De dood kijkt me voortdurend recht in mijn smoel aan. Om dat te ontwijken en te ontkennen, zoek ik naar dingen die voldoende afleiding bieden. Ik draai me net zo lang in allerlei bochten totdat ik de dood achter me heb geplaatst.

Daar laat hij zich gerust neerzetten. Want hij weet dat hij altijd het langste lacht. En ik weet het ook. Als ik even te weinig energie steek in wegkijken, is hij terug, als een dagelijks uitzicht. Ik ga dood. Ik raak alles kwijt en heb nooit iets bezeten. Ik heb niks. Ik ben niks, behalve afleiding, behalve identificatie, behalve een luchtspiegeling. En alles en iedereen om me heen gaat ook dood. De tandarts en zijn dunne, blonde assistente. De receptioniste die tussen de bedrijven door met een kennis zit te bellen. De kale man die geen tijd meer heeft, maar zich laat overhalen.
Ik leef in het pats-gedicht van Toon Tellegen. Voorgelezen somt hij 2,5 uur achter elkaar elke verschijningsvorm van de mens op, telkens eindigend met pats! Soms: Pats! Pats! Ik sprak iemand die het een patserig gedicht vond.
Niets overleeft. Niets is bestendig. Ook ik niet. Nu ik al drie maanden in een leeg leven zit, dat wil zeggen zonder werk en substantieel inkomen, merk ik pas goed hoeveel dingen voortdurend een schijnzekerheid bieden, een schijnzekerheid van continuïteit, een schijnzekerheid van zinnigheid en een schijnzekerheid van handelingsvrijheid en handelingsbekwaamheid. De schijnzekerheid van het leven dus, die ook aan het licht komt als ongeneeslijkheid wordt geconcludeerd en meegedeeld. Plotseling zijn de verbouwing, de geplande vakantie en de toekomstige reis de ijle dromen die zij altijd waren, zonder dat we het zagen. Vandaag heb ik dat bijna letterlijk zo gelezen in een verslag van iemand die haar aangekondigde dood publiekelijk beschrijft in wekelijkse feuilletons. Ze is rechter en 62 jaar oud, al volop dromend van een vervuld pensionadobestaan. En nu heeft ze naar het hart uitgezaaide longkanker. Gemiddeld nog negen maanden te leven, wat ze in zichzelf direct vertaalde als nog minimaal negen maanden. Zo klampen we ons voortdurend aan dingen vast die afleiden van de eeuwige duisternis.
Ik ook. Maar als ik mijn ogen recht vooruit richt, dan kan ik het niet langer ontkennen. De dood staat pal voor mijn neus en in zijn schaduw is er niets van waarde, in zijn schaduw verliest alles zijn betekenis.
Waarom zou ik me dat toch steeds realiseren? Waarom zou ik niet in een illusie willen leven? Me vastklampend aan alles wat ik kan verzinnen, me verliezend in elke dagdroom die me kan bedwelmen. Wat is daar mis mee? Waarom niet gewoon weer de kop in het zand steken? Genieten van Amsterdam, van de zomer die eraan komt, van de zeilboot die weer zeilt. Misschien ook eens gaan daten. Waarom niet? Tinderen voor boven de vijftig schijnt populair te zijn.

De enige reden om niet weg te duiken voor de waarheid, is dat hij onvermijdelijk is, dat hij zich ooit aan zal dienen, misschien vanavond al, misschien pas over vijftien jaar. Maar ook dat is eigenlijk vanavond al. Wat is de bloody difference tussen vanavond en over vijftien jaar? In essentie is er geen verschil. Ik wil klaar zijn voor de dood als hij me komt halen. Dat is wat ik wil. Niet sterven als een uit de lucht geschoten kleiduif. Daarom houd ik de dood in het vizier.

©Jan Kloeze, mei 2018

Lees ook Die dingen deed ik ook of De toekomst.