Medisch dossier online geopend [BoardRoomZORG]

‘Als we wachten totdat bijvoorbeeld e-consults helemaal zijn opgenomen in de DOTS, dan komen we nooit van de kant’, zegt Mirjam van Velthuizen, lid raad van bestuur UMC Utrecht.

Ze spreekt over de brede implementatie van het open patiëntenportaal dat het voor iedere patiënt van het UMC Utrecht die dat wil, mogelijk maakt om via DigiD het eigen medisch dossier in te zien. Sinds 2004 investeerde het ziekenhuis ongeveer zeven miljoen euro in de ontwikkeling van dit digitale portaal.

Ontwikkeling stagneerde

Recent echter is de aanpak sterk verbreed. Van Velthuizen: ‘Meerdere afdelingen van het ziekenhuis hadden in de afgelopen jaren op onderdelen de patiënt inzage gegeven in het eigen dossier en consultering op afstand ingevoerd. Dit heeft ons veel geleerd en het vertrouwen gegeven dat een brede uitrol mogelijk was. Maar de verdere ontwikkeling hiervan stagneerde, omdat het openstellen van het portaal per patiënt na het eerste contact moest gebeuren. Dit was arbeidsintensief voor de werkvloer waardoor dit weinig prioriteit kreeg in de vaak beperkte tijd. Zo bleven beschikbare mogelijkheden in de inzage in het dossier beperkt voor een relatief kleine groep patiënten. Op strategisch niveau, bij steeds meer professionals en de raad van bestuur, werd dit als ongewenst beschouwd. Met name ook patiëntenpanels hebben ons gestimuleerd de uitrol te verbreden.’

Vanuit de vaste overtuiging dat de zorgkwaliteit toeneemt en de zorgkosten dalen als de patiënt zelf de regie kan nemen over zijn eigen behandelproces, wilde de raad van bestuur een open patiëntenportaal voor iedereen, zonder uitzondering. En waar tot voor kort de techniek dit nog niet toeliet, is ICT geen belemmering meer. Het UMC Utrecht werkt met EZIS van Chipsoft. Het portaal is vernieuwd en meer ‘intuïtief’ en toegankelijk gemaakt.
‘Nu is het zo dat iedere patiënt toegang krijgt tot het portaal, tenzij iemand zelf aangeeft dat echt niet te willen. De communicatie over het open portaal is centraal geregeld en hoeft niet meer per patiënt decentraal te worden gedaan. Iedereen kan op de hoogte zijn en iedereen krijgt een inlog met zijn eigen DigiD.’

Deze nieuwe aanpak is sinds maart 2015 operationeel, te kort dus om breed te kunnen evalueren. Maar het is wel duidelijk dat een aantal “beren op de weg”, want er was weerstand, niet zijn uitgekomen. ‘Dokters worden niet ineens voortdurend digitaal lastig gevallen met vragen over de betekenis van medische terminologie of met aanvragen voor extra e­consults. Dat wisten we eigenlijk al vanuit de ervaring die we sinds 2004 op deelgebieden hebben opgedaan. Maar nu zijn toch ook de wat meer afwachtende personen overtuigd’, aldus Van Velthuizen. ‘Bovendien ziet men de voordelen en daar gaat het natuurlijk om.’

In staat zelf afwegingen te maken
Patiënten komen beter voorbereid op het spreekuur en zijn meer betrokken bij hun behandeling. Men stelt vaker inhoudelijke vragen, is in staat zelf afwegingen te maken, heeft bijvoorbeeld meer inzicht in medicatievraagstukken bij co-morbiditeit en zo neemt de kwaliteit van het consult toe. Ook is het niet altijd meer nodig om fysiek naar het ziekenhuis te komen. Mooi voorbeeld komt van een psychiater die een patiënt, op voorwaarde van zorgvuldige, digitale feedback in het portaal, kan instellen op medicatie zonder dat deze opgenomen hoeft te worden.


Rapporteren aan raad van bestuur
De activiteiten die in het patiëntenportaal plaatsvinden, zijn opgenomen in de reguliere beheerscyclus. Het aantal raadplegingen, e-consults en reviews worden wekelijks in managementrapportages aan alle afdelingen en regulier in de vaste rapportages aan de raad van bestuur bekend gemaakt. Daar zitten uiteraard indicatoren op die aangeven wanneer iets een risico zou kunnen worden. Met andere woorden, het patiëntenportaal is opgenomen in de staande organisatie binnen het beheer- en controlecircuit.
Anders gaat het met innovaties binnen de digitale zorgtoepassingen. Er vindt voortdurend een verdere ontwikkeling van applicaties en toepassingen plaats, vaak ook samen met ketenpartners en uiteraard met softwareleverancier Chipsoft. Zowel de betrokken zorgmanager als de programmamanager rapporteren, vaak samen met de directeur IT, aan Mirjam van Velthuizen. Soms gebeurt dit twee keer per maand en soms eens per kwartaal, afhankelijk van de ontwikkelingen.


Download de pdf van het volledige artikel, verschenen in BoardRoom ZORG nr. 4 – 2014. Of lees Jeugdzorg moet risicoreflex mijden.