Ik ben een Gelukzoeker en een Kunstenaar. Ook al leveren ze geen cent op. Ik ontleen ze aan het boek Het verhaal van mijn leven, geschreven door Mieke Bouma. Drie jaar geleden begon Amsterdam voor mij toen ik haar ontmoette.

Of eigenlijk toen ik langs het raam van haar Storytelling Academy Dependance liep, op de hoek van de Spaarndammerstraat en die weg daar, die brede weg, die nu ten onder is gegaan in een tunnel. Net voorbij de Albert Heijn die er daar bij ligt als een fort en zo goed als naast de met een Jamaicaanse vlag getooide coffeeshop achter tralies. Hemelsbreed tegenover het Eerste Amsterdamse Gymnasium waar de betrapte rector kinderporno keek. Daar zat die Dependance van de Storytelling Academy.

Drie dagen lang werkten we met Mieke en haar tegenpool Marciel als assistente. Ons klasje ontving les in corporate storywriting. In de praktijk leerden we vooral hoe we een verhaal moesten vertellen. Elk verhaal.

Gestimuleerd door de lessen begon ik weer zomaar wat te schrijven, nadat ik jaren droog had gestaan. Korte dingetjes. Een plot. Een dialoog. Een verhaaltje. Schrijven, daar had het niet aan ontbroken. Wie alles wat ik als journalist de afgelopen vijfentwintig jaar had geschreven, achter elkaar zou zetten, kreeg met gemak een plank vol. Met plezier en met vakmanschap heb ik daaraan gewerkt. Maar het was werk. Ik had van mijn verlangen werk gemaakt. Niet slecht natuurlijk. Maar gaandeweg was de droom verdwenen. De droom waarin ik zou meemaken hoe het was als de woorden onvoorwaardelijk kwamen. Er kwamen woorden, meer dan genoeg, maar per definitie in een format, een beperking, een functionele samenstelling. Langdurig zocht ik naar de beste formule, het fraaiste beeld en de raakste koppen. Ik leerde in 25 jaar het vak en ik leerde anderen mijn vak.

Eenmaal in Amsterdam terecht gekomen, gaf ik toe aan de impuls me in te schrijven voor deze cursus vanuit de behoefte opnieuw te beginnen, of in ieder geval daar verder te gaan waar ik het pad had verlaten door van schrijven mijn werk te maken. Opnieuw te gaan schrijven voor mijn plezier, met de enige behoefte die ertoe doet, namelijk aan te willen sluiten op de woordenstroom die zich aandient zonder vooraf grenzen te stellen.

Alles in het leven lijkt samen te spannen om die stroom te onderbreken. Ik heb het niet over simpele dingen als boodschappen doen of eten koken. Die zaken kosten weinig tijd en inspanning. Net als schoonmaken, de was doen en stofzuigen. Ze houden je niet van je droom af. Nee, ik heb het over andere afleidingen. Zoals je druk maken over het nieuws, over vrouwen en over geld. Daar gaat pas energie in zitten. Terwijl het nieuws altijd hetzelfde liedje is. Er is iemand dood. Een ander werd de baas. Een ongeluk deed zich voor. Zorgelijk is het, maar hoop is niet uitgesloten. En dan het weer, dat per definitie iets anders is dan vandaag, maar nou ook weer niet zodanig dat we ons direct druk moeten maken. En ik lees de krant, nogal excessief. Kan het niet laten, ook al kost het veel tijd. Ik houd van de taal van de krant. De terloopse genialiteit van sommige zinnen. Daar glimlach ik om. Dan zie ik die persoon achter zijn of haar scherm zitten, een punt en een komma herschikkend, maar in wezen onbescheiden in zijn sas met zichzelf. Tegelijk diep doordrongen van het feit dat er een volgend onderwerp op hem of haar wacht. Waar ook de tanden in gezet moeten worden. Er is niks mis mee. Maar het punt is dat we allemaal lucht zitten te blazen in een luchtkasteel. Aangeblazen door onze angst, verbazing, verwachting, bewondering, afkeer en ontroering of boosheid. Wie zich in die emoties verliest, gelooft dat elke dag nieuws bevat en laat zich constant verstrooien.

Over de vrouwen en het geld. Ook onderwerpen die afleiden van de droom te leven en te schrijven in vanzelfsprekendheid. Met de vrouw komt de rest. Het huis, de auto en de tuin. De vakantie. Meubels en gordijnen. De keuken. Het kind, al heb je daar zelf ook de hand in gehad. En met dat kind komt meer dan de rest. Verantwoordelijkheid. Liefde. Vechtlust. Focus. Want het kost wat natuurlijk. Dus moet er hard gewerkt worden. Met het hoofd in de machinekamer. Met de benen onder het gat.

De Kunstenaar en de Gelukzoeker waren in geen velden of wegen te bekennen. De Voedster, de Strijder en de Provocateur hadden een monsterverbond gesloten. En dan gaat het hard. Gelukkig hield de Wijze een oogje in het zeil. Hij las boeken en bezocht retraites. Soms fluisterde hij dat het allemaal een spel was, een spel zonder winnaars en verliezers waarin de bewegingen van het lot niets te betekenen hadden.

Materie kwam en ging. Het kind vocht zich vrij. De vrouw verstijfde. De man verdween. Hij kuste de Voedster met een bruidsschat vaarwel. Met de Strijder schudde hij handen om vrede te sluiten en de Provocateur deed wat hij het beste kon, hij offerde zichzelf op. Toen deze verandering van het krachtenveld doordrong tot het moederbord van de matrix, dook drie jaar geleden mijn woonboot in Amsterdam ineens op. Nadat mijn ziel een paar maanden later was ingescheept, liep ik tegen de Dependance van de Storytelling Academy op.

Om te voorkomen dat ik het evidente over het hoofd zou zien, kwam er op dat moment onverwachts een man naast me staan. Ik stond op de stoep een boodschap op een plakkaat achter het raam te ontwaren, dingen over cursussen en hun data, toen de man naast me opdook, meekeek naar de tekst, en zei dat dit wel iets voor hem zou zijn. We raakten kort in gesprek. Hij gaf me zijn visitekaartje en verklaarde nogmaals dat hij sterk overwoog die cursus te gaan volgen. Ik heb hem nooit meer gezien of gesproken. Het kaartje ben ik kwijt. Maar zijn impuls heb ik gevoeld en gevolgd.

Het was trouwens de Gelukzoeker die tegen dit raam opliep. De Gelukzoeker die een oud geluk weer had opgenomen. Het genot van gewoon wat door de stad banjeren, zonder duidelijk doel, alleen maar om te lopen en te kijken naar de gebouwen, het verkeer, de mensen op de stoepen, de verdwaalde bomen, de borden, naar etalages en terrassen, de rotondes, de kerken, de hoge gevels, de parken en de kanalen, zomaar wat rondstruinen, wel met de kop erbij, goed kijken hoe de straten heten, wat de verbindingen zijn en in welke richtingen ze afrollen. De samenhang in de stad voelen. Wie woont waar. Wie verplaatst zich en waarom. Dat is mooi. Dat is puur geluk. Vooral als ik tegen goeie plekken aanloop. Plekken aan het water. Kades met boten, met dukdalven, met pakhuizen. Maar ook met kranen, slepers en sloepen. Binnenplaatsen tussen flats die me aan onbezorgde ontdekkingsreizen doen denken. De Gelukzoeker doet dit graag. En de Kunstenaar wikt, weegt en slaat fragmenten op in zijn ransel, in zijn gereedschapskist. Hij weet dat de Gelukzoeker altijd bruikbaar materiaal levert, want er is geen geluk zonder verlies. Verlies door vluchtigheid. Niets is blijvend. Wie denkt dat geluk gevonden en gehouden kan worden, komt thuis van een koude kermis. Waar geluk gezocht wordt en dromen uitkomen, is tegelijk de armoede van het klatergoud dichtbij, samen met het inzicht dat de keizer geen kleren draagt. En op het snijvlak van werkelijkheid en illusie gedijt de Kunstenaar. Dat snijvlak wordt gevormd door de dood. Alle kunst gaat over de dood. Als het niet over de dood gaat, is het geen kunst. Wie zijn dood vergeten is, droomt van de grootste illusie aller tijden, die van onsterfelijkheid. Zo iemand kan geen Kunstenaar zijn. Zo iemand kan ook geen Gelukzoeker vinden. Zo iemand mist het verhaal van zijn leven.

©Jan Kloeze, mei 2018

Lees ook Ellen of Strakke meisjes in de pijplijn.