John stond op van de bank en schoof het gordijn een stukje opzij. Verwachtingsvol keek hij uit het raam, alsof Kurt daar buiten ineens zou kunnen opduiken. De Audi stond op de oprit. Ondanks zijn bezorgde gemoed genoot hij van de aanblik van zijn auto in het lantaarnlicht, de zilveren raamomlijsting, de grote wielen, de smalle achterlichten. Misschien moest hij zijn zoon gaan zoeken? Een beetje rondrijden? Waar te beginnen?

Was er ergens een feestje bij iemand die alleen thuis was, terwijl de ouders daar niets van wisten? Misschien was de jongen voor het eerst dronken. Ach, zo erg was dat niet. Als hij maar terugkwam, op zijn minst iets van zich liet horen. Het was al zo laat dat er zelfs niemand meer op straat liep voor een avondronde met een hond. De meeste huizen waren donker.
Toen John voor de zoveelste keer naar Kurts telefoon had gebeld en opnieuw bot ving, was Saskia naar bed gegaan. Ze was moe. Hij ook, maar hij vond dat er iemand moest zijn als Kurt eindelijk thuis zou komen. Dus was hij op de bank blijven zitten, lusteloos had hij in de laatste tekeningen van het nieuw te bouwen ziekenhuis gebladerd en nog wat uit het raam gekeken. Nu pakte hij de afstandsbediening van de televisie. Misschien zat er op Duitsland nog een late film. Peinzend keek hij naar de knopjes met getallen en symbolen. Twaalf keer sloeg de moderne staartklok. Dwangmatig telde hij mee en daarna belde hij toch nog maar een keer.
Misschien een fles wijn open maken? Vrijdagavond. Waarom niet? Het wijnrek stond onder de klok. Toch deed hij het maar niet, om te voorkomen dat hij straks lallend een preek moest houden.
Hij keek naar de plavuizen vloer, die had er al in gelegen toen ze dit huis kochten. In de zithoek lag een door Saskia zorgvuldig uitgekozen, handgeknoopte Berber uit Marokko. Aan de muur hing haar wandmeubel, van degelijk hout, eiken gefineerd. Dat meubel had ze al toen ze nog alleen woonde en was nu twee keer met hen meeverhuisd, eerst naar het rijtjeshuis waar ze woonden toen Kurt werd geboren en nu ook naar hun twee-onder-een-kapper. De snuisterijen die op de planken stonden, hadden plaatsgemaakt voor zijn boeken. Dat wel. Toch was hun huis nog altijd doordesemd van de Saskia-sfeer met haar kussens in de bank, de groen geverfde blinde muur, haar oude eettafel, haar pannen in de keuken en haar servies. Alleen de bank waarop hij zat hadden ze samen uitgezocht, de velours gordijnen ook.
Misschien iets te eten pakken? Hij gaapte, legde zijn hoofd op de leuning, vroeg zich af of Saskia boven al in slaap was gevallen en wreef over zijn slapen. Toen zijn zoon twee jaar geleden de baard in de keel kreeg was het alsof zijn lichaam plotseling werd bewoond door een ander, een vreemde, een onbekende heremiet die een nieuw pantser had gevonden. Nog altijd schrok John een beetje als hij zijn zoon hoorde praten, terwijl hij vroeger zo’n mooi hoog stemmetje had…
‘Papa, wat is dat?’ ‘Da’s een wasstraat voor koeien’, antwoordde John. Zijn zoontje keek geboeid naar de houten stellage in de wei, vlak naast de smalle en korrelige asfaltweg. Daarnet was het gewoon een gebouwtje met stalen buizen en kunststof teilen, waar koeienpoten het gras kapot hadden getrapt, nu leek het alsof Kurt voor zijn geestesoog de ene koe na de andere in een mooie, dunne rij door dit houten tunneltje zag lopen. ‘Vertel straks maar aan mama: met stront aan de staart erin, schoon er weer uit,’ zei John. Hij trok de bolderkar in beweging en riep zacht: ‘Kijk een helikopterlibel.’ Hij wees naar een lichtblauw, niet al te groot exemplaar boven de sloot tussen weg en wei. Het diertje verdween soms tegen de groene achtergrond om dan weer tevoorschijn te komen op een scheutje zonlicht boven de lage horizon van dit landschap, waar ze bij een boer kampeerden. Elke dag trokken ze er samen op uit. Als een vorst toonde John hem in zijn bolderkar aan het volk. Nederige dienaar noemde hij zichzelf als Kurt moest instappen en dan maakte hij een buiging. Onderweg stelde Kurt duizend vragen. Het zeer zeldzame bruinbuikje, zei John als Kurt wilde weten wat dat voor vogel was. Of de geheime groene sprinkhaan, het krinkelende waterding, de onaanraakbare geelzwarte tor, de nooit landende zwartkraai. En die keer dat er kraaien in het weiland zaten, deed hij heel verbaasd. Alsof zij samen de eersten waren die hadden gezien dat die nooit landende zwartkraaien toch op hun pootjes konden staan. Kurt lachte om dit soort dingen, alsof hij wel wist dat zijn vader hem voor de gek hield, maar het toch ook een beetje wilde geloven. John was een zandpad ingeslagen en had een stokje uit de grond zien steken. ‘Wacht’, had hij gezegd. Hij was er naartoe gelopen en had gedaan alsof hij met al zijn kracht probeerde er beweging in te krijgen. Hij gromde van de inspanning. ‘Het is een wichelroede’, zei hij. ‘Een soort toverstok. Probeer jij het eens.’ Kurt was met zijn gipsen poot uit de bolderkar geklommen en naar het stokje gehinkt. Hij had zich gebukt en zich schrap gezet, maar toen hij aan de wichelroede trok, viel hij van de weeromstuit op zijn kont en moest hij heel hard lachen. John ook. Kurt vond het heel gewoon dat zijn been af en toe vanaf de knie in het gips zat. Dat was om zijn been recht te laten groeien, wist hij. Er zaten plakplaatjes van dino’s op het gips.
Omdat hij pijn in zijn nek kreeg, ging John toch maar naar boven. Hij poetste zijn tanden, kleedde zich in de badkamer uit en sloop de slaapkamer in. Blind omzeilde hij de hindernissen van kledingkast, dressoir en stoel. Zo te horen, sliep Saskia. Zelf viel John in een slaap die geen naam mocht hebben, net zo licht en onrustig als wanneer hij ’s morgens heel vroeg op Schiphol moest zijn. Toen de telefoon ging, hoorde hij het meteen. Saskia niet. Zij had oordopjes in en merkte het pas toen hij het lampje naast zijn bed aanklikte.
‘John Balder.’
‘Niet schrikken, meneer Balder. Politie. Uw zoon is bij ons.’
Saskia zat rechtop in haar oude, half versleten nachtjapon. Ze verwijderde de dopjes uit haar oren, sloeg haar armen om haar buik en keek strak voor zich uit.
Het ging om lelijke geweldpleging, er was geschopt en geslagen, er waren kapotte flessen bij betrokken, Kurt was zelf niet gewond, zei de agent aan de lijn, godzijdank, maar hij was wel een van de hoofdverdachten. Straks vanaf negen uur waren ze als ouders welkom op het bureau en het werd aangeraden om na te denken over een advocaat.
John zette de telefoon terug in zijn oplader op het nachtkastje. Hij had drie vaste telefoons, eentje in de slaapkamer, eentje op zijn zolderwerkkamer en beneden het basissysteem. Ze waren draadloos met elkaar verbonden en deelden onder meer het adresboek dat gemakkelijk van de ene naar de andere telefoon kon worden gekopieerd. Siemens was het beste merk voor dit soort telefoons volgens de Consumentenbond. Na Siemens droegen zijn hersenen onaangekondigd het woord Grohe aan, het merk dat Saskia had uitgezocht voor een nieuwe douchekop, net zoals ze na hun huwelijk de Auping wilde hebben, waarin ze nu lagen, zaten eigenlijk, met de witte ombouw en de bijbehorende nachtkastjes, het bed waarin Kurt geboren had moeten worden.
‘Nou, vertel je nog wat er is gebeurd?’ Saskia’s stem klonk hard in de stille slaapkamer. Ze keek hem geïrriteerd aan.
‘Sorry. Hij zit in een cel. Politiebureau Schagen.’
Nu had hij het zelf gezegd. Hardop. Het leek alsof zijn woorden de zuurstof uit de slaapkamer trokken. Saskia draaide haar hoofd weg en trok het dekbed hoger op, tot aan haar kin.
‘Waarom? Wat…’
‘Hij schijnt geschopt en geslagen te hebben. Geweld. Wat zei-die nou? Lelijke geweldpleging.’
‘In een cel? Alleen?’
‘Weet ik niet. Ik denk het wel. Of misschien ook niet.’
‘Hoe is het met hem?’ Saskia liet het dekbed los en ze begon met beide handen door haar dikke, donkere haar te woelen. Ineens legde ze haar hand op zijn arm. Door dat onverwachte gebaar kon John weer ademhalen.
‘Niet gevraagd’, realiseerde hij zich.
‘In ieder geval is hij niet meer verdwenen. Hij is veilig bij de politie.’ Saskia dacht hardop. Ze begon het beeld te vormen. Het zou niet lang meer duren, wist John, totdat ze praktisch zou worden, totdat ze oplossingen zou zoeken. Diep in haar hart was ze nog altijd de montere, daadkrachtige verpleegkundige op wie hij verliefd was geworden, ook al had ze daarna psychologie gestudeerd en werkte ze nu als therapeut in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg.
‘Ik wil naar hem toe. Ik wil hem zien. Hij moet hartstikke bang zijn,’ zei ze.
‘Om negen uur mogen we ons melden. Op het bureau in Schagen.’ John keek op het amberkleurige display van de Siemens. ‘Dat is over vier uur.’
‘Hoezo dan pas? Waarom zit hij helemaal in Schagen? Hoe kan dat? Is dertig kilometer verderop.’
‘Vijfentwintig. Denk ik.’
‘What ever. Heeft hij iemand geschopt met zijn zware schoen? Met die stalen neus? Dat zal toch niet waar zijn?’
Zacht sissend sloop een gedachte het bed in, de gedachte aan hun kind die andere kinderen verwondde, zo’n verbeten vechtertje met een grote bek. John probeerde dat beeld te verjagen door te denken aan het jochie dat blijmoedig op zijn gipsen beentje had rondgescharreld, zonder zijn lot te bevragen, hij wist niet beter, het was een vanzelfsprekendheid, net als plassen en poepen, net als de gapende wisselgaten in zijn gebit en melktandjes onder het kussen. Later reeg hij zelf de veters van zijn hoge schoen dicht, de dikke veters van die zwarte, lompe schoen die in de plaats was gekomen van het gips toen duidelijk werd dat het door zuurstofgebrek geplaagde been Kurts groei niet bij kon houden.
Hij dacht aan de haast waarmee ze uiteindelijk hals over kop naar het ziekenhuis hadden gemoeten, aan Saskia die te hard had moeten persen, aan Kurt die zich heftig had verzet tegen zijn geboorte maar aanvankelijk geen schade leek te hebben opgelopen.
‘Als het toen toch anders was gegaan’, zei hij zacht.
Saskia sloeg het dekbed opzij en stond op. Ze deed het grote licht aan en wilde de kamer uitlopen, in de deuropening bleef ze staan, ze draaide zich om en toen ze sprak had ze tranen in haar stem. ‘Dat moet je niet zeggen. Dat is gemeen.’

Het politiebureau in het provinciestadje verschool zich achter betonnen gevelplaten tussen blauwgeverfde stijlen. Het had geen deur maar een pui die zoemend openging en toegang gaf tot een hal met een harde vloer. Aan de zijkant stonden stoelen tussen vingerplanten in grote potten, zoals bij de entree van Johns ziekenhuis, maar de balie was hier beschermd met plexiglas en de blauwe deuren naar achteren hadden ronde, patrijspoortachtige ramen die ondoorzichtig waren.
Aan de muur boven de receptie hing een ronde klok die bijna negen uur aanwees. De secondewijzer cirkelde geluidloos. De minutenwijzer wipte naar het volgende streepje en John verbeeldde zich dat hij het sprongetje kon horen. Hij had bij de agent achter de balie geen poot aan de grond gekregen. Ze mochten Kurt niet zien. Naast hem deed Saskia nu een stap naar voren.
‘Dat we hem konden meenemen. Is mijn man verteld.’
‘Moet een misverstand zijn.’
‘Waar is hij? Vertel ons dan in ieder geval waar hij is.’
‘Hier, dame. Hij is hier.’ De man droeg een spencer over zijn uniformblouse en als hij zijn hoofd bewoog wiebelde zijn onderkin er achteraan.
Achter de balie ging één van de klapdeuren open en een magere vrouw in uniform kwam de entreehal binnen. ‘Meneer en mevrouw Balder?’ Ze nam hen mee naar achteren waar verplaatsbare schermen, kantoorplanten en archiefkasten rommelig door elkaar heen stonden. De vrouw liep zo hard dat Saskia en John haar nauwelijks bij konden houden. In een vierkant hok hield ze stil. Daar namen ze met zijn drieën plaats aan een lege formicatafel. Elders in de kantoortuin rinkelden telefoons en ratelden printers. Stemmen bleven vanuit de verte steken in een bassige grondtoon. John dacht aan de afdeling personeelszaken in het nieuw te bouwen ziekenhuis, waar men ook ongeveer op deze manier zou worden gehuisvest, maar waar ze gelukkig geen uniformen droegen. Op de smalle heup van de dame prijkte een portofoon, een wanstaltige knuppel en natuurlijk het pistool in zijn foedraal.
‘Zolang uw zoon weigert met ons over het geweldsincident te spreken, blijft hij in afzondering. We kunnen hem drie dagen vasthouden. Daarna moet de rechter-commissaris ernaar kijken.’ Haar blik switchte de hele tijd tussen Saskia en John, alsof ze een tafeltennispartij volgde. Nu keek ze naar het folderrek dat tegen de afscheidingswand leunde en ze haalde er een brochure uit. Slachtofferhulp, las John.
‘Krijgt hij een advocaat via de politie?’ vroeg Saskia. ‘Of moeten wij dat regelen? Wij zijn hier zo vlot mogelijk naar toe…’
‘Uw zoon heeft al naar de heer Snel gevraagd.’
Saskia en John keken elkaar aan.
‘Dat is dan ook weer opgelost’, zei John, maar hij deed niet eens moeite om het geestig te laten klinken.
‘Kan er een misverstand… Ik bedoel… Kurt is met zijn voet misschien per ongeluk…’ Saskia ging voorover zitten, met haar armen op tafel gevouwen, als in een schoolklas.
‘Mevrouw, ik kan u vertellen dat er camera’s hingen en dat de beelden weinig aan de verbeelding overlaten.’
‘Waarom houden jullie hem dan vast?’ John besloot uit een ander vaatje te tappen. ‘Kurt mag dan wel een advocaat hebben genoemd, maar dat kan ik ook. Als het moet vandaag nog. Jullie isoleren een minderjarige zoon van zijn rechtmatige ouders. Dat is krankzinnig. Een joch van vijftien in de cel stoppen. Misschien nog drie dagen. Hoe kunt u? Waar haalt u het recht vandaan?’
De vrouw stond op en liep weg zonder iets te zeggen. Ineens was het vierkante hok gekrompen tot een plekje in een doolhof waar Saskia en John verkrampt op hun stoel zaten, niet bereid te vertrekken, ook niet om te blijven en evenmin in staat om zich te oriënteren.
Ze was snel terug en droeg een laptop onder haar arm. Nu pas stelde ze zich voor. ‘Harrie’, verstond John. Saskia meende dat ze ‘Carrie’ had gezegd. Maar toen ze later het proces verbaal lazen, bleek ze haar achternaam te hebben genoemd: ‘Starren’. Of de heer en mevrouw Balder er bezwaar tegen hadden. Niet? Dan ging ze het filmpje laten zien. Ze wilde hen vragen goed te kijken welke jongens in beeld kwamen.
Beelden stolden in Johns brein tot een schifting van grijze nachtstraten en zwarte spookgestalten. Hij had slechts vage herinneringen aan het moment waarop hij samen met zijn vrouw naar de laptop van inspecteur Starren keek, hij wist nog dat het scherm twee groepen jongens toonde die hij niet kende. Jongens die hij nog nooit had gezien en die zonder enige zichtbare aanleiding op elkaar insloegen. Hij moest hebben geregistreerd dat zijn eigen zoon daar bij was en meedeed alsof hij nooit iets anders had gedaan, in en uit beeld verdwijnend al naar gelang de camera draaide of haperde. Ondanks de grote capuchon op Kurts hoofd had hij het silhouet van zijn zoon herkend. Ook Saskia moest hem hebben herkend, bewegingloos zat ze op haar stoel, net zo bevroren als hij, net zo ongewoon stil.
Wat er daarna gebeurde is zo mogelijk nog meer vervaagd. Waarschijnlijk is hij groggy opgestaan, misschien tegelijk met Saskia, misschien ook niet. Ongetwijfeld hebben ze handen geschud, hun weg door de kantoortuin gezocht, opnieuw achter de smalle gestalte van de vrouw aan, die haar laptop waarschijnlijk op tafel had laten staan en hen uitgeleide deed, langs de balie en de agent in zijn spencer, naar buiten door de zoemende pui van glas, waar ze over het trottoir naar Johns auto moeten zijn gelopen.

De motor van de Audi sprong aan, net als de parkeersensoren die piepten als gekken want hij stond dicht tegen de muur aan, zoals altijd achteruit ingeparkeerd. Met de automaat in drive gaf John gas en hij reed het kleine parkeerterrein af. Even later draaide hij de provinciale weg op. De richtingaanwijzer tikte beschaafd, met een soort echo erin, klik-klak, klik-klak. Op deze vroege zaterdagmorgen was er niet veel verkeer. Koffie, de behoefte aan koffie drupte van zijn gedachten naar zijn gehemelte en onwillekeurig zochten zijn ogen naar een benzinestation totdat John zich realiseerde dat het maar een kwartiertje rijden was. Naar huis. Behalve koffie droeg zijn brein ook gevulde koeken aan, brownies, appeltaart met rozijnen en slagroom.
Dit zou bekend worden. Straks stonden er initialen in de krant, of, nog erger, het filmpje kwam online. Negenenveertig jaar was hij en meneer de directeur kon zijn eigen gezin niet eens managen, dat zouden ze zeggen in de medische staf, in de raad van bestuur. John keek opzij naar Saskia, een snelle peiling. Haar linkerschouder was naar voren gedraaid en ze keek van hem af, uit het portierraam. Aan een glimp van haar wang had hij genoeg.
‘Er hadden wel dooien kunnen vallen’, zei ze. Nu begon ze inderdaad te huilen, ingehouden, snikkend en slikkend, totdat ze zich plotseling in de gordel draaide, en met een hand door haar ogen veegde. ‘Als we hem hadden laten testen, was dit nooit gebeurd.’
‘Ja’, zei John. ‘En nu is het te laat.’ Even keek ze verbaasd, zag hij in een snelle blik.
‘Ga je nou godverdomme grapjes maken? Je hebt het toch ook gezien…’
‘Ik wil niet over dat filmpje praten.’
‘Alles is opgenomen, je kunt er niet meer omheen John.’
Wat dacht ze nou? Dat het zijn schuld was? Omdat hij hem niet vol pillen had laten stoppen, omdat hij had geweigerd hem naar een tehuis te sturen, omdat hij nota bene geprobeerd had hem op te voeden als een joch dat steun nodig had en vertrouwen in plaats van diagnoses, therapie en…
‘Rijd niet zo hard. Moeten wij ook nog dood?’
John nam gas terug. Hij hield van zijn nieuwe auto, die hij strikt genomen niet nodig had, maar hij kon nou eenmaal in deze categorie rijden sinds hij het projectteam voor de nieuwbouw van het ziekenhuis leidde. ’s Morgens ging hij eerder weg dan Saskia en ’s avonds was hij later thuis, zodat de Audi op de oprit vooraan stond, met de neus naar de straat. Saskia nam nooit de moeite haar kleine Mazda achteruit de oprit op te rijden. Zij parkeerde om thuis te komen, John om te vertrekken.
Kurt vond de nieuwe wagen fantastisch, maar toen hij er lucht van kreeg dat ze op termijn wilden verhuizen naar de Driehoek om wellicht een vrijstaand huis te kopen, dreigde hij de lak met een scherpe steen te lijf te gaan, wat door John werd opgevat als een flauw grapje. Bij Saskia was dat dreigement recht het verkeerde keelgat in geschoten en ze was later, toen Kurt in bed lag, boos geworden omdat John schaapachtig had gelachen en niet had opgetreden. Daar kwamen haar verwijten altijd op neer.
Nu reed de Audi tachtig op de strakke tweebaansweg, langs het kanaal, een weg met een dikke, witte streep in het midden, die daar was getrokken omdat hier te vaak werd ingehaald terwijl het eigenlijk niet kon. John zette de cruisecontrol aan. ‘Er is niemand dood’, zei hij.

Nog voordat hij de handrem had aangetrokken, stapte Saskia uit. Ze liep om de garage heen naar de achterdeur. Op het dashboard gaf het cijferklokje aan dat het tien over elf was. De krant moest allang zijn bezorgd, dacht John. Op zaterdag kon hij zich uren verliezen in de vele katernen die hij altijd in dezelfde volgorde las, eerst het nieuws en de sport, dan het vervolg, reizen, wetenschap en tot slot boeken, de hoge pagina’s voor zich op de keukentafel.
John stapte uit, drukte op de afstandsbediening, hoorde zijn auto gehoorzaam bliepen en liep naar de groene brievenbus aan het begin van de oprit. Werktuigelijk groette hij de stapvoets langsrijdende buren van verderop in de straat. Zij hadden al vroeg boodschappen gedaan. Dat zullen ze ook van hem en Saskia denken, bedacht hij. Niemand zou op het idee zijn gekomen dat ze net terug waren van het politiebureau in Schagen, waar Kurt als de eerste de beste misdadiger in een cel zat.
Was het verkeerd geweest om met hem naar de Godfather te kijken, dacht John terwijl hij om de garage heen liep, op weg naar de achterdeur. Wanneer was dat ook alweer? Een paar weken geleden? Op het moment zelf had John er geen been in gezien en ook Saskia had meegekeken, hoewel ze halverwege afhaakte en naar bed ging toen de heetgebakerde Sonny Corleone in zijn twaalfcilinder Lincoln Continental Coupé aan stukken werd gereten door een kogelregen uit klassieke filmmachinegeweren met zo’n ronde trommel; ratatatata.
Met z’n tweeën op de bank hadden ze daarna een mooi vader/zoon-moment gehad, dacht John toen. Hij had een extra glas wijn genomen en Kurt mocht nog eens cola inschenken en toen Michael Corleone na de moordaanslag op zijn vader over ging naar het kamp van zijn maffiose familie en met enkele schoten de aanslagplegers omlegde, hadden ze elkaar lachend aangekeken en samen triomf gevoeld.
Hij had de film voor het eerst in de bioscoop gezien, ergens halverwege de zeventiger jaren van de vorige eeuw. Hij was toen iets ouder dan Kurt nu en kon zich goed herinneren hoe geschokt hij was door de scène met dat afgehakte paardenhoofd, dat schitterende, edele dier, het lievelingspaard van de filmproducer die een aanbod afsloeg dat niet geweigerd had mogen worden.
‘Wow’, zei Kurt toen de man ’s morgens wakker werd en merkte dat hij in een met bloed volgezogen bed lag. En toen het paardenhoofd in beeld kwam: ‘Vet.’
Bij de beroemde doopscène, als de familie Corleone orde op zaken zet en de ene briljante wraakmoord na de andere tot stand komt, had Kurt geen oor voor de plechtige kerkmuziek, maar riep hij ‘lekker voor je’, elke keer dat een tegenstander van de Corleones in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest werd afgemaakt. Met schitterende ogen ging hij daarna naar bed. John zag het ongemakkelijk aan. Hij herinnerde zich dat hij indertijd de bioscoop net zo opgewonden had verlaten.

Ook Jonathan Snel had die ondefinieerbare oogopslag waarmee strafpleiters andere mensen declasseren, althans zo leek het toen John boven op zijn zolderwerkkamer naar diens foto op internet keek. Na nog een paar muisklikken vond hij het telefoonnummer.
Al was het inmiddels zaterdagmiddag, er werd opgenomen en toen John zich had voorgesteld, bleek dat de man zijn belletje had verwacht, want hij was ’s ochtends bij Kurt op het politiebureau geweest. Hij gaf zijn kantooradres. Het kantoor van Snel bleek net buiten de stad aan het kanaal te staan. John was er weleens langs gereden zonder het echt te zien, zo’n verbouwde molen zonder wieken, rond en hoog.
Saskia wilde niet mee. Net zoals de hypotheek en de verzekeringen vond ze dat dit zijn verantwoordelijkheid was. Praten met advocaten hoorde bij zijn vak en absoluut niet bij het hare. Hij sprak hun taal, zij niet. John had het erbij gelaten en was in zijn auto gestapt.
De parkeerplaats naast de voormalige molen was verhard met gruis, alsof de molenaar ooit kalk had vermalen in plaats van graan. Er stond een Porsche 911 Carrera, bruin met kalfslederen stoelen en met dubbele uitlaten onder een hoerige, rode lichtbalk. Verder was de parkeerplaats leeg. In de berm scharrelde een vale zwartkraai. John glimlachte spijtig.
Jonathan Snel leek op zijn foto, maar was in het echt blozender en zijn wenkbrauwen hadden een rossige gloed, net als zijn blonde haar. Hij nodigde John uit tegenover hem plaats te nemen aan een lange, ruwhouten tafel, gezaagd in de vorm van een oude molenwiek. Ze zaten op de derde verdieping.
‘Hoe gaat het met hem?’ Na koffie op tafel en een kort praatje voor de vaak (oude molen, uitzicht) kon John eindelijk deze vraag stellen.
‘Hij houdt zich groot.’
‘Hoe zag hij eruit? Heeft hij een beetje geslapen? Heeft hij… het nog over ons, over thuis gehad?’
‘Nou, hij wilde vooral weten wat ik voor hem kan doen.’
‘Ik ook. Wij ook. Kunnen ze hem echt vast blijven houden?’
‘Ze moeten wel. Hij is de enige die ze hebben. De andere jongens
liepen harder.’
Het besef beukte op John in alsof hij tegen een muur liep. Dit had de politievrouw niet laten zien, een jongen in het nachtlicht die probeert weg te komen, trekkebenend met zijn horrorvoet, terwijl zijn vrienden om hem heen wegspuiten in soepele galop. Grote kerels in uniformen sluiten het kreupele joch in en slaan hem hardhandig in de boeien. John kijkt naar de advocaat.
‘Ja. Ze hebben hem achtergelaten, met zijn houten poot. Ik zeg het maar zoals het is, meneer Balder. Zo gaan die dingen. Tot aan het moment suprême hebben die knullen de mond vol van kameraadschap, maar als het erop aankomt, laten ze hun manke vriend in de steek.’
John sloeg zijn ogen neer. Het bleef een tijdje stil. ‘Ik heb hem gezegd dat hij erop moest slaan als hij gepest werd’, zei hij zacht. ‘Was dat verkeerd?’
Jonathan Snel stond op om voor beiden een glas water in te schenken. Ze bevonden zich hoog boven lang geleden ingepolderde grond en ze keken uit op het brede kanaal dat zich tussen stroken van kreupelhout en wilgentenen uitstrekte en tegen de stalen, geribbelde oeverbescherming klotste. Een harde wind geselde het water dat hier en daar wit opkrulde.
‘Waarom doet u dit?’
‘Doe ik wat?’
John wees op zichzelf en gebaarde daarna naar het kanaal dat richting Schagen ging.
‘Ah’, zei Snel. ‘Het begon ooit met een van de jongens van mijn voetbalteam. Ik coach ze, altijd op zondagochtend, morgenochtend weer, als het niet afgelast wordt. Had ergens ingebroken, die gek. Gewoon voor de lol. Ouders geld zat. Toch doen sommige jongens dit soort dingen. Rechters en officiers begrijpen daar geen reet van. Dus dan geef ik wat tegengas en let erop dat het netjes wordt afgewikkeld. Een taakstraf, voorwaardelijk het liefst. Ik denk dat ze er met elkaar over praten, die jongens, want ik word vaker gebeld.’
‘Uw honorarium, uw tarief moet voor de meesten hoog zijn, veel te hoog…’
‘Voor u niet? Nee, grapje. Maakt u zich geen zorgen. De overheid betaalt als ze minderjarig zijn. Er is een standaard vergoeding die ik gewoon kan aanvragen. Misschien dat u een kleine eigen bijdrage moet betalen, maar meestal factureer ik dat niet eens. Zie het als mijn maatschappelijke bijdrage.’
‘Een taakstraf? Voorwaardelijk?’
‘Dat wordt voor Kurt moeilijk. Zeker als hij niet meewerkt met de politie.’
‘Hoe bedoelt u, dat hij niet meewerkt?’
‘Ik heb hem geadviseerd de namen van zijn vrienden te noemen, de jongens die hem in de steek lieten, de helden die op het filmpje staan.’
‘Hij… Ik, wij hebben het filmpje gezien… Kurt doet… ook mee.’
‘Ja. Het is niet best.’
‘Maar, waarom vertelt hij die namen niet?’
‘Omertà, meneer Balder. Die jongens kijken te veel films. Ze idealiseren…’
‘De maffia?’
‘Ja.’
John beet op zijn lip. De strafpleiter keek hem aan met zijn ondoorgrondelijke advocatenblik.
‘Dus uw zoon beroept zich op zijn zwijgrecht. Misschien hebben die jongens dat onderling afgesproken. Als een van ons wordt opgepakt, zal hij nooit een van de anderen verlinken. Zoiets.’
‘Ze hebben hem in de steek gelaten. Omdat hij niet kan rennen.’
‘Dat is onze logica. Niet de hunne. Ik denk dat uw zoon erg bang is dat hij zijn vrienden kwijtraakt.’
‘Dus wat…’
‘Dat zeg ik net. Ik heb hem geadviseerd toch gewoon te praten. Anders zet de politie het filmpje online, net zoals ze een tijdje geleden met die Eindhovense kopschoppers hebben gedaan. Die jongens zijn de rest van hun leven de lul. Komen daar nooit meer vanaf.’
‘Wat zei hij?’
‘Dat hij een ander advies verwachtte van zijn consigliere.’
‘Wat?’
‘Grapje. Nee hoor. Hij wil er over nadenken. Maandag ga ik terug naar het bureau om met Kurt te praten en ik geef u op een briefje, hij gaat meewerken. Hij is slim zat. Dat joch zit volgens zijn eigen normen en waarden in een enorme squeeze. Maar uiteindelijk zal hij zijn knopen tellen en snappen wat het beste is. Maandagavond kunt u hem ophalen. Het zou me verbazen als het anders loopt.’
John stond op omdat Jonathan Snel dat ook deed. Ze schudden handen en liepen naar de trap die van boven naar beneden kronkelde, zonder op een van de verdiepingen te stoppen. Buiten was het gaan regenen, zag John.
‘Hiermee is de kous niet af, meneer Balder’, zei Snel toen ze bij het trapgat waren aangekomen.
John trok automatisch het directeursgezicht waarmee hij tot nu toe alle tegenslagen in de nieuwbouwplannen van het ziekenhuis had kunnen opvangen.
‘Houd er rekening mee dat de Raad voor de Kinderbescherming zich met u en uw gezin gaat bemoeien. Kurt zal verplicht worden onderzocht door een psycholoog of een psychiater en u en uw vrouw zullen ook worden opgeroepen voor gesprekken. In het ergste geval benoemt jeugdzorg een voogd voor Kurt die bepaalde beslissingen mag nemen.’
‘Ik hoor wat u zegt’, antwoordde John en hij stapte op de trap.

Klonk de bel? John was net thuis na zijn bezoek aan de strafpleiter, had zijn jas aan de kapstok gehangen en zat besluiteloos aan de eettafel, twijfelend tussen wijn en thee, tussen kaas en boterkoek. Op deze zaterdag die zich aan alle kanten buiten de gebaande paden had begeven, begon het doodnormaal schemerig te worden. Hij keek naar de nog dichtgevouwen ochtendkrant, vond het ongepast om daar nu in te gaan lezen, want Saskia was boven en kon elk moment opdagen. Ze had hem beslist thuis horen komen, maar ze liet zich nog niet zien. Moest hij haar vertellen dat ze eindelijk haar zin zou krijgen en dat Kurt nu dan toch getest zou worden? Dat ze allemaal aan de beurt waren? Zou ze triomfantelijk reageren? Of… Hij kon het niet laten met een schuin gehouden hoofd wat koppen te snellen.
Weer meende hij de bel te horen. John stond op, opende de deur naar de hal en liep over de plavuizen vloer naar de voordeur. Er stond niemand op de stoep. Om zeker te weten dat hij zich vergistte, stak hij zijn hoofd om de hoek van de deur. De buitenlamp brandde flets. Die moest zijn aangeflitst op de bewegingsmelder. Toch zag hij niemand. Of wel? Er kwam een jongen op hem afgelopen, hij had zich naast de garage opgehouden.
‘Meneer Balder?’
John antwoordde niet.
‘Patrick.’ De jongen noemde zijn naam maar stak zijn hand niet uit. John keek hem argwanend aan. Om de een of andere reden was hij blij dat Saskia er niet bij was.
‘Hoe is het met Kurt?’ vroeg Patrick met een stem waarin John iets waarschuwends meende te horen. Zijn schouders schokten naar achteren, alsof hij zijn borst opzette. Dat gebaar kwam John vaag bekend voor.
‘Jij staat op het filmpje’, zei John toonloos.
Dat was blijkbaar een soort toverspreuk, want nu hief Patrick zijn arm en maakte een gebaar dat leek te willen zeggen ‘kom maar op’. Even later stond er een groep van zes jongens op de oprit, onder de overhang van de garage, in het sterker wordende licht van de buitenlamp. Ze droegen allemaal min of meer dezelfde jassen, zwart, dichtgeknoopt tot aan de hals en met een bontkraag langs de brede capuchons die op hun schouders rustten.
‘Dus jullie hebben mijn zoon in de steek gelaten? Uitgeleverd aan de politie. Laten opdraaien voor jullie… dingen. Lekker keihard wegrennen van een jongen die dat niet kan.’ John voelde dat hij in de minderheid was. Ze hadden hem opgezocht. Maar het kon hem niks schelen. Hij dacht aan Kurt die daarginds in zijn eentje in de cel zat en deze klootzakjes probeerde te beschermen. Hij wilde ze voor hun rotkoppen slaan, die verwaande kragen van hun jassen scheuren.
‘Hun begonnen’, zei de jongen die zich had voorgesteld als Patrick.
‘We werden aangevallen’, zei iemand achteraan met een petje op.
‘Ze zaten de hele tijd achter ons aan.’ Iemand anders.
‘Wij waren met zeven. Zij met twintig.’
‘We moesten wel. We wilden naar de trein en ze hielden ons tegen.’
‘Kurt heeft nog met ze gepraat.’
‘Ze sloegen erop. Die boeren. Omdat wij van de stad zijn.’
Nu pas zag John dat ze niks kwaads in de zin hadden. Die Patrick was de grootste. Hij deed een stap naar voren.
‘Wilt u iets tegen Kurt zeggen?’ vroeg hij.
‘Wat dan?’ hoorde John zichzelf zeggen. Dat hij geen contact met zijn zoon mocht hebben verzweeg hij, dat de politie hem afschermde en dat alleen die advocaat hem maandag weer in zijn cel zou zien, liet hij eveneens onbenoemd.
‘Dat het ons spijt. Dat we zijn… dat we hem… in de steek… hebben gelaten.’ Nu keken ze alle zes door trouwe hondenogen. Ja, dacht John, als ze labradors waren, hadden ze hun staart tussen de benen getrokken.
‘Jullie moeten jezelf aangeven’, hoorde hij achter zich. Saskia stond in de hal. ‘Ga naar het bureau en vertel wie jullie zijn. Dan komt Kurt weer vrij. Dan kunnen jullie het goedmaken.’ Ze leunde net iets te nadrukkelijk tegen John aan. ‘Vind je ook niet?’ vroeg ze aan hem.
Meteen speelde John het een-tweetje mee. ‘De politie dreigt het filmpje online te zetten, jongens.’ Dat zei hij kameraadschappelijker dan hij had gewild, dan Saskia zou appreciëren. Snel vervolgde hij: ‘Namen hebben ze nodig. Jullie namen.’

©Jan Kloeze

Lees ook Het rubberen meisje of Zwart water.