Dag meisje

Ik ben een roman aan het schrijven. De werktitel is ‘dag meisje’. Hier publiceer ik af en toe een stukje van het verhaal. Op dit moment laat ik je de spannende opening van het boek lezen. Als het meezit, word je nieuwsgierig naar de rest. Het manuscript is bijna klaar.

Voorpublicatie 'Dag meisje'

(…)

De lijkwagen wil naar rechts en glijdt soepel de uitvoegstrook op, met mij als parasitair aanhangsel. We remmen. We draaien om de benzinepomp heen en stoppen bij het wegrestaurant, brutaal tegen de stoep aan. Voor ons gelden andere regels. De ingang van deze Goudreinet is een pui met staande vlaggen ernaast en reclameborden op het trottoir. De ouders van Josje stappen uit en gaan naar wat ongetwijfeld een warme entree zal zijn, met achter de voordeur een winkeltje, een brede trap naar de toiletten en iets verderop een gelagkamer met in volume stijgend en dalend geroezemoes van het ontheemde publiek.
Ik draai de contactsleutel om en zet de motor uit. Mijn benen ontspannen zich. Ik overweeg een stuk stokbrood met kaas en ei uit mijn rugzak te halen. Want uiteindelijk moet ik blijven eten.
Als de ouders van Josje achter de façade zijn verdwenen en ik aan mijn plastic zakje met proviand zit te frutten, komt de chauffeur van de dood tevoorschijn. Zorgvuldig vermijdt hij mijn kant op te kijken, ook al moet hij me al een uur in zijn spiegels hebben gezien. Zijn hoofd neigt een tikje naar voren. Met zijn linkerhand drukt hij een peuk tussen zijn lippen en met zijn rechterhand geeft hij zichzelf vuur.
Het zou ongepast zijn om hier bij een volle parkeerplaats op de motorkap te leunen. Dus slentert hij richting de vrachtwagens die iets verderop tussen hun absurd grote, witte rechthoeken op het asfalt staan. Daar wordt hij aangesproken door een trucker die bezig is de spanbanden om het zeil van zijn aanhangwagen vast te zetten. Ik zit te kijken naar een korte broek, sandalen en een verschoten hemd over een forse pens naast de kraai in zijn afgebiesde pantalon. Ze roken en verdwijnen naar achteren, aan het oog onttrokken door de grijze verhuiswagen die langzaam aan komt rijden en met een stevig sisgeluid tot stilstand komt.
Zwarte ruches achter de zijramen van de lijkwagen hangen doodstil. Stijve vlaggen op de buitenspiegels spotten met de wind. De glimp van Josjes kist in het achterraam is dit laatste uur in mijn ziel gestempeld. Vanwege het dichte schot tussen de achterbank en de laadbak van de verlengde Mercedes kon ik haar ouders niet zien. Maar ik stelde me tijdens de hele rit voor hoe ze daar naast elkaar zaten, met hun jassen nog aan, alsof dit een noodzakelijk maar liefst zo kort mogelijk intermezzo in hun drukke leven moest zijn. Ze spraken niet over Josje want dat was ooit verboden en inmiddels konden ze niet anders meer. Zwijgend en stijfjes zijn ze met het lichaam van hun dochter op weg naar de plek waar ze geleden heeft. Ik denk dat ze haar opbaren in haar oude meisjeskamer, in de gevangenis waar ze met het Kwaad heeft geworsteld. Die gedachte is ondraaglijk, ook al kan het Kwaad haar waarschijnlijk niets meer doen omdat ze dood is.
Ik zoek de rokende chauffeur met mijn blik, maar hij is niet meer te zien. Zou dit een moment zijn om te handelen? De gedachte heeft nog niet postgevat of ik zie tot mijn eigen verbazing dat ik de sleutels uit het contact haal, mijn rugzak pak en uit het bestelbusje kom. Het zijn maar vier of vijf stappen over het poreuze asfalt met het pokdalige gezicht. Er komen mensen uit het restaurant, maar dat zijn Josjes ouders niet.
‘Ik kan twee dingen doen’, fluister ik met bonkend hart tegen Josje. Mijn gestalte vervormt in de zwarte lak van de limo. ‘Ik kan je eruit halen en in je eigen laadbak deponeren. Maar dat kost veel tijd en is eigenlijk gewoon niet te doen. Of ik neem je met wagen en al mee, zodat je in het satijn kan blijven liggen, waar je van houdt.’
De deur is open en de sleutelchip zit nog in het dashboard, zoals ik vermoedde toen ik zag dat de doodgraver zijn beide handen gebruikte om een sigaret aan te steken. Zijn hoge hoed ligt op de bijrijdersstoel. Ik schuif achter het stuur en zit op gecapitonneerd leer. Mijn benen zijn langer dan de zijne maar ik gun me geen tijd om de stoel te verzetten. Dit is een automaat. De pook in Drive, rem los en het gevaarte komt bijna vanzelf in beweging. Een beetje gas erbij en de auto schiet zo hard vooruit dat ik me paniekerig afvraag of Josjes kist achter me niet gaat schuiven. Van schrik laat ik het gas los en de auto komt weer zo goed als tot stilstand. In mijn ooghoek zie ik iets zwarts op me af rennen. Even dreig ik te verstijven, maar opnieuw nemen mijn handen en benen de regie over. Ik hoef alleen maar toe te kijken hoe rechts de handrem ontkoppelt, links het stuur een tikje geeft en beneden een voet soepel gas geeft, waarna we even later met zijn drieën – de auto, Josje en ik – invoegen bij het verkeer op de snelweg. In een vloek en een zucht rijden we dik honderd in het uur en nemen we als rechtmatige vertegenwoordiger van de dood opnieuw onze voorkeurspositie op de autobaan in. Maar nu zonder aanhangsel. Dat staat nog bij het trottoir, met gruis en kleiresten in de laadbak. Ongetwijfeld omringd door Josjes boze ouders, de tierende beambte in zijn uniform en de verbijsterde korte broek die zich zal afvragen waarin hij verzeild is geraakt.
Met elke ademhaling verwijder ik me verder van dat pandemonium. Ontspannen leg ik een elleboog op de raamstijl. Autorijden terwijl er iemand naast je of achter je slaapt. Dat heb ik altijd lekker gevonden. Het ultieme roadmoviegevoel. Muziekje erbij aan. Lekker hard. Van Morrison. Neil Young. Paul Simon. The only living boy in New York. Dat werk. Het moet mannenmuziek zijn. Ik weet niet waarom. En het moet eigenlijk donker zijn, met bundels licht over een verlaten weg die af en toe een verdwaald reflectorpaaltje beschijnen en donkere bomen in de berm doen vermoeden. Dat is het nu niet. Het is klaarlichte dag, Josje. In een slecht scenario zouden we ons plotseling in de nacht bevinden, maar dergelijke tijdwissels heeft het echte leven niet in petto. Dat we in een lijkwagen rijden, in jouw lijkwagen om precies te zijn, heeft daarentegen wel weer iets buitengewoon duisters. En jij ligt in je kist. Achter me. 


(…)

 

© Jan Kloeze, oktober 2018