Het boek Job

Met Het boek Job heb ik een poging gedaan het boek van de toekomst te schrijven. De roman is interactief opgezet en kan online in willekeurige volgorde worden gelezen. Het boek Job is een coming-of-age-verhaal in 22 fragmenten, sommige lang en andere kort. Elk fragment is een potentieel begin. Elke keuze voor een volgend hoofdstuk beïnvloedt het beeld dat de lezer zich uiteindelijk van Job vormt. Zo krijgt iedere verhaalversie zijn eigen dynamiek. Er zijn in theorie erg veel versies mogelijk. Ik heb niettemin door het gebruik van verbonden thema's en motieven voor samenhang gezorgd. Lezers die hun ervaringen delen zullen hun interpretatie herkennen zoals bomen op elkaar lijken zonder elkaars spiegelbeeld te zijn.

De Kindertekening

Het was warm en stoffig toen Job in Praag het Joods kerkhof betrad. Hij stond onder een uitbottende, jonge eik in de zon en staarde naar de chaos.

Ergens had hij gelezen dat iemand het kerkhof vergeleek met de gotische nachtmerrie van een reus. Maar elke beschrijving was te veel eer voor deze stortplaats van onteerde grafzerken met een hek er omheen.
In de spelonken onder het kerkhof bezocht hij het toilet. Iemand probeerde Oostblokgeld te wisselen. Terug in het licht stak hij de straat over, op weg naar het museum, waar de rest van zes Atheneum op hem wachtte. Hij kreeg een kaartje, passeerde de controle en stond in het voorportaal van de feitelijke expositieruimte. Het lokaaltje was veel te klein voor de vele bezoekers. Een boogvormig raam stond open en liet straatgeluiden door. Aan de muren hingen alvast enkele kindertekeningen, als opwarmertjes.
Het ontging Job totaal dat hij andere mensen hinderde. Hij keek strak naar de tekening die naast de eerste toegangsdeur aan de muur hing. Een schuur met een glazen dak werd verlicht door een gele zon in de linkerbovenhoek. Op de grond zat iemand die in harde potloodkrassen was getekend. Te groot in verhouding tot de zon, omdat de jonge tekenaar het perspectief niet helemaal beheerste. De gestalte leunde tegen een vaalgroen schot, naast hem stond een lange voederbak, een soort varkenstrog. Op het plastic, ingelijste kaartje was de naam van de tekenaar getypt: Jacob, 1933 – 1944, Theresienstadt.
Terwijl Job daar in de weg stond, als een verstrooide grafzerk, viel alles op zijn plaats. Het feit dat hij als niet-Joods kind toch besneden was toen hij een jaar of twee was. De stem in het donker. Tralies. Zijn liefde voor honden die omsloeg in een onbegrijpelijke angst toen hij elf jaar oud was.
Er was een catalogus: ‘Kinderzeignungen aus dem Konzentrationslager Theresienstadt’. Job kocht het boekje met reproducties van zijn zakgeld. De tekening van Jacob bleek er niet in te staan.

In Terezin parkeerde de chauffeur tussen andere toeristenbussen op een uitgestrekt, stoffig en slecht onderhouden terrein. Het voormalige concentratiekamp bevond zich op ongeveer een kilometer afstand. Er was een lange weg aangelegd, die geflankeerd werd door kaarsrechte rijen eiken en eindigde bij de ingang, bij de poort. Op deze weg mocht slechts gelopen worden, alsof de autoriteiten de mensen de kans wilden geven langzaam te wennen aan het idee dat die fraai begroeide, in vriendelijke lentekleuren gedrenkte vesting in de verte werkelijk een beulskamp was geweest. Rechts van de weg was een gigantisch kerkhof aangelegd. In plaats van schitterend witte kruisen bestonden de gedenktekens uit kleine, grijze betondozen. Ze stonden in het gras als lange rijen te diep in de grond geramde heipalen.
De klas was samen met andere toeristen in twee groepen gesplitst en wachtte op de gidsen. Ze stonden op de binnenplaats waar vroeger de aangekomen Joodse gezinnen van elkaar werden gescheiden.
Job koos de Duitstalige gids, een vrouw van een jaar of vijftig met een grote mond en strakke lippen. Ze droeg een bril met een bruin montuur en getinte glazen, waarachter haar ogen wazig waren. Haar witte jas had een donkere bontkraag.
Hij sjokte achteraan, want hij hoefde het commentaar van de vrouw niet te horen. Ze voerde haar groepje langs het zwembad voor de officieren dat door de Joden met hun blote handen was uitgegraven. Ze stond stil op het bruggetje over de droge bedding van een kleine gracht, waarin op bevel van de kampcommandant vaders en zonen elkaar de hersens moesten inslaan. Hier werd regelmatig iemand door beulshonden verscheurd. Iedereen moest toekijken, ook de vrouw van de commandant en zijn beide dochters. De jongste was van Jacobs leeftijd.
Job kwam in een ruimte die nog het meest op een glazen schuur leek, waar honderden mensen zonder ventilatie moesten slapen. Hij hoorde het de bontjas vertellen, maar hij wist het al voordat ze sprak. Hier lag ’s morgens zoveel condenswater op de vloer dat een volwassen man er tot aan zijn enkels in stond. De gevangenen moesten hun grijze kampkleren gebruiken om te dweilen. In hun natte vodden werden ze vervolgens naar buiten gejaagd. Toen er een tyfusepidemie uitbrak, werden ze zonder voedsel of medicijnen in deze barak in quarantaine gezet.
Dit was de enige schuur waar het licht was.
De gids liep weg met haar handen in haar jaszakken en nam de mensen mee. Job bleef achter en ging op de grond zitten, bij een soort varkenstrog en hij leunde tegen een vaalgroen schot. Af en toe werd hij van linksboven door de zon beschenen.

©Jan Kloeze

Lees ook Lente of Mist