Het boek Job

Met Het boek Job heb ik een poging gedaan het boek van de toekomst te schrijven. De roman is interactief opgezet en kan online in willekeurige volgorde worden gelezen. Het boek Job is een coming-of-age-verhaal in 22 fragmenten, sommige lang en andere kort. Elk fragment is een potentieel begin. Elke keuze voor een volgend hoofdstuk beïnvloedt het beeld dat de lezer zich uiteindelijk van Job vormt. Zo krijgt iedere verhaalversie zijn eigen dynamiek. Er zijn in theorie erg veel versies mogelijk. Ik heb niettemin door het gebruik van verbonden thema's en motieven voor samenhang gezorgd. Lezers die hun ervaringen delen zullen hun interpretatie herkennen zoals bomen op elkaar lijken zonder elkaars spiegelbeeld te zijn.

Job danste. Op een grasveldje, bij een muziektent. Overdag. In het voorjaar. Jas aan, maar niet dicht geknoopt. Lange, suède jas met kraag. Een beetje zwieren met de panden van de jas. Af en toe wat wiegen in de heupen, ritmisch bewegen met hoofd en schouders.

Reggae. Het meest natuurlijke ritme ter wereld. Minder geschikt voor de vrouw. De vrouw maakt er teveel werk van, van reggae. Alsof het een soort disco is. Maar disco heeft een andere vibe. Disco is een beat op de drum. Reggae niet, reggae houdt van de bas. Reggae doe je solo. Geen gelik. Niet om elkaar heen draaien.

De zanger droeg een hoedje op een kale knar. Zijn tanden glinsterden in een zwarte baard. Hij vrat de microfoon bijna op. Drie meisjes in groene rokjes en gele bloesjes stonden naast elkaar op een verhoging achteraan en zongen mee zonder het publiek aan te kijken. Job hoefde alleen maar in de groove te vallen. Als er iets aan hem bewoog ging alles bewegen.

De muziektent stond in De Tuin der Kunsten, weerspiegeld in de grillige vijver met de grasvelden erom heen, midden in de tuin, daar waar alle paden naar toe leidden, vanuit elke ingang in de stad. Een magische plek, niet ver van de oude gevangenis, met dunne lucht en ijle stemmen, omringd door stadswallen en grachten, slechts bereikbaar over bruggen of per schip. De grasvelden waren meestal druk bezet, ook als er niemand optrad, maar de banken langs de paden waren geregeld vrij.

Job had ooit een man met een snorkel gezien in dat park. Nou ja, het was eigenlijk geen snorkel, al wisten de meeste mensen dat niet. Het was een slurf, een zuurstofslurf die straaljagerpiloten vastmaakten aan een nippel in de cockpit en aan hun helm natuurlijk. De man met die slurf liep over het aangestapte mergelpad, passeerde de bank van Job en was op weg naar een rommelmarkt of hij kwam er net vandaan. Het moest een verzamelaar zijn geweest. Iemand die zijn huis vol had staan met groene radio’s, bruine ransels en zware koppelriemen.

Sommige meisjes in de Tuin waren jong en toch al moeder. Een vader was in geen velden of wegen te bekennen. Ze waren in de weer met spenen, flesjes, luiers en knuffels terwijl ze ook met vriendinnen leuterden en sigaretten rookten. Alsof ze hier woonden hadden ze een vouwhekje mee genomen die ze om hun waggelende spruit zetten, om hem in te sluiten, om hem achter tralies te houden zodat hij niet de vijver in kon kruipen.

Het liefst zou Job alleen maar blijven kijken naar alle dingen die zich op deze plek tegelijk leken af te spelen. De muziek, de dans, de spiegelende vijver, de geur van gras en water, de diep wortelende bomen, de vrouwen en de kinderen langs de waterkant op het grasveld, de slenterende paartjes, de honden, niet te vergeten de overal en altijd rondlopende honden die bij niemand leken te horen en makkelijk vriendschap sloten, de beelden van mensen achter het glas in de muren van het kleine museum, het geroezemoes, het geklater van stemmen, het gejank, het stiekeme gedoe van de zwervers die hier niet welkom waren, althans niet overdag, het gebeier van het carillon bovenop het museumpje dat in een eindeloze cadans steeds dezelfde kwikzilveren tonen liet horen, van een kinderliedje, slaap kindje slaap, slaap kindje slaap.

Alle wegen leidden naar dit parkje en er ook weer uit. Hier gebeurde alles in een schijnbaar afwezige tijdigheid. Alleen hier kon het gebeuren dat er plotseling iemand naast Job op het bankje zat. Een schilder, een halfnaakt fotomodel genaamd Barbara, de politie, een gemeente-ambtenaar, een hologige cipier, een meisje in een vrouwenlichaam, een verdwaalde nachtvlinder. Hij werd steeds opnieuw naar deze plek geroepen. Door donkere nachten zou hij sluipen en hij zou klimmen, zich laten vallen, huilen en gillen als dat nodig was om hier te kunnen komen, hier waar hij kon dromen van kraaien en duiven, van voedsel uit de lucht, van spreken met de dieren, van vluchten als verstekeling, van stomende mestvaalten en van genietend wegkruipen in de grond, van koude ledikanten en warme baden, van valse voorwendselen en van plotselinge ontsnappingen.

©Jan Kloeze, februari 2018

Lees ook Vliegangst of Opel Kadett.