Het boek Job

Met Het boek Job heb ik een poging gedaan het boek van de toekomst te schrijven. De roman is interactief opgezet en kan online in willekeurige volgorde worden gelezen. Het boek Job is een coming-of-age-verhaal in 22 fragmenten, sommige lang en andere kort. Elk fragment is een potentieel begin. Elke keuze voor een volgend hoofdstuk beïnvloedt het beeld dat de lezer zich uiteindelijk van Job vormt. Zo krijgt iedere verhaalversie zijn eigen dynamiek. Er zijn in theorie erg veel versies mogelijk. Ik heb niettemin door het gebruik van verbonden thema's en motieven voor samenhang gezorgd. Lezers die hun ervaringen delen zullen hun interpretatie herkennen zoals bomen op elkaar lijken zonder elkaars spiegelbeeld te zijn.

Tralies

‘Als hij ooit naar zee gaat, breek ik zijn beide benen’, zo sprak zijn vader, die zelf gevaren had, kort na de geboorte. Het dreigement werd uitgesproken boven de wieg die de rustplaats van het kind moest zijn, maar waar hij voortdurend probeerde uit te klimmen.

Tot wanhoop van zijn moeder, die Job dan maar aan de borst hield of op haar heup. Plaatsen waar kortstondig genot de jongen tot rust maande, maar waar niet lang na elke bevrediging opnieuw het vuur oplaaide dat hem om zich heen deed maaien met zijn armen, dat hem met zijn benen deed trappelen en dat hem deed draaien in zijn bedje totdat hij verstrikt was in de dekens en ademhalen steeds moeilijker werd.

Kort na het wiegje kreeg hij een bed met tralies, net te dicht bij elkaar geplaatst om zich er door heen te kunnen wurmen. En net te hoog om er een beentje overheen te kunnen werpen. Wel kon hij zich er aan vasthouden, altijd met zijn vuistjes gebald om de spijlen, met links loslatend om de volgende te kunnen pakken, waarna rechts volgde tot hij de hele gevangenis had verkend. Struikelend over opgestroopt beddengoed struinde hij door zijn leefgebied met opeengeklemde kaken. Spreken deed hij niet. Huilen al helemaal niet. Kijken, dat wel. Kijken om niet te zeggen staren.

De vader die hem verboden had naar zee te gaan, droeg in het huis waar de gevangenis van Job stond, meestal een uniform en een grote pet. Aan de kapstok, vanuit het getraliede bedje te zien als de deur naar de gang open stond, hing de monstervermomming die zijn vader vaak mee nam als hij de deur uit ging. Een witte schedelachtige helm met een geribbelde olifantenslurf bungelend aan een mondstuk, gemonteerd onder een hardplastikken scherm dat omhoog en omlaag geschoven kon worden.

De moeder die het opgegeven had hem rond te zeulen, vermeed de blik van de vader, vermeed de vader niet alleen optisch maar ook fysiek. Ze gleed weg bij de handen die haar probeerden vast te grijpen, handig alsof het per ongeluk ging. Maar het lukte niet altijd en dan ontstond een verveeld en licht geïrriteerd trekje om haar mond, terwijl ze toestand dat hij haar bij borst en heup betastte. Onderwijl smakkende geluiden makend.

Op zekere dag knipoogde ze naar het kind achter zijn tralies terwijl de man die zijn vader was zich verlustigde aan haar weelderige vormen. Het was geen olijke knipoog, bedoeld om een glimlach op te wekken. Nee, het was een samenzweerderig dichtknijpen van het rechteroog terwijl de linker open bleef en mistig werd van een opkomende traan. De starende blik van Job die het schouwspel schijnbaar onaangedaan onderging, veranderde zijns ondanks in vuur. Nog net op tijd slaagde de gevangene erin zijn oogleden te sluiten, vlak voordat de vader de intensiteit van het moment opving en zijn blik verontrust en gealarmeerd naar het getraliede bed richtte.

Geduld en voldoende eten zouden hem vanzelf genoeg laten groeien om op enig moment over de tralies en uit het bed te kunnen klimmen. Daartoe diende slechts het moment van zijn leven langzaam uitgerekt te worden. Uiteraard zonder dat vader of moeder op het idee zouden komen de spijlen te verhogen in overeenstemming met zijn toenemende lengte. Job besloot niet langer te gaan staan in zijn bed en als het toch moest, bijvoorbeeld als zijn moeder hem wilde optillen om hem te wassen of te voeden, dan hield hij zijn mollige benen gebogen.

xxx

Nog voordat hij zich realiseerde dat zijn moment was gekomen, werd Job op een Bijbelse manier geroepen. Dat gebeurde in de nacht waarop zijn vader voor het eerst de witte schedel met de olifantenslurf onder zijn arm had genomen om ermee naar Job te lopen. ‘Als ik terugkom, …’ De rest van de door de vader gesproken woorden gingen verloren, want de jongen kon slechts naar de voor zijn ogen bungelende slurf kijken die nu hij zo dichtbij was niet alleen geribbeld bleek maar ook min of meer opgevouwen als een opgestroopte mouw.  Achteloos stopte de vader, terwijl hij de kamer verliet, het lubberende geval in de helmschedel, deze als een schelp dragend.

Die nacht galmde de naam van de peuter door de kamer waar zijn gevangenis stond, een naam die onheil voorspelde maar ook door onkreukbaarheid werd omspoeld. De klank leek van alle kanten te komen. Het kind reageerde onmiddellijk en wierp zich omhoog tegen de tralies van zijn bed. Jòòòòòòb. Een zware, niet te lokaliseren stem. 

Job hing in het pikkedonker half op de getraliede verschansing die zijn bed omheinde. Het zich voortdurend voortbewegen op zijn knieën was een vruchtbare strategie gebleken. Nu was hij langer dan zijn bewakers hadden verwacht. Het was slechts een kwestie van zich laten vallen. Maar de ruimte naast zijn gevangenis was onpeilbaar. Loslaten betekende onherroepelijk vallen.

Toch werd hij nog steeds geroepen. De stem galmde met tussenpozen in de ruimte. Dreigend en tegelijk verleidelijk.

Met een doodsklap kwam de ontsnapte op zijn knieën terecht, zo hard dat zijn hoofd tegen zijn borstkas knikte waarbij zijn voorhoofd hard tegen twee tralies uit de omheining van zijn bed kwakte. Het deerde hem niet want hij realiseerde zich dat hij voor het eerst de hindernis vanaf de andere kant, vanaf de kant van de vrijheid beroerde. Voorzichtig trok hij zich op, geen kik gevend. De stem klonk nu duidelijk dichterbij en leek recht achter hem te ontspringen aan een onzichtbare bron. Het was nog altijd aardedonker in de ruimte.

Job draaide zich naar het geluid en deed twee wankele stappen. Zijn linkerscheenbeen schampte iets hards en toen hij zijn armen voor zich uitstak, voelde hij onmiskenbaar nieuwe tralies. Er stond een hek om zijn gevangenis, zo leek het wel. Zacht trok hij eraan, maar er zat geen beweging in. Ook de hoogte ervan kon hij niet vaststellen. Toen besloot hij verbeten naar links te schuiven, zich verplaatsend van stijl tot stijl langs een onzichtbare maar onmiskenbare barrière. Er leek geen einde aan te komen. Toen hij nog eens probeerde hoe hoog de omheining reikte, voelde hij dat een lange lat de boel aan de bovenkant bij elkaar hield. Was hij gegroeid? Of liep de hindernis schuin af? Het deed er niet toe. Zijn been slingerde zich er al overheen, precies zoals hij uit zijn bed was geklauterd. En zijn lichaam kwam er achteraan. Net toen hij zijn hoofd optilde om het zwaartepunt van zijn bestaan over het dode punt te tillen, waarna hij onherroepelijk opnieuw zou zijn gevallen, ging het licht aan. Onder het naakte licht bleek dat hij bezig was op zijn eigen bed te klimmen. De stem zweeg nu in alle talen. Zijn moeder liet zich daarentegen niet onbetuigd in haar commentaar. Zonder aarzelen tilde ze hem op en zette ze hem terug achter tralies. Haar vormen stulpten zich om hem heen, terwijl ze hem verplaatste.

Lees ook Iemand die van zee komt of Kakofonie.

©Jan Kloeze, februari 2018