Het boek Job

Met Het boek Job heb ik een poging gedaan het boek van de toekomst te schrijven. De roman is interactief opgezet en kan online in willekeurige volgorde worden gelezen. Het boek Job is een coming-of-age-verhaal in 22 fragmenten, sommige lang en andere kort. Elk fragment is een potentieel begin. Elke keuze voor een volgend hoofdstuk beïnvloedt het beeld dat de lezer zich uiteindelijk van Job vormt. Zo krijgt iedere verhaalversie zijn eigen dynamiek. Er zijn in theorie erg veel versies mogelijk. Ik heb niettemin door het gebruik van verbonden thema's en motieven voor samenhang gezorgd. Lezers die hun ervaringen delen zullen hun interpretatie herkennen zoals bomen op elkaar lijken zonder elkaars spiegelbeeld te zijn.

Angst

Job hanteert nu het zwaard, de toorts en de zweep. Tegelijk. Niet om de vader te doden. Want hij is al dood en als hij dat niet was, ging dat vanzelf komen. Maar om de angst om zeep te helpen, de angst die hij in hem heeft geplant met zijn spermatozoïde in de baarmoeder van zijn moeder. De angst om af te wijken. De angst voor afkeuring. De angst voor vrouwen, voor de verslindende energie van vrouwen. De angst voor het niet nakomen van een afspraak. De angst voor hem. Die vooral ook. De angst voor het onvoorspelbare ongeluk. De angst voor de onoplosbare puzzel van geldgebrek. De angst voor rommel, chaos, rotzooi. De angst voor onrechtvaardigheid. De angst voor machteloosheid.

Een vat vol angsten die het daglicht niet kunnen verdragen. Het vat staat in een kring van vuur. Job blaast het vuur uit en doet een raam open, een luik, een sponning. Als hij het vat in kijkt is het zwart, als een zwart gat met randstraling. De straling is gif. Het gif van het duister. De straling die kanker veroorzaakt. De straling die tot stilstand leidt. De straling zuigt in plaats van blaast. Meer sponningen moeten wijken, anders is het zwart te sterk.

Job ziet een jongetje, een boos jongetje dat zijn hond ophangt aan een steenlift op de bouwplaats achter het huis. Hij ziet een knul met een snorretje, een radeloze jongen die liegt over seks met Grace, de mooie Grace, de levenslustige Grace die haar borsten trots draagt en met zijn beste vriend heeft gevreeën. Hij ziet een vent, een stomdronken jongen die zich uitkleedt op de kade van een kanaal in de stad, vlakbij de gevangenis, en denkt dat hij in bed gaat liggen. Hij ziet een man, een adolescent die ten einde raad is en zich met huid en haar gaat uitleveren aan de burgerij omdat hij stuurloos is, omdat hij zinkend is, omdat hij op zijn laatste benen loopt. Ze zitten allemaal in dat vat en ze zijn allemaal kinderen van zijn vader. Nu lossen ze op omdat het licht op hen schijnt. Ze hebben geen substantie meer. Ze bestaan alleen in het duister, waar ze worden gevuld met stinkende angst en bewegen als papieren mannetjes boven een luchtkanon.

Lees ook Vliegangst of Hij was het niet zelf.

©Jan Kloeze

April 2016