het huis, werden weg gestuurd. In de vruchtbare jaren die nu aanbraken, kwamen museumdirecteuren en galeriehouders naar ons eiland om werk op te halen. Uitnodigingen voor openingen sloeg hij af. Interviews werden geweigerd. Hij ging alleen het huis uit om te varen met de motorsloep.

Als we gingen varen, vertrokken we bij zonsopgang. Hij droeg een tas met schetsblokken en aquarelleerspullen en ik mijn hengel en visdoos. Terwijl hij alles op zijn plaats legde in het scheepje, haalde ik de mand met thermoskannen, besmeerde boterhammen, hardgekookte eieren en blikjes tonijn. Daarna moest ik nog een keer lopen om het krat bier in te laden. Inmiddels zat hij al roerloos in de boeg, turend over het water.
Op ons stekje aan de rand van het meer sprongen nu en dan kleine visjes uit het water. Dan was de baars aan het jagen. Achter ons ruiste de rietkraag in plotselinge windvlagen. Verderop voeren zeilboten kris kras over het meer en hielden grote motorboten zich precies aan de vaargeul.
‘Visserman, heb je gezien’, vroeg hij eens, ‘hoe volmaakt de lucht spiegelt in het water?’
‘Ja’, zei ik eenvoudig.
‘Maar ook hoe kwetsbaar het spiegelbeeld is? En dat je nooit de twee dingen tegelijk kunt zien, zowel de spiegel als het spiegelbeeld, zowel het water als de lucht?’
Ik knikte, had het niet gezien, maar begreep wat hij bedoelde.
‘Welnu, dat ga ik schilderen. Maar nu eerst eten.’ Hij legde zijn schetsboek op de bank en leunde achterover.
Ik borg mijn hengel op, gaf hem een flesje uit het leefnet en haalde de mand tevoorschijn. Trots als een vader zag ik hem genieten.
‘Weet je wat de kunst is?’ sprak hij voldaan. ‘Twee keer precies hetzelfde schilderen, maar dan ook elk lijntje en vlekje exact hetzelfde, elke kleur gelijk gemengd en even dik of dun opgebracht. Het maakt niet uit of je figuratief of abstract werkt. Twee keer totaal hetzelfde. Dat is volmaakte beheersing. Picasso was er dichtbij. Ken je zijn schetsboeken, visserman? Daarin staan twee tekeningen van dezelfde persoon, achteraanzichten zijn het, van de grootste eenvoud. Alleen de contouren zijn aangegeven. Op de ene tekening leunt hij gracieus op zijn linkerbeen en heeft hij zijn armen in de zij. Op de andere tekening staat hij in exact dezelfde houding, maar draagt hij een vaalrood hemd. Picasso was er heel dichtbij, maar volgens mij heeft er een miniem verschil gezeten in de lijn van de rug en heeft hij hem daarom een hemd aangetrokken.’
Ontspannen lachte hij om zijn verhaal. Hij dronk zijn flesje leeg. Plotseling pakte hij zijn schetsboek weer op en nam hij een houtskoolkrijtje uit zijn tas.
‘Ik ga een portret van jou maken’, zei hij in ernst. ‘Blijf zo zitten. Niet bewegen.’
Het was een vreemde gewaarwording model te zijn. Zoveel aandacht was ik van hem niet gewend. Doorgaans was mijn aanwezigheid voor hem vanzelfsprekend. Daar hoefden geen woorden aan vuil worden gemaakt. Jammer genoeg was hij snel klaar. Met een nieuwsgierige blik in zijn ogen overhandigde hij mij het schetsblok. Ik durfde nauwelijks te kijken, maar toen ik het toch deed, geloofde ik mijn ogen niet. Hij had mij zijdelings getekend zoals ik de hele ochtend had zitten vissen en niet zoals ik model had gezeten. Een in zichzelf gekeerde, oude man met lijnen in zijn gezicht van het kijken naar de schittering van het water. Een slappe hoed op het hoofd, een slobberende kin. Het was geen portret om trots op te zijn als er niet dat ene detail was geweest. Hij had om mijn mond een glimlach getekend die ik van mezelf niet kende. Het was een glimlach van geluk en berusting. Toen wist ik dat ik van hem was gaan houden, dat ik hem lief had op dezelfde manier als waarop hij mij een glimlach had gegeven.

Het schilderij van de spiegel en het spiegelbeeld is een groot, abstract werk geworden waaraan hij een hele winter heeft gewerkt. Achter allerlei waterige kleuren, van karmozijn tot cyaan, schemert de blauwgrijze lucht die in steeds kleinere, steeds lichtere cirkels diepte geeft aan het schilderij. In mijn beleving drukt het precies de warmte en de stilte van die dagen op het water uit en ik weet zeker dat hij het voor mij heeft gemaakt. Maar wie zal me geloven? Ze hebben het gebruikt voor het affiche van de overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum, die kort geleden is geopend en waarvoor ik ben gevlucht. Omdat de affiches in de stad verschenen. Door het raam van mijn appartementje boven het café van mijn broer keek ik uit op een bushalte die was volgeplakt met afbeeldingen van het schilderij met het waterige karmozijn en cyaan, de luchtige cirkels die diepte suggereerden, het witte licht. Als ik mijn ogen sloot, zag ik het schilderij zoals hij het indertijd onthulde. Hij had het naar buiten gedragen en tegen de muur gezet. We stonden er samen naar te kijken, hij met een fles bier in zijn hand, ik enigszins ongemakkelijk omdat ik het moment vreesde waarop hij me zou vragen wat ik zag.

In het zevende jaar van mijn dienstbetrekking werd hij ziek. Het begon als een typische oudemannenkwaal. Hij kon zijn water niet goed meer kwijt. Bij een kerel van zijn leeftijd hoort het te klateren. Maar het stroomde als stront door een rietje, zoals hij zelf zei. In de nachten moest hij steeds vaker zijn bed uit, totdat hij nauwelijks nog naar bed ging. Zijn gelijkmatigheid verdween. De oude grimmigheid kwam terug en hij sloeg weer liederlijke taal uit als hij door de nachten dwaalde. Maar hij kon ook plotseling van de pijn in zijn bekken door de knieën zakken. Bier kon hij eigenlijk niet meer verdragen. Toch bleef hij drinken, met een soort koppige onverzettelijkheid. En ineens wilde hij weer een vrouw. Jaren had hij er nauwelijks naar getaald, had hij genoeg aan zijn kunst en aan mij, maar nu zocht hij zomaar een brief uit de steeds schralere stapel post die ik nog maar net had opgehaald en de eerste de beste envelop met foto was prijs.
‘Opbellen! Direkt.’
Dus ging ik naar het dorp en belde haar op. Eveline heette ze en ze had een heldere en tegelijk een tikkeltje hese stem. De volgende dag was ze er, bezorgd en zenuwachtig want ik had haar gewaarschuwd, maar ze wilde beslist komen. Toen we bij het huis aankwamen, wachtte hij haar in de tuin op. Hij had zijn bed niet gezien. Zijn gezicht stond strak van de pijn en de slaap. Zijn ogen waren nog dieper in hun kassen weggezonken.
Eveline had een volle, iets naar voren staande kaak en een prachtige, rood gestifte mond die in de hoeken spottend krulde en mij te machtig was, maar hem niet. Omdat het winter was en ze een dikke mantel droeg, kon ik geen indruk krijgen van haar figuur, maar ze had koele grijze ogen en daarmee ontnuchterde ze hem in het eerste moment.
Het ging een week goed. Hij gedroeg zich zelfs verliefd. Hij schilderde haar. Hij liet haar model staan. Ondanks haar koele voorkomen, was ze direct voor hem gevallen. Omdat ik zelf, zij het kortstondig, voor hem had geposeerd, kon ik me dat goed voorstellen.
Maar in één zo’n lange, winterse nacht hoorde ik hem ineens schreeuwen. Het was geen bronst. Het was geen woede. Het was geen dronkenschap. Deze schreeuw kende ik niet. Zonder te aarzelen, snelde ik de trap af, mijn toen al stroeve knieën vervloekend. In een halve looppas ging ik op de deur van het atelier af. Ik pakte de klink, opende de deur in één beweging en voor ik het wist, stond ik een paar stappen in het schemerige atelier, waar hier en daar een kaars brandde. Ik zag hem voor het raam staan, met een kromme rug en met zijn handen tussen zijn benen. Het drong schoksgewijs tot me door dat hij huilde, krampachtig met harde snikken. Eveline zat nog op het grote, tweepersoons matras en was net als hij geheel ontkleed. Ze keek in volstrekte verwarring naar haar rechterhand die zwart was van het bloed. De lakens waren nat. Ook bloed.

De volgende dag heb ik haar naar de bushalte in het dorp gebracht en hem naar het ziekenhuis. Hij werd direct opgenomen. De doktoren zeiden, alsof dat een geruststelling was, dat prostaatkanker op zijn leeftijd uiterst zeldzaam was. Ze hebben hem geopereerd door via zijn urinebuis de prostaat van binnenuit af te schrapen, zodat hij weer gewoon kon urineren. En ze stelden castratie voor, omdat het al in zijn botten zat, vooral in het bekken en in de wervelkolom. Castratie was de beste methode om zijn mannelijke hormonen te elimineren en dat was nodig omdat prostaatkanker zeer hormoongevoelig was. Maar hij vloekte ze stijf. Ik zat op de gang en hoorde hem tekeer gaan. Hij vertikte het eveneens om vrouwelijke hormonen te slikken als alternatief voor castratie.
‘Ik sterf liever als man dan dat ik leef als een wijf’, beet hij me toe, omdat ik hem nog één keer probeerde over te halen. Het was een week of twee later. In het dorp bleek dat het meer in die veertien dagen van onze afwezigheid was dicht gevroren. We konden onze boot niet gebruiken en moesten over het ijs naar ons eiland lopen, maar vertrouwd was dat nog niet, zodat we verplicht waren in het dorpshotel te wachten op meer vorst of op dooi.
De altijd in haar schort geklede vrouw van de waard bracht het bericht dat de schilder in het dorp logeerde, de wereld in. De gelagkamer liep vol als bij bruiloften en begrafenissen. De mannen staarden hem aan en hun vrouwen wisselden indrukken uit, net hard genoeg uitgesproken om ze te kunnen verstaan. ‘Hij is mager zeg.’ ‘Wat is-ie behaard.’ ‘Moet je zijn ogen zien.’ En elke dorpsbewoner met artistieke pretenties kwam zijn tekeningen, aquarellen of andere broddelwerkjes laten zien. Ik hield mijn hart vast. Elk moment kon hij exploderen, de zondagsschilders beledigen, de vrouwen beschimpen, de loslippige vrouw van de waard kruisigen. Maar dat gebeurde niet. Hij sprak correct met een ieder die het woord tot hem richtte. Hij werd zelfs nauwelijks dronken. Na twee dagen had het dorp het wel gezien. Alle verhalen uit de kranten waren sterk overdreven, wist men nu. Slechts de werkelijke bewonderaars bleven om ons heen hangen, net als de waardin, wellicht hopend op een glimp genialiteit of een fantastische roddel.
Deze bedachtzame houding was nieuw, maar zou hem niet meer verlaten. Ik begreep het niet. Als ik zijn talent had gehad, zou ik er alles aan hebben gedaan om te vechten tegen die cellen die voor zichzelf waren begonnen. Natuurlijk had ik mijn testikels weg laten halen. Maar hij keek uit naar de dood.
‘Ik wil bij mijn volle verstand sterven’, zei hij, zich koesterend in het voorjaarszonnetje, een paar maanden later. ‘Als ik dit jaar sterf, ben ik net zo oud geworden als Jezus en in de buurt van Mozart. Niet gek voor een gek. Kom visserman, niet zo treurig. Op jouw leeftijd moet je allang verzoend zijn met de dood.’
Ik hoopte op een wonder, een verkeerde diagnose of een spontaan herstel. Ik leefde in de onzinnige overtuiging dat de enorme levenslust van iemand als Van Woerden niet kon worden geblust.

Het is middernacht in het voormalige atelier. Maanlicht glanst op de oude, houten vloerplanken. Buiten schrikt een eend ergens van. Er staat geen wind. Niets wijst erop dat de zon voor mij weer op zal komen. Ik neem op de grond een liggende houding aan en zoek naar een glimp van de maan op mijn stramme lichaam.

Het was inmiddels bijna zomer en hij had zoveel pijn in zijn botten dat hij zich nauwelijks nog kon bewegen. Vrijwel de hele dag en nacht lag hij op het bed dat ik voor het grote raam had gezet. Ik keek waar hij keek, klaar om zijn wensen te vervullen. Zijn prachtige haren waren dof geworden en zijn huid was grauw.
‘Visserman?’
‘Ja?’
‘De tijd is ingedikt.’
Kort daarna had hij morfine nodig. Ik haalde het in tabletvorm bij de apotheekhoudende huisarts in het dorp die van alles op de hoogte was. ‘Teveel in één keer is dodelijk’, zei hij erbij.
Zelden was ik me zo bewust van het leven als toen ik met de morfinepillen op zak tussen de vakantievierende plezierjachten manoeuvreerde. Bruisend sloeg het water tegen de boeg en overal waren vriendelijk groetende watersporters, zonnende meisjes op warme plechten en strakwitte zeilen.
In het atelier hing een zurige lucht. Ik gaf de schilder twee tabletten en zette alle ramen en deuren open. Uit een halfvergeten voorraad zocht ik enkele wierookstaafjes die ik met lucifers aanstak en in de keuken kookte ik muntbladeren.
‘Visserman’. Hij stond in de gang, wankelend en broodmager. ‘Ik wil naar buiten.’
Voor het eerst in maanden voelde hij geen pijn meer. De opluchting straalde van zijn gezicht. Ik begon met stoelen te slepen, maar daar was geen sprake van. Hij wilde languit in het gras. Een zonnebril weigerde hij. ‘Ik heb nog nooit een zonnebril gedragen. Het licht is er niet voor niets.’ Zijn vingers tastten door het lage, versgroene gras naar de donkere aarde. Naast zijn hoofd bloeide een vale klaproos en bij zijn heupen lag hij in de spikkelende klaver.
‘Wat zeg je visserman?’
Ik had onwillekeurig iets gefluisterd, maar wilde het niet herhalen. Zijn ongebroken ogen dwongen me.
‘Kon ik dit maar schilderen.’
‘Ik heb een schilder van je gemaakt!’ Opgetogen keek hij me aan. Hij stond erop dat ik een schetsblok ging halen om het te proberen. Hij zou me lesgeven. Maar voor de eerste en enige maal weigerde ik zijn wens te vervullen.

Maart 2018
© Jan Kloeze