Wat vond je ervan, vroeg de kaalhoofdige man aan de jonge vrouw in haar witte, longsleeve T-shirt die naast me had gezeten en tegelijk met mij opstond. Het zaallicht was aan gegaan. De honderden bezoekers van Het beste van Idfa in De la Mar hezen hun broeken op, keken of ze niets lieten liggen en draaiden zich naar de dichtstbijzijnde uitgang.

Mijn buurvrouw bleek een zwarte broek te dragen, zo’n strakke die wel wat weg had van een trainingsbroek. Ze had het niet goed kunnen volgen allemaal, antwoordde ze. Na drie films was deze vierde er voor haar eentje te veel. Ze stelde de wedervraag ‘en jij?’ niet.

Zelf zou ik gezegd hebben dat die vierde film (The Other Side of Everything van Mila Turajlic) een onthutsend zicht bood op de blote tragedie die zich kort geleden hier vlakbij heeft afgespeeld. De inmiddels ruim 60-jarige Srbijanska Turajlic, moeder van twee dochters, uit een oud adellijk geslacht van politici en advocaten, zag zich in de zestiger jaren verplicht op te staan tegen de Russen die de naar Belgrado overgewaaide Praagse Lente bruut neersloegen. Dertig jaar later deed ze dat opnieuw, opstaan tegen de autoriteiten, nu vanwege de waanzin van een burgeroorlog tussen Serven, Kroaten en Bosniërs. Haar geschiedenis werd verteld in de documentaire die de oudste dochter over deze vrouw maakte. Het meest verbluffende was misschien wel het contrast tussen de gezette vrouw op haar pantoffels in de ooit door de communistische staat verminkte stadsvilla van de familie en de activistische professor die ook nog transformeerde in een politicus en minister was in de eerste regering na de val van Slobodan Milosovic. Hem was ik al min of meer vergeten maar daar in die zo dichtbij gelegen regio heeft hij ongeneeslijke wonden geslagen.
Toen drie van haar studenten in 2005 een opstand uitriepen tegen Milosovic, heeft zij om hen te beschermen als hun professor het protestmanifest ondertekend. Dat vond ze haar taak, wat ze toelichtte in een monoloog waar Shakespeare een puntje aan kon zuigen.

In de tweede film van de dag (The Dread, gemaakt door Martin Benchimol en Pablo Apara) werd ik getroffen door het archetype van de sjamaan die steevast en onvermijdelijk een offer vraagt voor genezing. De camera bevindt zich in een afgelegen, Argentijns dorp waar de mensen geen dokter nodig hebben. Ze genezen elkaar van indigestie, koorts of maagpijn. Een van de kwakzalvers zweert bij adrenaline als medicijn voor de meeste kwalen. Kiespijn gaat op de vlucht voor de remedie van een andere marskramer, al kost het de patiënt met gemak zijn kies. De mensen in dit dorpje lachen veel en onthullen daarbij schaamteloos een aanzienlijk maar pijnvrij fietsenrek. Van Espanto hebben ze echter geen kaas gegeten. Espanto gaat boven hun macht. Alleen de sjamaan kan Espanto genezen, een ziekte die aan doodsangst en depressie doet denken en uitsluitend vrouwen treft. Espanto heeft ook trekken van een Freudiaanse hysterie. Genezing vindt daar beneden plaats, weet een van de dorpsvrouwen met een hoofdknik naar de schaamstreek te vertellen. Zelf is ze natuurlijk nooit bij de sjamaan geweest. Net zomin als de andere vrouwen uit dit vergeten Argentijnse dorpje met een naam die niemand zou durven verzinnen en dus wel waar moet zijn. El Dorado. De bewoners zijn slechts door een riviertje en een brug gescheiden van de met golfplaten bedekte woning van de geheimzinnige genezer die Jorge blijkt te heten en een nors gelaat heeft.

De Deminer is rechtstreeks uit het Indiase epos Mahabharata weg gelopen. Hij was de hoofdpersoon van de derde documentaire, gemaakt door Hogir Hirori en Shinwar Kamal. De Deminer is iemand die eigenhandig en zonder noemenswaardige bescherming meer dan 7000 mijnen onschadelijk maakte in het Irak van na Saddam. Een tweeënveertigjarige vader van acht kinderen, met altijd een zware baardschaduw op zijn vierkante kaken, moeizaam bewegend op de geïmproviseerde prothese aan zijn rechterbeen. Want het was niet altijd goed gegaan. Zonder te versagen ruimde hij mijnen op. In het veld, in auto’s en in huizen. Onverschrokken zocht hij naar boobytraps die zonder zijn inspanningen talloze onschuldige slachtoffers zouden hebben gemaakt, voornamelijk gewapend met een tang om de bedrading van de bommen door te knippen. Om de een of andere reden liet hij voortdurend zijn eigen optreden op dat krankzinnige oorlogstoneel door ondergeschikten filmen, vooral met iPhones.
Onafwendbaar vond hij tenslotte op dat toneel zijn noodlot, net zoals de oudste van de edele broers van Arjuna onverstoorbaar om hun koninkrijk dobbelde, wetend dat zijn machtige tegenstander met de stenen heeft geknoeid en dat hij de strijd onmogelijk kon winnen.
De Iraakse kolonel wilde stoppen omdat hij moe was nadat hij in een door IS verlaten dorp de helft van de huizen had bevrijd van mijnen, maar hij liet zich overhalen nog twee woningen te doen, hoewel hij eigenlijk al in de auto zat om weg te rijden en een paar uur te rusten. Ervaren filmkijkers weten dat als de held zich laat overhalen tegen zijn zin iets te doen, dat het dan mis gaat. Toen vervolgens bleek dat in het eerste huis drie met elkaar verbonden mijnen door cellphones werden ontstoken en er tijdens het ontmantelen van de eerste twee al een paar keer telefoons waren af gegaan, steeds loos alarm, dan weet je vrijwel zeker dat de volgende ringtone dodelijk zal zijn. En zo was het ook. Jammer dat de kolonel zich niet bewust was van het spel dat met hem op de loop was gegaan, jammer voor de nabestaanden, de acht kinderen en zijn vrouw. Voor hemzelf was de dood niet zo’n probleem. Hij wilde nou eenmaal niets anders dan leven op het randje van de alles vernietigende ontploffing en was bereid de prijs daarvoor te betalen, iets dat Arjuna in Mahabharata trouwens nog van Krishna moest leren.

De allereerste film van de dag heeft me hard tussen de ogen getroffen. Deze documentaire (The Distant Barking of Dogs van Simon Lering Wilmot) toonde het tienjarige jongetje Oleg dat bij zijn grootmoeder woont en opgroeit binnen schootsafstand van het front tussen Oost-Oekraïne en de Russische separatisten. Dat jongetje ben ik. Plotseling, halverwege de film, realiseerde ik me dat. Oleg slentert vaak buiten in de natuur en vergeet zichzelf in onschuldige avonturen met een vishengel, een rivier of een voetbal. Eindeloos speelt hij in kapot geschoten en verlaten schuren of huizen. Die dingen deed ik ook. Vissen. Voetballen. Slenteren. Net als de meeste tienjarige jongens natuurlijk. Maar dat spelen tussen steenhopen en staal, roekeloos en nieuwsgierig, dat herinnerde ik me ineens ook weer. Bij mij waren dat geen kapot geschoten boerderijen, maar geraamten van nieuwbouwhuizen in bouwputten.
Oleg verliest zijn kinderlijke onbevangenheid snel. Dat is geen wonder met de voortdurende geluiden van mortierinslagen, geweervuur, lichtsporen in de nacht en ontploffende bommen, soms slechts een paar huizen verderop. Toch kan hij niet anders dan doorgaan met wat hij doet omdat hij geen keus heeft.
Ook ik bevond me in een oorlog, aan me opgedrongen door mijn vader, de vijand die me dreigde te vermorzelen in lange bestraffingen vol verwijten en vernederingen, waar ik aan kapot kon gaan, maar waar ik me tegen verzette door net als Oleg tegen grootmoeder aan te hangen, door buiten te spelen, door jongere kinderen te willen beschermen, door bezwerende stoeipartijen met vriendjes. In mijn geval was het mijn moeder. Niet mijn oma. Maar dat doet er niet veel toe. Mortiervuur is altijd gevaarlijk, ook als het kanon een hoofd is en woorden de granaten.

Dit had ik allemaal gezegd als iemand aan mij had gevraagd wat ik ervan vond. Maar de vrouw met het witte T-shirt en haar kale vriend verdwenen in het gedrang op de rode trappen van het theater. Eenmaal buiten op de brede stoep van de natte en waterkoude Marnixstraat losten ook de vele andere bezoekers op in de stad alsof we nooit samen deze dag hadden gedeeld.

©Jan Kloeze, december 2017

Lees ook Arrogante tweebenige heerser of Zwemmen in de Amstel.