Altijd kortdurend. Soms vol verrassingen. Vaak geestig, maar ook weleens treurig. Pleegouders Kim Postma en René Wokke beschrijven hun herinneringen aan de vaak hectische maar ook vreugdevolle crisisopvang van pubers op hun woonboot in Amsterdam. Ze sparen zichzelf daarbij niet en delen hun onzekerheden en fouten met de lezer in hun boek Laat maar komen! Een gesprek met Kim.

Waarom de titel Laat maar komen!?
‘René en ik zeiden eigenlijk nooit nee. Wij vonden dat kinderen geholpen moesten worden als ze in een noodsituatie zaten. In het begin deden we nog wel aan voorgesprekjes, maar al vrij snel zijn we daarmee gestopt want we zeiden toch altijd ‘laat maar komen!’. Een ander aspect is dat we nooit bedenkingen hadden over of het wel veilig was. Ieder kind kreeg meteen de sleutel in het vertrouwen dat hij of zij daar goed mee om zou gaan, anders werkt het niet. En zo staat laat maar komen ook voor laat maar kijken waar het schip strandt, dat trouwens nooit strandde. Er zijn weleens incidentjes geweest, maar niet ernstig.’

Incidenten?
‘Ja, met Joost bijvoorbeeld, die op een gegeven moment bedacht had dat hij een feest kon geven op onze woonboot als wij een weekend weg waren. Dat liep via sociale media nogal uit de hand. Het werd bijna een soort X-feest aan de Amstel. We hebben dat uitgebreid beschreven in het boek. Dat was best spannend.’

Een typisch aspect van crisisopvang is de tijdelijkheid. Hoe lastig is het om steeds weer afscheid te moeten nemen?
‘Meestal was er na de crisis een oplossing voor het oorspronkelijke probleem gevonden. Soms gingen de kinderen terug naar huis. Soms naar een instelling. Vaak voelde dat goed, maar niet altijd. Toch moesten we ze ook dan loslaten, want het was gewoon geen goed idee om ze bij ons te houden. We wilden structureel geen kinderen in ons leven. Bovendien zou dat de ruimte wegnemen voor volgende crisisplaatsingen. Maar afscheid nemen is altijd lastig. Je hoopt dat er een contact blijft, dat je ze kunt blijven volgen. Gelukkig gebeurt dat ook met veel van de jongeren.’

Jullie wilden zelf geen kinderen, zeg je. Hebben jullie daarom geaarzeld om aan pleegzorg te beginnen?
‘In het begin wel, ja. Dat gold vooral voor mij. René kwam, zoals we in het boek hebben beschreven, vrij toevallig in aanraking met schrijnende situaties in de jeugdzorg en hij voelde zich geroepen daar wat aan te doen. Hij was ervan overtuigd dat we dit samen zouden kunnen en hij heeft gelijk gekregen. Na de eerste plaatsing waren mijn twijfels helemaal weg, hoor.’

Hoe was de taakverdeling met René? Een klassieke vader/moeder-rol?
‘Niet bepaald. René was meer van het zorgzame type. Hij kookte bijvoorbeeld altijd en leerde de kinderen dat ook. Ik nam vooral de contacten met scholen, mentoren en begeleiders voor mijn rekening. We hadden evenmin een klassieke verdeling tussen de strenge en de wat toegeeflijkere ouder. Tot frustratie van de kinderen, konden ze ons onmogelijk uit elkaar spelen. Zelfs als we elkaar vooraf niet hadden gesproken, reageerden we op bepaalde situaties vaak letterlijk met precies dezelfde vragen of opmerkingen.’

Kort nadat het manuscript van Laat maar komen! af was, is René tijdens jullie lange fietsreis in Tadzjikistan door een aanslag om het leven gekomen. Welke rol heeft de plotselinge dood van René gespeeld in de afweging dit boek wel of niet uit te geven?
‘Terwijl we in Vietnam waren, op weg naar China en verder, kwam ons boek ineens in een stroomversnelling. Jan, die ons hielp in de eindredactie, had een uitgeverij gevonden. Er kwam een contract en een coverontwerp. Toen hebben we een paar dagen in een internetcafé gezeten om de laatste hand te leggen aan het manuscript dat voor ons vertrek al bijna helemaal af was. Daarna vertelde René onderweg aan iedereen die het wilde horen dat we een boek hadden geschreven. Hij was er zo trots op. Voor mij was het vanzelfsprekend dat het boek gewoon op de geplande datum moest verschijnen. Ook al moet ik nu de publiciteit in mijn eentje doen. Dat vind ik wel moeilijk. Maar steeds vraag ik me daarbij af wat hij zou hebben gewild. René kijkt over mijn schouder mee.’

Waarom zouden mensen juist voor crisisopvang van pubers moeten kiezen?
‘Omdat pubers leuk zijn. Ze zijn bijna volwassen. Je kunt met ze praten over dingen die er echt toe doen, zoals belangrijke keuzes voor school of werk. Ze maken een wezenlijke ontwikkeling door en het geeft veel voldoening als je ze daar een klein beetje in kunt ondersteunen. Soms is het al genoeg om deze kinderen die uit verwaarlozende en soms zelfs gewelddadige gezinnen komen, te laten ervaren hoe het is als volwassenen respectvol met hen omgaan. Dat ze zichzelf mogen zijn. Dat fouten niet meteen worden afgestraft. Dat dit een langdurig effect kan hebben, blijkt ook uit de gesprekken met onze ex-pleegkinderen die in het boek zijn opgenomen.’

 

Lees ook mijn verhaal 'Zwemmen in de Amstel', waarvoor de aanleiding zich voordeed terwijl ik met René een biertje dronk aan boord van de Hendrik Jan.