Het boek Job

Met Het boek Job heb ik een poging gedaan het boek van de toekomst te schrijven. De roman is interactief opgezet en kan online in willekeurige volgorde worden gelezen. Het boek Job is een coming-of-age-verhaal in 22 fragmenten, sommige lang en andere kort. Elk fragment is een potentieel begin. Elke keuze voor een volgend hoofdstuk beïnvloedt het beeld dat de lezer zich uiteindelijk van Job vormt. Zo krijgt iedere verhaalversie zijn eigen dynamiek. Er zijn in theorie erg veel versies mogelijk. Ik heb niettemin door het gebruik van verbonden thema's en motieven voor samenhang gezorgd. Lezers die hun ervaringen delen zullen hun interpretatie herkennen zoals bomen op elkaar lijken zonder elkaars spiegelbeeld te zijn.

Hij was het niet zelf

Hij was het niet zelf, die jongen daar, de jongen die van de kade zijn bed maakte. Nee, Job stond op de brug toe te kijken hoe de ander zich langzaam en moeizaam uitkleedde tot op zijn onderbroek. En pogingen deed om te gaan liggen.

Hoewel slechts enkele centimeters verwijderd van een vrijwel zekere val in het koude water van de gracht, gedroeg de jongen zich alsof hij een handdoek neerlegde midden op een eindeloze strandvlakte. Hij was zich onbewust van het gevaar zoals iemand onder een balkon door kan lopen voordat hij een bloempot of een varken op zijn kop krijgt, zoals iemand de straat op stapt voordat hij wordt geschept door een passerende auto, zoals een president naar het volk zwaait voordat de hinderlaagkogel hem treft.

Het water van de gracht spiegelde zacht in het gele lantaarnlicht. Op dit hondenuur van de nacht was er geen verkeer in de provinciestad. Dichtbij stond de oude gevangenis met blinde muren en getraliede ramen, hier en daar een spotlicht en veel prikkeldraad. Het gebouw stond al jaren op de nominatie gesloten te worden, maar nog altijd bivakkeerden uitgeteerde cipiers op holle gangen, nog altijd zaten er sluimerende mannen in hun donkere cellen. De grachten vormden hier een natuurlijke barrière voor dromers die van ontsnapping spraken in eindeloze interne monologen.

De jongen had van dit alles geen weet. Hij deed nog het meest denken aan een slaapwandelaar, die volkomen op zijn gemak balanceerde op de dakgoot van een wolkenkrabber. Zijn kleren legde hij netjes op een stapeltje. Zijn jas werd neergevlijd als een laken, als een fakirmatras. Bijna bloot was de jongen onwerkelijk bleek.

‘Ik ken jou wel, gek!’

Naast Job, op de brug, was een andere nachtvlinder opgedoken. Een oudere man met warrig, lang grijs haar dat om een scherp gesneden gezicht hing. In deze lauwe nacht droeg de man toch een wijd vallende jas, van ribfluweel, lichtbruin. En hij had laarzen aan.

‘Je moet hem met rust laten,’ zei Job met een snelle blik opzij naar de man, die zijn ogen onafgebroken op de jongen aan de kade gericht hield. ‘Je bent gewoon dronken. Stomdronken’, blèrde de oude in de richting van de straat.

Job kwam snel van de brug af. Hij nam de stenen trap naar de kade en ging direct naar de jongen, de jongen die nog altijd wat draalde bij de op de grond gevlijde jas en onwillekeurig de rand van zijn vaalwitte boxer strak trok. Job greep zijn hand, trok hem weg bij het water en nam de kleren mee die er nog lagen. Zonder iets te zeggen liepen ze samen weg.

Lees ook Tralies of In bad.

©Jan Kloeze, februari 2018