Het was kil in de smederij. De kachel was de hele dag uit gebleven en pas toen de avond viel, had Harold van de Bron tijd gevonden om te smeden. Omdat er een auto stopte op de parkeerplaats wachtte hij nog even met het vuur. Hij keek naar de vaalgroene, baanderdeur, groot genoeg om een tractor binnen te laten.

‘Volluk.’
Een onbekende stem. Op zijn klompen kloste Harold over de betonnen vloerplaten. Hij haalde de grendel eraf en opende de linkerhelft van de deur.
‘Gelukkig.’
Dat zei de man, maar hij zag er niet gelukkig uit. Misschien omdat hij de smid had verwacht en in plaats daarvan merkte dat een tanige tiener in een fladderige overall voor hem stond.
‘We zijn gesloten.’
‘Ik weet dat het al laat is, maar…’
‘Herfstvakantie.’
‘Dus de smid…’
‘Is er niet, nee. Kom volgende week maar terug.’
De man droeg een kameelkleurige jas. Zijn schoenen waren van zacht leer. Een stadse, zoals ze watjes uit het Westen in dit Drentse dorp noemden. De man draaide zich half om en wees op de paardenwagen die achter een grote Jeep was gehaakt en aan de straat stond, bij de oude, niet meer in gebruik zijnde Essopomp.
‘Dan ga jij mijn paard beslaan?’
Terwijl hij het vroeg, zochten zijn ogen contact met Harold die tot zijn verbazing zag dat de paardenman zijn capaciteiten als hoefsmid geen moment in twijfel trok. De vreemdeling liep naar de trailer. Harold aarzelde en ging toch maar achter hem aan.
De smederij lag aan een smalle, doorgaande weg die in het Oosten uitkwam op het kanaal en als je de andere kant opreed de kortste route naar het dorp vormde. In de aangebouwde winkel verkocht Van de Bron behalve rijwielen ook huishoudelijke artikelen die in dozen uitgestald waren achter een grote, glazen pui. Binnen brandde wit tl-licht, dat door het raam op de trailer viel en buiten in de schemering diepe schaduwen veroorzaakte. De man klapte de achterdeuren open en trok ratelend de stalen vlonder eruit waarover zijn paard kon uitstijgen. Zwart, een Fries, zo te zien. Harold bedacht dat als het dan toch zou moeten gebeuren, een Fries paard het beste was om mee te beginnen.
‘Straks is het donker’, zei Harold.
De man rechtte zijn rug, dacht kort na en knikte. Hij schoof de vlonder terug in de trailer, sloot de deuren en keek Harold opnieuw aan.
‘Kom morgen maar terug. Uurtje of negen.’
Toen de Jeep aansloeg, was Harold alweer in de smederij. De jongen liet zijn blik glijden over de houten werkbank die bijna vijf meter lang was en vijftien centimeter dik. Het hout was zacht en vettig geworden. Hier en daar maakten nerven en knoesten scheuren en gaten in het oppervlak, die zwart waren van roet en smeer. Niets bleef gemakkelijk rechtop staan. Maar dat was ook nergens voor nodig. Harold behoorde tot de vierde generatie smeden die aan deze werkbank hadden gestaan.
Nu kon hij alsnog het vuur ontsteken, maar zijn kop stond er niet meer naar. Terwijl Harold juist deze week, in afwezigheid van zijn vader, zijn meesterstuk had willen afsmeden, een kelk van staal, zo sterk als het staal van een Japans zwaard, uit één stuk gesmeed en gebogen, met een blinde vuurlas gesloten, opgelegd met de gouden B van hun familienaam. Het moest een verrassing worden. Hij verheugde zich op het moment waarop zijn vader de stalen kelk om en om zou draaien, met zijn harde handen het gladste staal zou voelen, met zijn ogen zou zoeken naar de plek van de las, de plek die hij niet zou kunnen vinden, en dan zou zijn vader met ongeloof en trots naar hem opkijken, en er zou misschien een bewonderend lachje om zijn lippen plooien.

***

De kleine binnenplaats achter de smederij bevatte de stellage waar een paard in kon staan zonder opzij of vooruit te stappen. Harold veegde herfstbladeren, zand en mos van het plaatsje. ‘Een paard staat liever los in de ruimte dan tussen stalen buizen’, had zijn vader geantwoord, toen Harold vroeg waarom hij de paarden nooit meer achter het huis besloeg. Onder de handen van zijn vader bleven de dieren inderdaad vrijwel altijd rustig, terwijl de smid hun hoeven afkapte en gloeiende ijzers in het eelt drukte. Zelfs als hij het ijzer daarna vastzette met nagels, leken de dieren te begrijpen dat de smid het beste met hen voorhad. Ze legden hooguit even hun oren in de nek of ze tilden hun hoofd op en briesten wat, maar ze bleven gehoorzaam staan. Als het dreigde mis te gaan, als een paard het been wilde wegtrekken, met zijn hoofd begon te steigeren of, nog lastiger, op de smid ging leunen met zijn 600 kilo, dan hoefde Harolds vader alleen maar even zachtjes tegen het dier te fluisteren om hem weer in het gareel te krijgen. ‘Wat is’ter m’n jong? Wat is’ter dan?’ Het was wonderlijk te zien hoe het paard dat even daarvoor van plan was om te protesteren, zich ontspande en het was tegelijkertijd pijnlijk dat zijn vader wel liefdevol met dieren om kon gaan, maar geen huisdieren toestond. Harold had graag een hond gewild. Daar was volgens zijn vader geen tijd voor. Harold moest het huishouden doen en haalde een paar keer per week boodschappen in het dorp. Meestal aten ze zwijgend aan de keukentafel terwijl de televisie aanstond. Na het eten ruimde Harold op en deed zijn vader de administratie. Om een uur of tien gingen ze naar bed en elke dag, behalve op zondag, stapte zijn vader om klokslag zes uur onder de douche.
De Jeep kwam voorrijden toen Harold de bezem wegzette. Hij droeg een schone overall. Zijn haren waren gekamd alsof hij een afspraak met een meisje had in plaats van met een Fries paard. Langzaam liep hij door de smederij naar de straat. De vreemdeling droeg een windjack en had een pet op, een pet met een lange klep. Het paard was al uitgestegen en liep rustig achter zijn eigenaar aan.
‘Maar…, dat is geen Fries’.
‘Natuurlijk niet. Dit is een volbloed Arabier. Klaar met racen. Klaar voor een nieuw leven. Wat is er?’
Harold keek naar de mooiste hengst die hij ooit had gezien. De hazelnoten vacht contrasteerde prachtig met zijn vlaskleurige staart. Zijn hoofd was klein, met fraai gekrulde oren en brede neusgaten, zijn nek lang en sierlijk, zijn profiel concaaf, als dat van een gazelle. Je zag spieren en pezen onder zijn huid bewegen, alsof het dier elk moment weg kon sprinten.
‘Ik dacht…’
‘Dat het een Fries paard was?’
‘Pikzwart. Gisteren.’
‘Dat moet je je verbeeld hebben.’
‘Ja…’ Ademloos stond Harold in zijn blauwe overall, de vouwen er nog in, naar het paard te staren.
‘Doe je de deur even open?’ De man lachte alsof hij wist welk effect zijn paard op de wereld had.
‘’T is achter’, zei Harold. En in dezelfde adem: ‘Maar ik doe het niet.’
De man liep door, zijn paard aan een touw om de smederij heen leidend, met Harold er achteraan. Ook een edele Arabier rook gewoon naar de stal, dacht hij. De hoeven klikklakten op de straatstenen, zoals dat hier al honderd jaar klonk, en eenmaal achter zette de paardenman het dier in de stellage. Hij sloeg het leidtouw losjes om een stalen buis. De oren van het paard tastten onrustig de ruimte af. Ergens bromde een vroege hommel. Hoog in de lucht krijste een buizerd en in de verte tufte een vrachtschip op het kanaal.
‘Meteen beginnen?’ vroeg de man vrolijk. En hij stak zijn hand uit: ‘Krijn Adams.’
‘Harold van de Bron.’
‘Houd je van paarden? Ik wed van wel. Kom dan maar eens naar Groot Rodenburg.’
Dus dit was de nieuwe eigenaar van de stoeterij. Krijn Adams. Toen de man zich voorstelde, herinnerde Harold zich dat zijn vader een paar weken eerder met die naam thuis was gekomen.
Adams zette zijn pet af. Harold kreeg een schok toen hij de man in de ogen keek. De rustige blik. Het stille vertrouwen. Het bemoedigende knikje. De jongen draaide zich snel om en liep naar het paard. Hij liet hem aan zijn hand wennen. Zelf snoof Harold de scherpe, stomende lucht van zijn vacht op. Daarna streek hij langs zijn hals en over zijn snuit. Hij voelde de fluwelen manen en de zachte neus van het prachtige dier. Het paard probeerde achteruit te lopen maar stuitte tegen de ketting. Een siddering snelde over zijn flanken, van achter naar voren en terug.
‘Rustig maar’, prevelde Harold. De hengst keek hem aan, van dichtbij. De oren wezen recht naar voren. Hij brieste en rukte zijn hoofd omhoog waardoor het leidtouw strak om de stalen buis kwam te zitten.

***

Het paard kreeg de schuld. Hij had lang niet kunnen racen. Dat was zijn lust en zijn leven. Nog niet gewend aan zijn nieuwe bestaan. Daarom reageerde het dier zo afwijzend op Harold. Dat soort dingen zei Adams over zijn prachtige, maar uitgerangeerde hengst die hij onverrichterzake weer had meegenomen.
Harold had gezwegen.
Hij zat aan de keukentafel en at een paar boterhammen met belegen kaas. Aan de muur in de keuken hing de zwarte, bakelieten telefoon die normaal gesproken tijdens de lunch bleef rinkelen, omdat iedereen wist dat de smid dan zat te eten. Nu zweeg het ding in alle talen.
Verstopt achter het vuur in de smederij lag de plaat te wachten die hij al meerdere malen had omgeslagen om het staal te versterken. Japanse smeden deden dat soms honderden keren om een samoeraizwaard onverwoestbaar te maken. Zo ver hoefde Harold niet te gaan, want hij gebruikte beter materiaal dan de illustere meestersmeden indertijd op dat geïsoleerde eiland voor handen hadden. Gelukkig maar, anders was hij nog maanden bezig geweest. Harolds volgende stap was het buigen van de plaat in de vorm van de kelk die hem voor ogen stond; de beker uit één stuk, met een sierlijke versmalling net boven de voet. Het mondstuk zelf kreeg een lichte verdikking, anders zou iemand bij het drinken zijn lippen kunnen snijden. Hij wilde de gouden letter als reliëf op het gladde, gepolijste staal aanbrengen.
Harold wist dat hij naar de smederij moest gaan om niet nog meer tijd te morsen. Toch trok hij geen klompen, maar laarzen aan. Hij liep naar de schuur, waar zijn Kreidler stond te wachten totdat hij zestien werd en officieel brommer mocht rijden. Hij haalde de bromfiets van de standaard en duwde hem naar buiten. Harold zwiepte zijn rechterbeen over het lange zadel. Eén keer trappen was genoeg. Hij draaide een paar keer aan het gas en genoot van het jankende hengdengdeng van de ééncilinder. Wekelijks sleutelde hij aan zijn machine, gewoon in de smederij, ook als zijn vader thuis was. Dit hoefde niet in het geniep. Zolang hij maar niet op de openbare weg reed. De zandwegen tussen de boerenvelden waren toegestaan.
Opgedroogde ribbelsporen van grote tractorbanden waren het fijnst. De Kreidler bokte en sprong onder zijn kont en het gevoel van snelheid nam toe. Heel hard ging het niet, maar vermogen had de machine wel. Het liefst had Harold de demper verwijderd, maar zijn vader wilde dat niet hebben omdat klanten dan konden klagen over lawaai.
In de herfst stond de maïs hoog op de velden en reed Harold door wuivende tunnels die veranderden in tribunes vol toeschouwers. Houtwallen waren er bijna niet meer; allemaal verdwenen in de grote ruilverkaveling. Daarom kon hij makkelijk een hele tijd kriskras in het boerenland blijven rijden, zonder obstakels tegen te komen. Het geknetter van zijn motor – in gedachten reed Harold motor – verwaaide in het veld. Bij de verharde weg tussen het dorp en het verder weg gelegen stadje stopte Harold. Verder mocht hij niet van zijn vader. Normaal zette hij hier de Kreidler even op de standaard om benen en rug te strekken en daarna terug te keren. Nu niet. Nu bleef hij stilstaan bij de grens, zittend op het zadel. Hij keek om zich heen. Er was niemand. Wie zou hem tegenhouden? Schuin tegenover hem ging een mooie zandweg de landerijen in. Daar had hij nog nooit gereden, ook niet op de fiets. Het land hoorde vroeger bij een herenboer.
Pas toen hij zich op die onbekende zandweg bevond en door een brede bocht scheurde, realiseerde Harold zich dat hij op weg was naar Groot Rodenburg, de stoeterij van Krijn Adams, gevestigd in de oude, majestueuze herenboerderij die verderop moest liggen. Hier geen maïs, maar velden met tientallen, grazende paarden. Hij zag hoe sommige dieren schrokken van het lawaai waarmee hij aan kwam racen en hij nam gas terug. De zandweg ging over in donker asfalt dat een zwarte streep trok tussen houten hekken en glooiend grasland. Links van hem wees een rij hoge beuken de weg naar de voormalige herenboerderij, waar nu de paardenfokker woonde. Aan het begin van de beukenlaan groeiden dichte, donkergroene rododendrons. Harold zette zijn Kreidler erachter.
Uit het zicht.
Hij liep naar de rand van het dichtstbijzijnde weiland omdat hij in de verte de grazende, hazelnoten Arabier zag, het paard dat hem ‘s ochtends zo genadeloos had geweigerd. Dichterbij zat een kind op het hek, dat naar de paarden keek. Harold aarzelde en bleef staan. Het kind droeg volwassen kleren in een jongensmaatje; een gilet, een overhemd met opgerolde mouwen, een strakke rijbroek en hoge laarzen. Zijn hoofd was kaal. Hij draaide zich een kwartslag en keek naar de smidsjongen alsof hij hem had verwacht, wat minder vreemd was dan het leek, bedacht Harold, omdat de Kreidler niet bepaald geluidloos had gereden.
‘Kom maar.’ Een volwassen stem.
Harold ging naast hem staan en zag een bruinverbrand, gegroefd gelaat.
‘U bent… een jockey?’
‘Goed geraden, kerel. Dat prachtige dier daar met die vossenstaart en dat trotse hoofd. Daar reed ik op.’
Harold keek.
‘Er wordt beweerd dat het paard het enige dier op aarde is dat samen met de mens op het slagveld wil vechten. Wist je dat?’
Harold wist het.
Om zich een houding te geven, legde Harold een hand op het hek, maar hij bleef zich lomp en zwaar voelen bij dit mannetje dat als een zucht naast hem zat.
‘Paardenracen. Ben je bekend met paardenracen?’
Harold haalde zijn schouders op.
‘Het moeilijkste is de finish te vergeten. Niemand wil naar de finish. Ook een paard niet. Wie verlangt naar het einde? Toch is dat wat ik jaren gedaan heb. Mijn edele paard naar de finish jagen. Ik begreep niet dat hij uit zichzelf bereid was zo snel mogelijk te galopperen. Gewoon omdat hij genoot van zijn roffelende hoeven op de track. Omdat hij het fijn vond licht te zweven en hard de grond te raken. Kadam. Kadam.’
Onwillekeurig bewoog het lichaam van de jockey mee met zijn laatste woorden en het leek alsof de Arabier in de verte getuige was van het gesprek aan het hek, want hij had zijn hoofd opgericht en keek naar hen alsof hij werd geroepen.
‘Ik moest uw paard beslaan. Maar ik kon het niet.’
‘Fedallah heet hij. Fedallah. Wist je dat? Een naam die je makkelijker kan dromen dan verzinnen.’
‘Vanmorgen. Moest ik Fedallah nieuwe hoefijzers geven.’
‘Doe het morgen opnieuw en geniet alleen maar van de kracht van het dier, de hitte van het vuur en de adel van zijn benen. Dan kan je je gang gaan. Dat weet ik zeker. Denk je dat het lukt?’
‘Nee… Ik… ik wil… Ik smeed een beker, omdat mijn vader…’
‘Omdat?’
Harold zag dat Fedallah op hen af kwam lopen, zonder naar hen te kijken, in majesteitelijke achteloosheid. Elke slenterende stap bracht de hengst dichterbij. Het geluid van een motormaaier in de verte scheurde de stilte aan flarden. Boven de horizon zweefde een onverschillige roofvogel, achtervolgd door pikkende kraaien. Het paard had de afstand overbrugd en duwde zijn snuit tegen Harolds borst, alsof het dier wilde zeggen dat hij als de sodemieter terug moest naar de smederij.

***

Harold probeerde niet te denken aan de lange dagen en nachten die hij alleen met zijn vader in hun huis, de winkel en de smederij had doorgebracht. Als het toch gebeurde, als hij voor zich zag hoe het zou zijn als zijn vader straks terug was en alles van voren zou beginnen, het samen eten in de keuken, de televisie die de stilte tussen hen vergrootte, de rinkelende telefoon, als die beelden zich aan hem opdrongen terwijl hij het vuur opporde of een stuk gereedschap van de oude werkbank pakte, dan drukte hij ze weg, terug naar de leegte waaruit ze tevoorschijn waren gekomen.
Dat lukte na een tijdje beter dan hij had verwacht en toen hij eenmaal kon werken zonder aan de finish te denken, zoals de jockey het had uitgedrukt, kwam de stalen kelk onder zijn handen tot leven. Terwijl Harold in de hitte van het vuur zijn hamers hanteerde, vlijde het staal zich gloeiend om de conus van het aambeeld alsof het wist hoe het zich moest buigen, zoals een brok marmer in staat is het in zichzelf opgeslagen beeld vrij te laten en zoals vogels zingen. Hij werkte in stilte, was zich niet meer bewust van de vakantie en dacht evenmin aan de op handen zijnde thuiskomst van zijn vader. Het vuur kroop in zijn bloed. Roet verdonkerde zijn wenkbrauwen en sloeg neer in zijn oogkassen. Soms masseerde hij zijn nek. Een andere keer woelde hij door zijn haren. Langzaam veranderde hij in het archetype van de zwarte smid die het enigma van koppig, weerbarstig metaal ontsluierde.
De dag ging over in de nacht. Een nieuwe ochtend brak aan.
Harold keek naar de kelk die op zijn smalle voet een stukje van de oude werkbank innam, naast de bankschroef. Hij was nog niet klaar. De gouden B ontbrak, omdat hij er maar niet aan kon beginnen. Iets had hem tegengehouden. Maar de beker zelf was af. De insnoering boven de voet was rank als een meisjestaille. Op weg naar het verdikte mondstuk verbreedde het flinterdun gesmede staal zich bijna ongemerkt. Honderden keren had Harold zijn werkstuk om en om gedraaid, steeds weer speurend naar een oneffenheid in het oppervlak, met argusogen zoekend naar een spoor van de las die tenslotte exact in de ronding van het metaal was verdwenen.
Hij deed het vuur uit, liep naar de grote baanderdeur en ging naar buiten. De dag was koud en winderig. Verdroogde bladeren wervelden om zijn klompen terwijl hij langs de weg kloste. In de keuken waste hij zijn handen. Daarna kleedde hij zich uit en stapte hij onder de douche om zich te schrobben. Met een tintelende huid kroop hij in bed.
Tegen de avond ging hij terug naar de smederij, waar het nog warm was omdat hij was vergeten de kachel uit te doen. Hij moest begrijpen wat hem had tegengehouden toen hij het goud wilde smelten. Harold zette de graal op het aambeeld, stak in de donkere smederij het vuur aan, pakte een oude stoel, ging zitten en staarde lang naar de reflectie van de spiegelende vlammen in het metaal. Het was alsof hij niet op een woord kon komen, een woord dat zich in zijn binnenste verschool als schuw verraad.
Hij zag in de vlammen hoe hij opnieuw naar de stoeterij reed. Deze keer was hij van de andere kant gekomen, niet via het zandpad maar over de weg. Op het laatste stuk, tussen de herfstige, roodbruine beuken, nam hij gas terug. Hij zette zijn Kreidler naast de grote Jeep, voor het witte gebouw.
‘Rustig maar’, zei Harold tegen de Rottweiler die hem grommend tegemoetkwam. De hond kalmeerde en liep met hem mee de trappen van het bordes op, naar de voordeur. Nog voordat Harold de deurklopper kon gebruiken, draaide de zware deur naar binnen open.
‘Welkom’, zei Adams en hij maakte plaats voor Harold die de hal betrad. De Rottweiler bleef buiten. Adams sloot de deur.
Een glanzend gewreven houten vloer werd verlicht door een kroonluchter met honderden glazen tongen. De hal was ellipsvorming. Links voerde een brede trap naar boven. Rechts stond de deur naar de woonkamer open.
‘Wat kan ik voor je doen?’
Harold had zijn beker in de hand. Hij zag hoe het warme licht van de kroonluchter over het gladde staal gleed. Tot zijn verbazing bevatte de kelk geen letter maar een harpoen die vlamde alsof hij er elk moment af kon schieten.
‘Wilt u deze beker aan Fedallah geven?’ vroeg Harold. Zijn stem was onvast.
‘Maar… Hij is prachtig. Een meesterstuk. Je moet hem zelf houden’, zei Adams die de beker niet aannam. ‘Het paard heeft al zoveel…’ Terwijl hij sprak, wees hij op de vitrinekast, verderop in de hal. Hij liep er naartoe. Harold kwam achter hem aan. Adams ging de kast voorbij en opende een deur achter in de hal, draaide zich om en zag dat de jongen was blijven staan.
‘Hé, kunstenaar. Kom je nog?’
Adams stond in de deuropening. Hij stapte naar buiten.
Harold vond de paardenman terug in de winkel met de glazen pui, pal naast de smederij. Verdwenen waren de gloeilampen, fietsen en dozen met stofzuigers en sapcentrifuges, net als de witte tl-buizen aan het plafond. Gouden kroonluchterslicht bescheen hun oude, houten werkbank. Op enkele verfijnde instrumenten na was het ingekorte en gladgeschaafde blad leeg. Elders in de voormalige winkel straalden halskettingen, ringen en armbanden op zwart fluweel in glazen vitrines.
‘Goudsmederij H. van de Bron’, zei Adams, met een breed armgebaar.
Harold staarde naar de tafel in het midden van de winkel. Daar stond zijn kelk, gevangen in een bundel licht. Kunstenaar had de fokker gezegd, goudsmid.
De rest van de nacht wist Harold één ding zeker. Hij moest een lange, slanke harpoen maken, die precies om de buiging van de kelk paste en zichzelf net niet in de staart prikte. Mocht hij te weinig goud hebben, dan zou hij het legeren met koper. Koper was er genoeg in de smederij.

***

Het was schemerig toen Harold wakker werd. Hij wist meteen dat zijn vader thuis moest zijn. Hoe zou hij reageren op de verrassing van de kelk met de roodgouden harpoen? Want hij had inderdaad een beetje koper moeten gebruiken. De pijl gloeide als de dageraad. Harold wilde er later zijn meesterteken van maken.
Het bleef stil in huis. Zeker moe van de reis, dacht Harold. Hij wachtte nog even en liep toen in zijn pyjamabroek naar de keuken. De open doos stond er zoals hij hem had achtergelaten, de kelk erin. Geen spoor van zijn vader. Harold stapte in zijn klompen en liep door de donkere winkel naar buiten, om te kijken of zijn vaders bus bij de schuur stond.
Buiten was het druilerig en waterkoud. Er brandde licht in de smederij. Harold liep naar de deuren en ging naar binnen. Zijn vader was de kolen in de vuurplaats aan het bijvullen. Het gereedschap dat Harold de afgelopen dagen had gebruikt, lag schoon op de houten werkbank en de vloer die bezaaid had gelegen met roet en slakken was aangeveegd, de rommel opgeborgen in het grote blik aan de lange bezemsteel. Zijn vader moest hem hebben gehoord, eerst buiten, toen in de deur en nu binnen, maar hij keek niet op of om, terwijl hij een doek met olie besprenkelde om het kale aambeeld in te vetten.

 ©Jan Kloeze / foto Giuseppe Toppers

Lees ook bijvoorbeeld Onvatbaar of Volmaakte beheersing.