2e p. enk.

[tekst] ‘Als je je zegt, bedoel je ik. Kent u die uitdrukking?’ Zo zou een preek van dominee Gremdaat – Paul Haenen – kunnen beginnen, eindigend in de oproep om het heft in handen te nemen. Iemand die over zichzelf in de tweede persoon enkelvoud spreekt, ontwijkt immers de verantwoordelijkheid voor zijn eigen uitspraken. Denk bijvoorbeeld aan de vaak hemeltergende gesprekken met egomane voetballertjes: ‘Meer dan je stinkende best kan je niet doen.’

Als de tweede persoon enkelvoud zo weinigzeggend is, waarom gebruiken schrijvers hem dan toch? Een wereldwijde bestseller als Bright Lights, Big Cities van Jay McInnerney (80’er jaren vorige eeuw) is helemaal in die persoonsvorm geschreven. De hoofdpersoon worstelt met een cocaïneverslaving en spreekt als het ware tegen zijn zwarte kant. ‘Het probleem is dat je op een of andere manier denkt dat je het soort meisje zult tegenkomen, dat niet het soort is dat om deze tijd ’s morgens in een tent als deze rondhangt.’ Ik wil het niet hebben over de zin met ‘op een of andere manier’, drie keer ‘dat’ en twee keer ‘deze’, maar wijs erop dat de overweging waar het om gaat weinig indruk maakt.
Zou de ik-vorm beter werken? Ik neem de proef op de som en eigenwijs punt ik de zin een beetje bij: ‘Mijn probleem is dat ik ’s morgens om deze tijd het soort meisje denk tegen te komen dat hier niet rondhangt.’

Ik zeg: sterker! Wat jij?

De schrijver moet dus een heel goede reden hebben om in een verhaal met de tweede persoon enkelvoud op de proppen te komen, bijvoorbeeld als de verteller man noch vrouw is en de schrijver het kippige hen wil vermijden. Of als de schrijver afstand wil nemen van zijn eigen autobiografie, zoals Philip Huff aangaf toen hem werd gevraagd waarom hij de tweede persoon enkelvoud hanteert in Wat je van bloed weet. Zelfs in de titel gebruikt Huff die persoonsvorm. Ik voelde me aangesproken. Alsof de schrijver mij vraagt wat ik van bloed weet. Maar hij bedoelt zich af te vragen wat hij van bloed weet. En had daarom beter kunnen schrijven: ‘Wat ik van bloed weet’. Want als je je zegt…

©Jan Kloeze

[Proefdruk nr. 2 – Taalrubriek]