Had ze zijn dood moeten zien aankomen? Ja, natuurlijk. Als ze bij hem was geweest, als ze naast hem had gelegen, was ze dan wakker geworden van zijn doodsstrijd en had ze hem dan kunnen helpen? Ja, natuurlijk.

Gelukkig had de dode haar zachte huid gekend, had ze geleerd hoe ze hem kon toelaten. Toch was het ook met hem in het begin niet makkelijk. Lang bleef ze op haar hoede. Cool en collected was ze. Slim. Snel in het debat. Met haar koffiekleurige huid, zwarte wenkbrauwen, ovale ogen en kleine, witte tanden viel ze op als korfbalster. Zo had ze hem leren kennen. Hij trainde de kinderen op de club. Overdag had hij een baan bij een kantoor met een heleboel namen.
Op de ochtend dat het meisje van Ceylon alleen wakker werd, in haar eigen bed, had het kantoor bezorgd niet haar maar zijn moeder gebeld. Ze zag de dode pas weer toen hij al in zijn kist lag. Tijdens de ceremonie zat ze ver achter de familie in het crematorium. Na afloop ontving ze slechts enkele condoleances, tussen de tafeltjes in de koffiezaal, niet in de rij van de familie, waar iedereen langs was geschuifeld. Ze had er met een schuin oog naar gekeken.
Daarna werd zijn huis leeggehaald. Ook haar spullen en de dingen die ze samen hadden gekocht verdwenen. Kleren. Make-up. Alles weg. Ze mocht later twee dozen ophalen in de ouderlijke villa. Op de koffie bij de moeder. Niet huilen. Dat werd niet op prijs gesteld. Ze moest in de schaduw van het familieverdriet blijven.

Het meisje van Ceylon werkte door. Op wijn en slaappillen. Nog harder dan daarvoor. Het instituut moest bezuinigen, maar zij werd niet ontslagen. Natuurlijk niet. Collega’s wisten van haar smart. Bezoekers voelden haar verbetenheid. Rusten deed ze op de wc. Trillen over haar hele lichaam deed ze in haar auto. Praten tegen hem deed ze in haar bed. Was ik maar. Was ik maar.

Ze las over een oude traditie, een trance. Niets te bewijzen. Geen feiten. Niets te doen ook. Behalve overgave. In het wit. Helemaal in het wit. Die kleur stond haar goed, maar ze had geen witte broek. Dus had ze een witte broek gekocht en had ze zich ingeschreven voor een groepsweekend met mensen die zich sjamanen noemden. Samen ademen. Samen dansen. Samen masseren. Hier zaten anderen aan haar blote armen, aan haar zwarte haren, aan haar voeten. Het was gruwelijk. Moest ze teruggaan naar haar eigen huis, terug naar de verbanning, terug naar duisternis, naar verdoving, naar schuld? Nee.
Natuurlijk was ze ook de tweede dag uit bed gekomen en had ze wat woorden gewisseld met de anderen in de groep. Geen eten. Dat was niet de bedoeling. Alleen water. Dat stond in de folder die ze vooraf had gelezen, dus zo was het gegaan. Daarna het ritueel, binnen, op een matras, met een kussentje onder haar hoofd. Terwijl ze naar buiten wilde. Geen idee waarom. Ze moest bomen zien en wolken en ze wilde gras voelen en lucht. Het mocht niet. Ze mocht niet naar buiten. Drie witte leiders. Ze konden zich niet opsplitsen. Ze waren binnen nodig.
Dan kenden ze het meisje van Ceylon nog niet. Ondanks de sluipende substantie in haar lijf, ondanks de gewijde atmosfeer, zette ze door.
Eenmaal buiten verdween de nevel in haar hoofd. Als dauw op zomergras. Ze huilde. Ja, zo banaal was het. Voor het eerst in haar leven huilde ze onvoorzichtig, alsof ze zonder rem van een berg af roetsjte. In haar buik zat de bron. In haar zonnevlecht ontsproten de tranen. Ze jankte ook als ze adem moest halen, stokkend in de keel, waar ze haar tranen doorslikte. Ze hoorde zichzelf in de verte. Ze zag het gebeuren. Het hield niet op. Nooit eerder had ze deze instortende stutten en steigers gevoeld. Haar tranen kolkten over rotsen, over vergleden rijstvelden, over vliegtuigen en over het gemis, het gemis van de verre familie die ze nooit had willen kennen, over de afwezigheid van warmte om haar heen, het ontbreken van mededogen met zichzelf. Tranen uit haar mooie, ovalen ogen stroomden over haar wangen en verdwenen in haar witte hemd, landden op een wit kussen naast hem. Ze lag naast hem. In haar witte kleren was ze naar hem toe gereisd. Boven hen de hemel. Onder hen de aarde, de harde aarde, voortsnellend in de ruimte, vastgeklonken aan elliptische banen, altijd in het donker van het heelal en tegelijk in het licht van de zon.

©Jan Kloeze

 

Lees ook Houd van me uit Het boek Job of kies voor Het rubberen meisje.