Pamir fietsen en sterven

‘Daar kunnen jullie tot zes uur zitten.’ De bartender wees naar een lege hoek op een verhoging bij de trap. Voor zijn buik droeg hij een schort en op zijn hoofd had hij een knotje geknoopt. Op het hoepeltje van de barkrukken, boven de houten vloer, rustten hippe laarzen. Om ons heen gesticuleerden groepjes van drie of vier jongens. Meisjes waren schaars in deze bierbar.

We knikten, mijn vriend René en ik. Tot zes uur. Tijd zat. Meestal dronken we een IPA of een Tripel, die René steevast becommentarieerde als iets te bitter, veel te zoet of juist te sterk in de hop. In zijn tweede huisje aan de Friese waddendijk brouwde hij in de kelder zijn eigen bier, lang voordat het een grootstedelijke hobby van hipsters was geworden.

Op zijn uitvaart werden de resterende kratten uitgeserveerd. Sommigen van de tweehonderdvijftig aanwezigen wilden een vol flesje als aandenken mee naar huis. Dat had René sentimenteel gedoe gevonden; bier moest door de keel.

Toen de mensen die het tafeltje hadden gereserveerd zich sneller dan verwacht meldden en we net aan een verse Prael zaten, deed mijn vriend alsof hij van niks wist.

‘Kom er gerust bij zitten,’ zei hij, gespeeld verstoord. ‘Maar dan moet je wel even ergens een stoel vandaan halen.’

De vier jonkies aarzelden. Hier zaten twee goed geconserveerde vijftigers geheel op hun gemak lichtelijk geïrriteerd naar hen op te kijken. Toch had de barkeeper hen deze gereserveerde tafel aangewezen, hier in dit eclectische hoekje met een verschoten bank, gestoffeerde fauteuils en klassiek houten stoelen, passend bij de stijl van de barkrukken.

René negeerde het stel en hervatte zijn conversatie met me, een geamuseerd en nieuwsgierig lachje om zijn smalle lippen, benieuwd waartoe zijn onschuldige provocatie zou leiden. Ik voelde het ongemak dat boven ons uit torende; de jongens met de baarden gingen zich er niet bij neer leggen.

‘Kom op Wokke. We gaan een ander plekje zoeken.’

Elke uitkomst was goed, ook deze, want nu keek hij mij triomfantelijk aan alsof hij me ergens op had betrapt.

René Wokke was psycholoog, museumbouwer, importeur, kok, pleegvader, bierbrouwer en doe het zelver. Ook was hij wereldfietser, motorrijder en koikarperhouder. Zelf zou hij er wellicht nog de kwalificatie ‘schrijver’ aan toevoegen, maar zijn boek is postuum verschenen en bovendien grotendeels door mij samengesteld. Toch staat zijn naam groot op de omslag en als je naam op een boek staat, dan ben je schrijver. Het is een stelling die hij zou kunnen poneren met een gezicht van ‘wie maakt me wat’. Met zijn één meter vijfentachtig was hij langer dan de meeste mensen op het eerste gezicht dachten. De schedel van zijn kleine hoofd was zorgvuldig gemillimeterd. Vaak droeg hij een muts, ook binnen. Hoeveel René ook at of dronk, dik werd hij er niet van.

De vrouw met wie hij zijn halve leven op een mooi onderhouden klipper samen heeft gewoond, stond er met haar neus bovenop. Ze heeft gezien hoe René niet kon geloven dat de mannen hun messen werkelijk in hem staken, hoe hij gebaarde ‘kom op nou, jongens’ door zijn armen naar voren te steken en zijn kin te heffen, terwijl hij aan de rand van de weg stond en dodelijk was getroffen door de terroristen die vijf fietsers voor dood achterlieten. Eerst Pamir fietsen en dan sterven. Dat schreef René boven zijn laatste vlog. Toen was hij met zijn vrouw al een paar maanden onderweg, hadden ze door Vietnam en China gefietst met hun bepakking in rode waterdichte tassen gebonden aan hun carbon fietsen en waren ze dus bij Pamir aangekomen, in Tadzjikistan, waar ze zich hadden aangesloten bij vier andere fietsers, twee uit de VS en twee uit Zwitserland.

Ik schrijf deze brief om René te herdenken want René was niet zomaar iemand. Hij was een man met verschillende functies in verschillende mensen hun levens. Dit waren voor sommige mensen saaie functies. Zo was hij in de ogen van sommigen een meester, of een chef-kok of een therapeut of een gewone pleegvader. Maar René was slim. Hij paste alles aan aan de situatie waarin hij zat. Zo bleef René altijd kalm, hij zocht geen gelijk maar een oplossing of een antwoord. En zo was René geen meester maar je beste vriend die je hielp met je huiswerk en zo was René geen chef-kok maar de mede-kok, die je zelf de fouten liet ontdekken (en dan aangaf dat hij zelf wel wist hoe het moest). Zo was René geen therapeut maar iemand die neutraal stond en niet zocht naar wie er gelijk of ongelijk had in een situatie maar zocht naar hoe hij het probleem kon oplossen. Wat René deed, is van zijn hobby’s echt iets maken. Zo maakte René bier en ging hij dat verkopen, zo hield René van fietsen en maakte hij hele lange fietstochten. Maar het allerbelangrijkste wat René anders deed: René was geen pleegvader, hij was een echte vader voor elk pleegkind. Dank je wel. J. (14)

Eén van de hoofdrollen in ons boek is voor de jongen die deze woorden uitsprak, beheerst, met trillende stem maar zonder haperingen. Hij sprak als laatste, nog na Renés vrouw, die ik maar gewoon zijn vrouw noem, ook al waren ze officieel niet getrouwd. Kort voor het ongeluk zich voltrok had René haar traditiegetrouw ten huwelijk gevraagd, iets wat hij eens per jaar deed, ongetwijfeld met dat zich verkneukelende glimlachje om zijn smalle mond, wetend dat ze net als elk jaar nee zou zeggen, maar toch weer op zijn knieën, een prachtig ritueel van aanzoeken, aandringen en samen gnuiven, ditmaal op een kale bergtop met uitzicht op die hoge hoogvlakte, de droom van elke wereldfietser; Pamir, waar je peddelde in ijle lucht op 4650 meter hoogte, over een pad dat zich nauwelijks een fietspad mag noemen, een route over grindstenen en afbrokkelende zandwegen, langs ravijnen die adembenemende vergezichten openen.

De fietsers keken verbaasd toen ze door een grijze auto werden afgesneden op de M41 die inmiddels alweer afdaalde naar Dushanbe. Ze hadden de kale vlakten met yaks en berggeiten allang achter zich gelaten. Het was de laatste dag van de route en ze waren euforisch, omdat het niet meer mis kon gaan. Door een eindeloze stroom van volgeladen pick-ups en auto’s met wapperde plastic hoezen op uitpuilende dakrails werden de fietsers af en toe in de berm gedrukt. Daarom leek het op het eerste gezicht een ongelukkige manoeuvre van het grijze busje. Maar toen stapten vijf jongens in wijde gewaden met tulbanden op hun hoofden uit en de terroristen stormden met grote vleesmessen in hun handen op hen af. Terwijl iedereen bevroor kwam Renés vrouw juist in actie. Ze liet haar fiets vallen en rende de weg op om auto’s tegen te houden. Als een gek waaierde ze over de weg, dan weer voor een motorkap dan weer voor een zijraampje. Achter haar werden haar vrienden aan het mes geregen, maar de auto’s gingen met een boogje om haar heen, chauffeurs negeerden haar gedreun op blikken daken en op hun met stof besmeurde ramen. Dus draaide ze zich toch maar om en keerde ze terug naar René die nu naast de weg op het zand stond, zijn wenkbrauwen hoogst verontwaardigd opgetild, hevig bloedend uit een diepe buikwond en ze zag hoe de voorste van de vijf aanvallers aanstalten maakte om opnieuw naar René te rennen om hem de genadeslag te geven en terwijl hij op hem afstormde viel zijn blik op háár en de man leek zich te realiseren dat zij nog ongeschonden was. De bloeddorst in zijn ogen vonkte, maar toen stopten er eindelijk wat auto’s en stapten er mensen uit die luidkeels in het Arabisch naar de terroristen schreeuwden. Daardoor aarzelden ze en hun leider, die het dichtst bij hun eigen auto stond, brulde enkele bevelen, de jongen die op Renés vrouw afrende met zijn van bloed druipende mes keerde om, liet haar ongemoeid en het volgend ogenblik scheurden de aanvallers in hun grijze Nissan er met piepende banden vandoor.

Toen ik het op de radio hoorde, wist ik het eigenlijk al. Toch hield ik de hele nacht obscure, vrijwel onleesbare Aziatische nieuwssites in de gaten en checkte ik Nederlandse kranten online. Vier doden, waaronder René, en een zwaargewonde. Tegen tweeën had iemand een onscherpe foto van de twee Amerikanen gepost. Ze waren herkenbaar aan de vlag met de 52 sterren waarmee hun fietstassen waren bedrukt. Prachtige sterke professionele lichtgewicht fietsen. Jonge mensen. Zijn haar leek nat te zijn, misschien van bloed. Hij was slank en sterk, het was te zien dat hij duizenden kilometers in de benen had. Zij was fragieler. Bruingezonde blote benen onder een korte fietsbroek, want het was tijdens de afdaling alweer warm geweest. Hun gezichten waren niet te zien. Ze lagen op hun buik naast en zelfs een beetje op elkaar en als ze nog hadden geleefd zouden ze stof hebben ingeademd.

Zelf hield ik de roze roos en aan Christine gaf ik de kleurrijke rastabloem op een brede steel. We waren mooi op tijd en konden een goed plekje voor onze bloemen uitzoeken. Zij koos de grond en ik de dichte kist. Waar René in moest liggen. De bloemen mogen bij René zei de gastvrouw bij binnenkomst. Dus daar moest hij wel zijn, in de gesloten kist. Maar was hij er eigenlijk wel? Misschien had zijn vrouw het onverantwoord gevonden hem nog langer boven de grond te houden in een stoffelijk omhulsel waar al zo ernstig mee was gesold zowel daar in Tadzjikistan als hier. Ik stelde me voor dat ze na al dat beschadigen, na al dat kapot maken en na al dat vernietigen, de reiniging door het vuur niet langer had willen uitstellen. En als René niet in de kist lag, dan had zijn vrouw met deze uitvaart een toneelstuk geschreven waar Beckett een puntje aan kon zuigen.

Christine kende René niet, maar had aangeboden met me mee te gaan naar de uitvaart. Normaal gesproken had ik vriendelijk bedankt. Een automatisme. Niemand nodig. Maar ik voelde me roekelozer dan normaal en zodoende betrad ik met een prachtige, stemmig geklede en rijzige vrouw aan mijn zijde de herdenkingsruimte.

Er was gekozen voor een gebouw met glazen wanden aan het water. In de uitpuilende zaal stonden we aan de zijkant. Ik keek naar het podium, luisterde naar muziek en naar sprekers, onderwijl mijmerend over de zeilboten in mijn gezichtsveld, op weg naar IJmuiden, van waar ik samen met René ruim 25 jaar geleden voor het eerst naar Engeland zeilde.

Die reis leverde een moment op dat we ons bij elke ontmoeting herinnerden zonder erover te spreken. We voeren terug naar Nederland met een woedende depressiewind schuin achter ons. Het laag bevond zich nog op afstand maar de fronttroepen hadden ons al bereikt. Golven torenden hoog boven ons uit als ze ons inhaalden en daarna onder het scheepje doorrolden. René nam ’s nachts de helmstok van me over. Het kwam erop aan. Een stuurfoutje was zo gemaakt en dan kon een klapgijp ons doen kapseizen. Op het moment dat hij, geschrokken door een suizende windvlaag en een sissende golf, de helmstok in een reflex foutief naar zich toe wilde trekken, legde ik mijn hand op de zijne. Zonder iets tegen hem te zeggen, in die kakofonie van water en wind was elk woord sowieso onverstaanbaar, nam hij mijn kennis over, mijn jarenlange zeilervaring stroomde naar zijn ziel en vond daar een haven. Urenlang bleef René daarna sturen zonder één foutje te maken, ondanks de storm en de zee die hem verleidden. Jaren konden we elkaar uit het oog verliezen, wat ook een paar keer is gebeurd, maar door deze ervaring was het onmogelijk elkaar ooit kwijt te raken.

Na een tijdje was de herdenking binnen voorbij en gingen we achter de kist aan naar buiten. De dragers plaatsten hem in een zwarte, open sloep die het water op voer onder heftig tromgeroffel van een clubje percussionisten waar René lid van was geweest. De kist was helemaal alleen aan boord, afgezien van de stuurman in zijn witte bloes die in het bootje als een gondelier aan de hoge helmstok stond. Onverbiddelijk en tergend langzaam namen het water en de horizon René mee. Ik draaide me om en toen bleek Christine pal achter me te staan en ik drukte mijn zilte gelaat in haar hals, hield mijn handen tegen haar ranke rug.

Bijna allemaal waren ze erbij, in dat glazen gebouw aan het water, de kinderen die door René en zijn vrouw waren opgevangen in hun tienjarige crisispleegzorg voor pubers. Laat maar komen. Zo heet het boek dat een paar maanden na zijn dood is verschenen. Wat zou hij trots zijn geweest als hij het boek echt in handen had kunnen houden. Van al zijn endeavers was dit schrijverschap misschien wel het meest gewilde en ook het moeilijkst bereikbare. Zijn talent om verhalen te vertellen was groot. Hij had een eigen, herkenbaar vocabulaire. Maar van stijl en opbouw had hij minder verstand. Dat wist hij zelf. Dus vroeg hij mij om hem te helpen. Zo kwam het dat ik zijn ruw op het papier gegooide teksten ombouwde en van een kop en een staart voorzag, waarna hoofdstukken ontstonden en we lang spraken over de volgorde en de opbouw van het boek. Vanzelfsprekend koos hij voor chronologie, van het eerste tot het laatste pleegkind. Maar ik wilde met vuurwerk beginnen; het moment waarop een van hun pleegkinderen een project X dreigde te veroorzaken, op het laatste moment voorkomen door een politiecharge op de smalle gracht. Niemand kon dat verhaal zo lekker nonchalant vertellen als Pol, maar zijn woorden konden niet verhullen dat ze door het oog van de naald zijn gegaan.

Natuurlijk spraken we over literatuur als we ons te verschijnen boek alvast in bier doopten. Beckett speelden we graag na. Ik zei: ‘Ze vergeten.’ René antwoordde: ‘Ze kletsen.’ Ik: ‘Ze denken.’ Hij: ‘Ze struikelen. Ze vallen. Ze staan weer op.’ Ik weer: ‘Ze vergeten.’ Hij: ‘Waarom kunnen we niet verder?’ Ik: ‘Omdat we wachten op Godot.’ En dan was het even klaar en keken we elkaar genietend van deze taaldans aan.

Of Murakami. Er kon geen ontmoeting zijn zonder dat René en ik over hem spraken. Zijn bewondering voor de grote Jap was zo groot dat hij zichzelf als het ware in een verhaal van de meester wrong. In zijn blog beschreef hij hoe zijn vrouw in Thailand op de fiets werd bezocht door een innerlijke hond die haar uitputte omdat ze niet kon stoppen met blaffen, totdat ze een imposant Boeddhabeeld passeerde terwijl ze afdaalde van een hoge berg en het amechtig gekef kennelijk overging op het beeld, want daarna was het over. Op een uitloper van de Tibetaanse hoogvlakte haalde het hardnekkige dier hen weer in. Ditmaal in de gedaante van een onzichtbare hellehond die ’s nachts om hun tentje sloop onderwijl grommend, kwijlend en diep blaffend; een Mastiffe moest het zijn geweest, schreef René omdat hij het dier de volgende dag in de verte zag lopen, in staat twee mensen levend te verscheuren.

Later op de reis, inmiddels waren ze ver in China, zag René iets in het kreupelhout langs de weg, iets wat hij in zijn blog omschreef als een warrelende kip maar wat een jonge koningsarend bleek te zijn. De wilde vogel was jong en verlaten en zat vast tussen de takken van dichte struiken, waarschijnlijk na een eerste glijvlucht vanaf het hoge nest geland op een plek waar het dier normaal gesproken ten dode zou zijn opgeschreven. Maar René roept tegen zijn vrouw dat ze even moet stoppen. Hij stapt af, zet zijn fiets op de standaard, schrijdt het dichte groen in en haalt het dier tevoorschijn. Met de jonge arend in zijn armen, scherpe snavel en priemende ogen recht vooruit, komt hij terug. In een bizarre premisse van de latere ramp gaat zijn vrouw vervolgens midden op de weg staan om een auto aan te houden. Eerst rijden ze allemaal door. Maar dan stopt iemand. In gebarentaal bieden René en zijn vrouw de vogel aan, wetend dat in dit berggebied een levende koningsarend veel waard kan zijn. Even later zitten ze weer op de fiets en rijdt voor hen een auto met een jonge, bloedlinke en levensgevaarlijke arend op de achterbank.