Het boek Job

Met Het boek Job heb ik een poging gedaan het boek van de toekomst te schrijven. De roman is interactief opgezet en kan online in willekeurige volgorde worden gelezen. Het boek Job is een coming-of-age-verhaal in 22 fragmenten, sommige lang en andere kort. Elk fragment is een potentieel begin. Elke keuze voor een volgend hoofdstuk beïnvloedt het beeld dat de lezer zich uiteindelijk van Job vormt. Zo krijgt iedere verhaalversie zijn eigen dynamiek. Er zijn in theorie erg veel versies mogelijk. Ik heb niettemin door het gebruik van verbonden thema's en motieven voor samenhang gezorgd. Lezers die hun ervaringen delen zullen hun interpretatie herkennen zoals bomen op elkaar lijken zonder elkaars spiegelbeeld te zijn.

Massage en Monopoly

Niemand kon zo goed naar Job luisteren als Ger. Waar het verhaal ook heen ging, hoe absurd de associaties en verwikkelingen soms ook waren, Ger volgde op de voet. Tegen Ger aan lullen, was een warm bad. Zijn gelaat drukte elke emotie moeiteloos uit. Verbazing. Verwondering. Verkneukeling. De wenkbrauwen van Ger bewogen onnavolgbaar. Zijn ogen knepen zich heerlijk samen. Vooral zijn glimlach was onovertroffen. Een gebit van brokkelige melktandjes had hem een leven lang geleerd hoe te lachen met gesloten mond, hoe net zo uitbundig te lachen als een dikbuikige dijenkletser maar zonder zijn lippen van elkaar te halen. Ger leek dan te ontploffen van plezier. Soms openden zijn ogen zich tijdens zo’n binnensmonds lachsalvo smekend, alsof hij Job toestemming vroeg zijn mond eindelijk eens voluit open te mogen gooien in een bulderende lach. Maar nooit ging hij die grens over. Welke zinswendingen Job ook verzon. Ger bleef een binnenvetter uit Groningen, verdwaald in de provinciestad om daar net als Job te studeren.

Zo waren ze elkaar tegen gekomen. Allebei buitenbeentjes in een academie van hardbody’s, waar mooie lijven elkaar onderzochten, masseerden en behandelden. Sportieve lieden, sommigen zelfs op nationaal niveau in volleybal of tennis, die samen oefenden in de avonduren als het oude schoolgebouw open was en achter ramen gele lichten schenen. Voor naaktheid leek niemand zich te schamen. Onder strak gespannen huiden tekende het spierstelsel zich netjes af. Botten staken uit waar ze hoorden te zitten.

Hoe anders was dat bij Job. Zijn oefenpartners moesten zoeken, peuren naar wat weerstand onder de huid, te determineren als de musculus vertebralis of de costae fluctuantis. Oefenen was aan Job niet besteed. Hij vermeed het zo veel mogelijk en werd nooit ’s avonds in de academiegebouwen gesignaleerd.

Dat gold ook voor Ger, hoewel hij wèl sportief was en nog altijd elk weekend naar huis ging om te voetballen in het eerste elftal van een of ander Noord-Gronings gehucht, ver voorbij de gasvelden. Toch voelde ook Ger zich ongemakkelijk bij het vrijelijk betasten van elkaars lichamen, bij ongegeneerde lijfelijkheid. Hij rookte niet, dronk matig, spaarde makkelijk en hield zich eigenlijk altijd op de vlakte. Als er in gezelschap een gesprek plaatsvond kon Ger de indruk wekken honderduit mee te praten zonder een woord te zeggen.

Uitsluitend in de beslotenheid van zijn eigen studentenkamer en in het vertrouwde gezelschap van Job durfde hij zich te laten horen en bleek hij soms scherpzinnige dingen te zeggen. Woorden die Job weer aanzetten tot een volgende geïnspireerde boutade, een wijdlopige observatie bijvoorbeeld over zijn bezoek aan de Sociale Dienst van de provinciestad om te informeren naar de mogelijkheid van een schoolverlatersuitkering mocht hij de academie de rug toe willen keren. Even zo goed kon Job van leer trekken over de absurditeit van een opleiding die zich aanmatigde onmisbaar te zijn in de gezondheidsrituelen van dit land. Job noemde de academie dan een reservaat voor gemankeerde topsporters die zich om lieten bouwen tot zorgkonijnen. Ger vond het allemaal prachtig.

Totdat hij het monopolybord tevoorschijn haalde. Dan stopte Job met oreren, met oeverloos ouwehoeren en gingen ze spelen. Ieder met twee identiteiten. Vier poppetjes op het bord. En echt volgens de spelregels. Geen gesjoemel. Natuurlijk ontspon zich niettemin een strategie die voor buitenstaanders onnavolgbaar was. Twee zakenpartners tegen twee vastgoedmagnaten. Gehinderd door de dobbelstenen natuurlijk. De dobbelstenen hielden het spel licht. Zij etaleerden genadeloos de statistische wetten van de kansberekening. Als er maar genoeg gespeeld werd. Hoe meer metingen, hoe betrouwbaarder de gemiddelden. Zelfs een dergelijke kansberekening behoorde nauwelijks tot de wetenschappelijke bagage van de hardbody’s. Maar deze gedachte werkte Job niet uit in een eloquente rede als hij aan het monopolyen was. Met gemak meerdere dagen per week. Van een uur of drie in de middag tot middernacht. Bier erbij. Worst. Soms even koken, een prutje van gehakt, wat groenterommel en macaroni. Vaak ook een kant en klare maaltijd bij de SRV-man die rond etenstijd beneden in de straat stond.

Ger had er geen moeite mee dat ze beurtelings de bank waren. Maar aan een ding viel niet te tornen. Hij hield de score bij. Job; rood - groen. Ger; geel - blauw. Met streepjes eronder voor elke gewonnen partij. Per dag geboekstaafd als in de geëncrypteerde boekhouding van de maffia. Na honderden spelletjes bleek dat rood en geel vrijwel gelijk stonden. En groen en blauw ook, maar met veel minder gewonnen keren. Groen en blauw waren de losers, maar gelijkwaardige losers. Net zoals rood en geel aan elkaar gewaagde winnaars waren.

Als Ger in de weekenden naar huis was, tijdens het voetbalseizoen, verloor Job zich in goedkope zuippartijen op de soos tussen zijn medestudenten, waar Job zich met zijn postuur, haardracht en kleding volledig onderscheidde van de zichzelf bevlekkende gemeente van harde lijven, die over een biertje moeiteloos een half uur deden en daarna een colaatje namen of een spaatje. Bij gebrek aan een toehoorder spookte het onophoudelijk in het hoofd van Job, waar de verhalen zich opstroopten.

Wat miste hij zwijgzame Ger. Wat was Job blij als zijn trouwe eenmanspubliek terug was uit de incestueuze woestenij van het platte land in het Noorden.

Lees ook: Angst of In bad.

 

©Jan Kloeze, april 2016