Bij de parkeerplaatsen naast de boerderij namen we tegelijk afscheid, Mascha van haar ouders en ik van Saskia. Hoewel haar vader en moeder nog vlakbij waren, draaide ze de Mercedes snel haar rug toe. Ik liet mijn arm zakken en keek naar haar. Een jaar of vijftien. Geen make-up. Blond haar in een hoge paardenstaart. Kort flitste haar blik over me heen. Ik meende groene ogen te zien. Toen liep ze weg.

‘Waar ga je heen?’ vroeg ik.
‘Weet ik veel’, zei ze en ze zette er de sokken in, richting de zeilboten die verderop aan het kanaal geduldig naast elkaar wachtten tot we straks nog even gingen varen.
‘We hebben direct een kennismaking in de boerderij’, riep ik haar na. Ze reageerde nauwelijks. Alleen een minieme beweging van haar hoofd, leek te bevestigen dat ze me had gehoord.

De andere instructeurs waren haar liever kwijt dan rijk, want dit was een week voor volwassenen en ze hadden dus ‘niet voor zo’n pubermeisje gekozen’. De twee andere cursisten in mijn boot waren man en vrouw. Hij een gezellige dikkerd die bij een evenementenbureau werkte, zij een statige vrouw die op haar lijn paste en als verzekeringsintermediair het geld verdiende. Het echtpaar kwam uit de buurt van Utrecht en had net als Mascha nog nooit gezeild.
Daarom zagen ze de golfpatronen op het water niet, kwamen ze evenmin op het idee naar wapperende vlaggen in hoge masten te kijken en misten ze de ijle beweging van wolken aan de hemel. Een zeiler merkt het meteen als er in dat schouwspel iets verandert. Hij hoort een vlaag aankomen, ziet een windschifting voordat die zich manifesteert, voelt aan het gedrag van de boot of hij iets kan oploeven of juist moet afvallen. Maar beginners hebben geen idee. ‘Waar komt de wind vandaan?’ Dat is de meest gestelde vraag van de instructeur aan zijn cursisten, leidend tot lange stiltes, zoekende blikken en soms een natte vinger in de lucht. Op den duur tamelijk vermoeiend en één van de redenen waarom ik me grotendeels terug had getrokken uit het lesgeven en me gedurende het seizoen voornamelijk verschanste in mijn eigen huisje achter de zeilschool, een soort stookhuisje, net groot genoeg voor een keuken, een badkamer en een woonkamer, met in de nok een door de vorige bewoner getimmerd tweepersoonsbed.
In deze laatste week van het seizoen lag er ‘s ochtends dauw op het dek van de boten, zoemden vliegen traag in de herfstlucht en waren de meeste zomerkrachten teruggegaan naar hun studentenhuizen en hun colleges. Daarom had de beheerder me gevraagd weer eens een weekje in te vallen.
Elke dag meldde ik me netjes om half acht voor het ontbijt. In de boot werkte ik mijn lessen af. En ’s avonds na het eten en de aansluitende theorie over schiemannen of het vaarreglement trok ik me terug in mijn eigen wereld, waar ik nog wat probeerde te schrijven of te lezen.

Op dinsdagavond klopte er iemand aan de deur. Toen ik opendeed en de beheerder verwachtte te zien, stond Mascha zeiknat in de deuropening. Ze bibberde en droeg niet meer dan een doorweekte linnen broek die op haar benen plakte. Haar truitje had zoveel water opgezogen dat het vormloos was uitgezakt over haar bekken. Met grote groene ogen keek ze me vragend aan. Een windvlaag joeg regen naar binnen en ik maakte snel een zwierig gebaar om haar over de drempel uit te nodigen.
Mascha keek nieuwsgierig om zich heen. Ze zag de fluwelen kussens in de fauteuil met het houten frame. Ze ontwaarde de ladder naar mijn bed, de gaskachel, het bureau, de wankele bank en de oude televisie die gewoon op de plavuizen vloer stond.
‘Wat doe jij nou zo?’ vroeg ik. ‘Wil je ziek worden?’
Ze haalde haar schouders op en schudde regendruppels uit haar steile haar. Ze begon ondanks zichzelf te klappertanden en zag er ineens vijf jaar jonger uit.
‘Kom’, zei ik. En ik nam haar mee de keuken in, waar aangrenzend de deur naar mijn badkamertje open stond. ‘Trek die natte boel uit en ga onder de warme douche. Dan krijg je zo een joggingbroek en een warme trui van me.’
Ik hoorde het water op haar lichaam kletteren want ik had erg dunne, gipsen wandjes in dit huis. Alleen de buitenmuren waren van steen. Ik legde de beloofde broek en trui op het aanrecht, zodat ze die meteen kon aantrekken.
‘Kijk’, zei ze, toen ze even later naast mijn stoel stond en ze trok mijn oude schipperstrui hoog op om te laten zien dat de omgeslagen boord van de grijze joggingbroek bijna tot aan haar ribben kwam. Ze giechelde. Toen liep ze terug naar de keuken. Ik ging achter haar aan en zag dat ze probeerde haar broek uit te wringen boven de gootsteen. Er kwam inderdaad water uit.
‘Ik ben naar het meer gelopen’, zei ze.
Dat was een wandeling van een uur. Op de terugweg was het begonnen te regenen. Geen wonder dat ze zo nat was geworden. Maar nu straalde ze. Rode wangen, groene ogen, blond nog wat plakkerig haar. We hadden haar broek en truitje over de sporten van de ladder gehangen, vlakbij de kachel. Een kleine bh en een doorweekt slipje hingen het hoogst, waar het ’t warmst was. Ze plofte op mijn bank neer.
‘Ik ben helemaal klaar met die bejaardensoos’, zei ze, zonder dat ze haar kop erbij had. Want ze zat weer om zich heen te kijken, zo te zien met stijgende verbazing.
‘Hoe kan je hier wonen?’ Met een losse arm maakte ze een beweging waarmee ze mijn huisje bestreek alsof het een toneel was, haar toneel.
Ze sprong overeind, een schicht in mijn veel te ruime kleren, liep naar de korte zijde en met lange passen maakte ze de oversteek naar de overkant, de keuken. Tussen keuken en kamer was de kleine doucheruimte ingebouwd, een smalle gang overlatend waarvan ze de breedte met haar armen opmat.
‘Zeven meter lang’, telde ze. ‘De gang is twee meter breed. De douche misschien ook twee. Dus, achtentwintig vierkante meter. Hoe houd je het vol?’
Ik glimlachte omdat ik me realiseerde dat ik mezelf die vraag nog nooit had gesteld. De oneindigheid van de toekomst zonder peeshamer, de leegte onder mijn voeten nu ik me niet langer af hoefde te zetten tegen de gedachte fysiotherapeut te moeten worden, groter kon de ruimte om me heen niet zijn.
Ze liet zich weer op de bank vallen en keek me schattend aan, een hand aan haar lange hals, zacht wrijvend.
‘Was dat je vriendin, zondag, in die rode auto?’
‘Hm.’
‘Hoe heet ze?’
‘Saskia.’
‘Doen jullie het daarboven in dat bed?’
Ze was mooi en sexy en piepjong weggezonken in mijn trui en ik wist dat ze naakt was onder de kleren die ze van mij had mogen lenen. Ik zat pal onder haar ondergoed.
‘Hoe oud is ze?’
’28.’
‘En jij?’
’24.’
‘Denk je dat ik nog maagd ben?’
‘Ik denk dat het tijd wordt dat je naar de boerderij gaat, dat je gaat slapen. Kom morgen je kleren maar ophalen. Dan zijn ze wel droog.’
Ze keek me spottend aan, alsof ze geen cent gaf voor mijn volwassen gedrag.

De volgende dag ontbrak ze aan het ontbijt. Ik keek een paar keer langs de twee lange, gedekte tafels maar kon haar niet ontdekken tussen de rustig keuvelende mannen en vrouwen. Uit de grote boxen bij de bar klonk Vivaldi. De vier jaargetijden. Al jaren vaste prik bij het ontbijt. Ook dit kleine gezelschap was er inmiddels aan gewend.
Mascha was en bleef weg.
Terwijl Vivaldi aan de herfst begon, werd het ontbijt opgeruimd. Ik liep snel naar de twee andere leden van mijn bemanning en vroeg of ze een extra lunchpakketje wilden maken. Iedereen ging vervolgens naar zijn kamer om truien en zeilpakken op te halen. Wij, de instructeurs, trokken ons terug in een kamertje boven de eetzaal, voor de scheepsraad. We namen het weerbericht door en spraken af waar we tussen de middag zouden aanleggen. De keuken bracht een thermoskan koffie.
‘Hoe gaat het met dat meisje in de boot?’ vroeg Luc, een Limburger die pas op zijn achttiende bij toeval had leren zeilen en een natuurtalent bleek te zijn, met bovendien grote didactische kwaliteiten. Ik kende Luc goed genoeg om te weten dat hij niet zomaar informeerde naar Mascha. Het moest hem zijn opgevallen dat ze het ontbijt had overgeslagen. Of zou hij zelfs weten dat ze gisteravond laat nog bij mij in het huisje was geweest? Zat hij aan de bar toen Mascha in mijn joggingbroek en schipperstrui binnen was gekomen en had hij daar vannacht over liggen nadenken?
‘Ze is wat grillig en lijkt zich aan boord snel te vervelen met dat echtpaar’, antwoordde ik. ‘Maar ze pikt het redelijk op. Zeilstanden en koersen, dat lukt nu wel. Zonder hulp komt ze niet bij een bovenwinds punt uit.’
Luc keek me peinzend aan, maar liet het erbij.
Ik ging naar mijn huisje om mijn zeiltas te pakken, opende de brede deur en was nauwelijks verbaasd dat ik Mascha binnen aantrof, bij mijn bureau, tegenover de kachel die laag brandde. Ze droeg een rokje dat tot halverwege haar dijen kwam, hoog opgetrokken sokken boven witte gympen en een tanktop waarin haar borstjes bijna plat werden gedrukt. Alsof het hoogzomer was. Terwijl buiten het gras nat was en de bladeren van de bomen vielen. In haar armen droeg ze een slordig opgevouwen stapeltje kleren; de opgedroogde beige broek, het truitje, de bh en het slipje van gisteren. Mijn noodkleren had ze los in de stoel gegooid.
‘Bedankt’, gebaarde ze.
Ze keek niet naar me. Want ze las in de getikte vellen die naast de Adler op mijn bureau lagen.
‘Hé, dat is niet de bedoeling.’
‘Lekker leesbaar’, zei ze. ‘Wel pikant’. Giechelend keek ze me nu aan.
Ik zette drie stappen en was bij haar. Ze had het verhaal bijna uit, merkte ik toen ik het stapeltje van mijn bureau griste.
‘Van achteren’, lachte ze schaterend. ‘Mooie titel.’
‘We gaan varen’, zei ik. ‘Ik stel voor dat je je wat warmer aankleedt als we zo het water opgaan.’
Ik bedacht dat ik voortaan de deur van mijn huisje op slot moest doen, ook als ik alleen maar even naar de boerderij ging. Ik deed dat liever niet, want er hoorde een grote, gesmede sleutel bij het ouderwetse slot dat met een ijzeren plaat op deze deur was geschroefd en ik had er een hekel aan om met dat zware geval rond te moeten lopen.

In de verte leek de stompe toren van Dyckeldorp boven het water te zweven. De zeilen hingen loom in het herfstzonnetje. De boot lag stil. De truien waren uit. De verzekeringsdeskundige had zelfs haar shirt uitgedaan en zat in haar bh, want ze wilde nog een beetje bruin worden. De plooi tussen haar borsten liep uit in kraaienpootjes. Ze had geen kinderen, vertelde ze.
‘Nogal wiedes. Ik ben onvruchtbaar’, zei haar man olijk.
‘Een man die onvruchtbaar is, is geen man’, zei Mascha. We lachten ongemakkelijk. Ze vertelde dat haar stiefvader zich had laten steriliseren, omdat haar moeder nog steeds jong was, pas 35.
‘Hij heeft het dubbele betaald om deze week van me af te zijn’, zei ze, terwijl ze aan haar blonde, steile haren trok. In één adem vervolgde ze: ‘Ik wil mijn shirt ook wel uitdoen, maar dan zit ik in mijn blote tieten.’ Meteen keek ze me aan, met felle, groenglinsterende ogen.
Snel draaide ik mijn hoofd weg en richtte mijn blik, zoals ik tientallen keren per dag deed, naar de mast, de zeilen, de wind en het nu stille meer waar tot mijn opluchting hier en daar wat rimpeltjes op het wateroppervlak verschenen.
‘Er komt een briesje opzetten’, zei ik.
Ze draaiden hun hoofden en speurden naar de wind. Het werd meteen frisser.

Met het kleine clubje van deze laatste seizoensweek duurde de bonte avond niet lang. Meestal was het niveau van de liedjes en de sketches tenenkrommend, maar soms bleek dat er werkelijk goede zangers of acteurs in de groep zaten. Zelf las ik, toen ik nog wekelijks meedeed, op de bonte avond vaak hetzelfde verhaal voor, een verhaal dat ik had opgezet vanuit het perspectief van de scheepsbel die aan een houten paal bij de tochtdeuren was bevestigd. De beheerder luidde die bel als hij mededelingen had, huishoudelijke mededelingen. Het bronzen gebeier klonk ook regelmatig diep in de nacht als iemand zijn dronkenschap wilde bekronen met een wild gegeven rondje voor de hele bar.
Ik vertelde als bel hoe ik in de mal was gegoten en mijn stollingsproces had beleefd, waar mijn klepel vandaan kwam en hoe belangrijk grootte en dikte waren – gejoel –, hoe ik met veel plezier in een carillon had gespeeld, welk bizar toeval in de oorlog had voorkomen dat ik was omgesmolten voor de wapenindustrie en waarom ik hier in de zeilschool terecht was gekomen waar ik door het leven ging als bel, terwijl ik feitelijk een klok was. Het duurde iets langer dan tien minuten en ging er in als koek. Soms kwam na middernacht één van de vrouwelijke cursisten om mijn hals hangen. Of ik haar wilde voorlezen, het liefst op een warme, rustige plek waar niemand bij was. Als hij nog vrij was, nam ik haar mee naar de instructeurskamer waar een paar banken stonden. Zo vierde ik in de zomer af en toe een succesje als schrijver.
Mascha trad niet samen met het echtpaar op, zoals ze haar hadden voorgesteld, maar solo. Ze was als laatste geprogrammeerd en betrad het geïmproviseerde podium op spitzen, duidelijk gebruikte en kennelijk door haar meegenomen spitzen. Om haar middel droeg ze een uitstaand rokje dat niets bedekte. Feitelijk stond ze op haar lange benen in een strakke, zwarte panty en keken we door de dunne stof tegen de plek aan waar ik haar donkere slipje vermoedde. Om haar bovenlijf droeg ze slechts de tanktop die ik eerder had gezien, boven een blote buik. In de schemerige ruimte glansde haar blonde, geborstelde haar. Het Noorderlicht zweefde in haar ogen. Plotseling klonk Vivaldi, de muziek van het ontbijt die we allemaal herkenden. Roekeloos tilde ze haar armen op en draaide ze haar bovenlijf een kwartslag. Ze drukte zich op haar spitzen en zo zweefde ze op de klanken van de herfst door de ruimte waar we dagelijks aten, dronken en kletsten. Het rokje bleef op haar heupen hangen, ook toen ze een aantal pirouettes maakte en daarna haar rechterbeen vrijwel gestrekt langs haar lichaam omhoogtrok, als in een staande spagaat. Ze kreeg applaus, zelfs van de vrouwen in de zaal, maar het waren vooral de mannen die het warm hadden gekregen van het schouwspel. Ik in ieder geval.
Tegen mijn gewoonte in bleef ik aan de bar hangen en dronk ik met de anderen mee. Mascha was weer eens verdwenen. Dit keer kon ze niet in mijn huisje zitten, want de deur was op slot en ik had de ijzeren sleutel bij me op de bar liggen.

‘Hoi’, zei Mascha zachtjes, toen ik een tikkeltje onvast door een van de gangen van de plee terugliep naar de groepsruimte. Ze stond in de opening van haar kamertje. Ze droeg nog steeds die panty, maar nu met een rood truitje er overheen, precies tot over haar heupen. De spitzen waren uit. Het was donker in de gang en achter haar brandde het licht in de kamer, waardoor ze er nog doorzichtiger uitzag dan normaal.
‘Wanneer ga je naar je huisje?’.
‘Nu.’
Ze aarzelde niet en kwam haar kamer uit, sloeg rechtsaf op weg naar de achteruitgang waar een groen licht en een zwart mannetje toonde hoe ze buiten kon komen. Ik keerde terug naar de bar, nam mijn sleutel en stapte onder veel bezwaar naar buiten. Mensen die op weg zijn naar dronkenschap zien niet graag dat een van hen afhaakt. Het is een kort moment van in de spiegel kijken, zelden confronterend genoeg om er zelf ook echt mee te stoppen. Zoals ook nu bleek. Ik was nog niet buiten of ik hoorde een bulderend lachsalvo achter me, dwars door het tochtportaal heen. Ze waren me al vergeten.
De frisse nachtlucht waarin een kil noordoostenwindje was gaan waaien, ontnuchterde me een beetje. Ik haalde diep adem. Waar ging ik aan beginnen? De gedachte aan Saskia die al in haar bed lag om morgen uitgeslapen naar me toe te komen rijden, wurmde zich onder mijn schedel, maar ik probeerde hem te verzuipen in het gedeelte van mijn kop dat in bier was gedrenkt.

Ik was als eerste de ladder op gegaan. Mascha was gevolgd in haar panty en rode truitje. Het licht moest uit blijven, zei ze. Giechelend had ze zelf haar panty afgestroopt, liggend op haar rug, want mijn plafond was hier net zo laag als in een klein tentje. Daarna was ze stil geworden en passief, een bleke vlek met uitgewaaierde haren op het kussen naast me.
Ik richtte me op en zag in het vage schemerlicht dat van beneden kwam, dat ze haar lange blote benen over elkaar had gelegd. Voorzichtig legde ik een hand op haar linkerbeen, losjes, net boven de knie. Dat was het moment waarop ik merkte hoe hoog de tonus was in haar lijf. De lessen op de academie hadden me geleerd te palperen, het professionele woord voor voelend onderzoeken of onderzoekend voelen. Eindeloos hadden we geoefend op elkaar, door de huid heen speurend naar pezen, spierbundels en botstructuren, met koude, warme of zwetende handen, soms ongemakkelijk lachend, maar meestal bloedserieus omdat we hier ons beroep van gingen maken.
Ik niet.
Toch had ik er genoeg van opgestoken om direct te constateren dat het meisje in mijn bed rubberachtig aanvoelde. Haar huid weerstond elke aanraking, veerde onder mijn vingertoppen meteen terug in de uitgangspositie, was tegelijk hard en zacht en de onmiskenbare warmte van haar jonge lichaam naast me bleef in ieder geval niet aan haar huid hangen, want ze was koel, koel als rubber dus. Voorzichtig schoof mijn hand langs haar been naar boven met net genoeg nadruk om niet te kietelen, totdat ik op de rand van haar slipje stuitte, aan de binnenkant van haar dij. Ik hoorde dat ze haar adem inhield. Was dat van schrik? Of van verwachting? Wilde ze dit eigenlijk wel?
‘Mascha?’
‘Ja.’ Een fluistering.
‘Wat is er?’
Geen antwoord.
Ik verbrak het contact met haar huid, probeerde haar gezichtsuitdrukking in het halfdonker te peilen en meende te zien dat ze haar ogen dicht had. Voorzichtig boog ik me over haar heen en ik kuste haar net als eerder beneden, toen ik in de donkere nacht aan was komen lopen en ze bij mijn voordeur stond te wachten en spottend vroeg of ik haar had willen buitensluiten. Die kus beantwoordde ze vrij soepel met een voorzichtig geopende mond. Nu ze in mijn bed lag, bleef het bij eenzijdig zoenen van mijn kant. Ik stopte. Ze keek naar me, neutraal, zonder haar gebruikelijke bravoure. Ik ging op mijn rug naast haar liggen.
‘Moet ik zo meteen weg, voordat Saskia komt?’ vroeg ze hardop. ‘En ga je haar dan neuken, hier, waar ik nu lig?’
Godverdomme.
Ik dacht dat ze morgen gewoon weer in de Mercedes van haar stiefvader zou stappen om terug te gaan naar haar puberleventje, met vervelende jongens en lastige leraren, met een veel te jonge moeder en een ongetwijfeld slordige kamer, met optredens tussen de schuifdeuren en met audities voor balletscholen. En dat ze in haar lichaamsgeheugen de sensatie van een vrijpartij met haar instructeur zou opslaan en meedragen, er misschien over zou opscheppen tegen haar vriendinnen, als ze die had. Terwijl ik morgen gewoon mijn leven met Saskia zou voortzetten, mijn volwassen vriendin met haar fulltimebaan, haar rode auto en haar grote huis. Niet zo oogverblindend mooi als dit meisje, geen afgetraind kontje maar een stevig bekken, geen tietjes maar volle borsten, geen gecompliceerd maar juist een open karakter. Plotseling verlangde ik hevig naar Saskia. Ik wist dat ze over minder dan een half etmaal beneden aan de trap haar kleren zou uitschoppen en lachend naar boven zou komen. Het knerpte in me van de spijt.
‘Ik zal niks zeggen, hoor’, klonk het naast me, nu op fluisterend volume. Zonder overgang pakte ze mijn hand en legde die op haar kruis. Haar benen waren uit elkaar. Ik voelde koelte, ook daar. Ze hield mijn hand vast met verrassend veel kracht. Ze trok haar rechterbeen op terwijl ze de linker verder spreidde, en drukte mijn vingers dieper tegen haar slipje.
‘Voel maar’, giechelde ze. ‘Het hoeft niet van achteren.’
Ik schudde mijn hoofd en bewoog naar de ladder. Beneden riep ik naar haar dat ik wilde dat ze terugging naar de boerderij. Dat deed ze gelukkig zonder morren, met haar panty in de hand terwijl ze met haar andere hand haar rode trui zedig over haar bekken trok.

Tegen het middaguur stonden we allemaal buiten, naast de boerderij bij de parkeerplaatsen. Instructeurs, cursisten, de beheerder en zijn vrouw, allemaal keken we naar auto’s die vertrokken en mensen die werden uitgezwaaid.
De Mercedes nam Mascha op alsof er niets was gebeurd. Terwijl haar stiefvader keerde, kwam de rode auto van Saskia aanrijden. Ze parkeerde vlakbij me en stapte uit. Ze droeg een dunne, wollen trui die statisch leek en strak om haar prachtige borsten spande, boven wat we eerder samen grappend een drollenvanger hadden genoemd, zo’n wijde broek met een kruis op de knieën, erg in de mode. Vrolijk en verliefd lachte mijn vriendin naar me terwijl de Mercedes stapvoets langs haar heen reed. Even waren Mascha en Saskia tegelijk in mijn blikveld. Mascha vertrok haar mond spottend terwijl ze toekeek hoe mijn vriendin op me af kwam lopen en in die spot zag ik triomf. Ze triomfeerde, ongetwijfeld omdat ze wist dat ik zonder twee keer na te denken deze echte vrouw had willen bedriegen met een meisje. Gelukkig was het kind even later verdwenen. Ik pakte Saskia bij haar billen en kuste haar hard.
‘Ho ho’, lachte ze.
Saskia maakte zich los en liep voor me uit met haar brede heupen in die wijde broek, op haar korte laarsjes, met in de rug van haar trui de afdruk van haar bh. Regelrecht op weg naar mijn huisje, naar mijn bed. Ik zag helder voor me hoe we over enkele ogenblikken mijn ladder zouden beklimmen en kon niet wachten om haar lief te hebben. En toen trof het me. De triomf. De panty. Het naar beneden getrokken truitje.
‘Wacht even’, zei ik en ik liep haar snel voorbij. Binnen schopte ik mijn schoenen uit. Meteen stormde ik de ladder op.
‘Wat een haast’, lachte Saskia. Ze begon zich bij mijn fauteuil uit te kleden.
Ik schoof een hand onder het kussen waar kortgeleden in het halfdonker het gezicht van het rubberen meisje had geschemerd en ik vond haar boobytrap, het zwarte slipje, dat ik in de achterzak van mijn spijkerbroek frommelde.

©Jan Kloeze

Lees ook Het meisje van Ceylon of Omerta.