Arend van Sion vertelde me ooit dat hij zijn tweelingziel had laten gaan. Ze was een Palestijnse. Ondanks zijn Hollandse naam had Arend zelf ook iets Oriëntaals met zijn golvende, zwarte haardos, diepliggende ogen en scherpe kaken. Niet langer dan één meter vijfenzeventig. Een mond als een mes.

Als hij lachte, onthulde hij een slordig gebit met een schittering van goud en zilver. Op zijn tweeënveertigste kon hij met dat Oosterse hoofd gemakkelijk doorgaan voor een magiër, al droeg hij geen tulbanden of djellaba’s, maar verschoten spijkerbroeken en helgekleurde overhemden.
Ik was een paar jaar jonger en leerde hem kennen in zijn publieke functie als maatschappelijk werker, de positie waarmee hij de wereld tegemoet trad. Ik deed iets leidinggevends bij dezelfde organisatie.
Later ontmoette ik ook zijn wat meer verborgen bestaan. Hij genas mensen op afstand met behulp van een fotootje of een ongewassen kledingstuk. Handoplegging was zijn specialiteit. Hij omkleedde zijn genezingswerk trouwens helemaal niet met heiligheid of andere poespas. Ik wist dat, omdat ik op een gegeven moment zelf zijn patiënt werd.
Toen waren we al een soort vrienden geworden, omdat Arend me gevraagd had samen met hem les te geven op de School voor Filosofische Ontwikkeling die hij oprichtte nadat hij met maatschappelijk werk was gestopt. Hij huurde een prachtig herenhuis in het centrum van Zutphen, waar hij ging wonen en waarin hij ook zijn School vestigde. Al snel had hij, deels vanuit zijn oude werkkring, zoveel deelnemers dat hij een tweede tutor nodig had.
Ik keek tegen Arend op. Dat wil ik best toegeven.
Daarom stemde ik er meteen mee in om hem te assisteren toen hij een ceremonie had bedacht. Waar het op neer kwam, was dat ik weinig hoefde te doen, behalve aandachtig schuin achter hem staan en alle cadeaus aannemen.
Ik was zaterdags al vroeg bij hem thuis, om samen voorbereidingen te treffen. Rond een uur of drie waren gedrapeerde doeken naar beneden gekomen en weer opgehangen. Een damasten tafelkleed bleek een oude wijnvlek te bevatten, waar we een kandelaar opzetten. Van de wierook moesten we niesen. Op een gegeven moment kregen Arend en ik de slappe lach van de hele poppenkast.
Liesbeth en haar vriendin Annemarie meldden zich als eersten. De dames waren ernstig, stil en prachtig aangekleed. Ze hadden veel werk gemaakt van de cadeaus die schitterend waren verpakt in zelf beschilderde kistjes. Kort na hen volgden de anderen. De hal van het grote herenhuis liep vol. We verplaatsten ons naar de kamer aan de straatzijde.
‘Hoe gaat zo’n initiatie?’ vroeg Joost, toen iedereen zat.
Arend vertelde het ons.
‘Waarom ook alweer?’ Willemien, een wat zenuwachtige vrouw van de maandagavondgroep.
Arend legde het uit.
Daarna vroeg hij of er blokkades waren in de groep die besproken moesten worden voordat we aan de ceremonie konden beginnen en zo kwamen we uit bij Joke, die vertelde hoe ze geplaagd werd door verdriet.
‘Zo kort… Mijn jochie… Waarom?’ Joke zat snikkend op de eerste rij, naast Liesbeth die kort een troostende hand op haar been legde. De anderen probeerden stil en aandachtig te zijn.
‘Wat gebeurt er als je een kind krijgt?’ vroeg Arend. Kaarsrechte rug. Voeten stevig op de grond. Zijn gezichtsuitdrukking was voor mij onzichtbaar. ‘Wat is conceptie?’
‘Versmelting…’, probeerde Erik, schuin achter Joost. ‘Van zaad en…’
‘Gebeurt er dan?’
‘Leven, dat ontstaat?’
‘Is er dan al bewustzijn?’
Sommigen knikten. Anderen humden instemmend.
‘Waar komt bewustzijn vandaan?’
‘Van God?’ vroeg Erik.
‘Is er verschil tussen God en bewustzijn?’
‘Wat heeft dit te maken met wat Joke heeft ingebracht?’ Dat was Corry, altijd in de contramine. Ik zag dat ze een slordig in krantenpapier verpakt cadeautje bij zich had.
‘Laat ik het anders vragen’, zei Arend. ‘Kan er bewustzijn ontspringen aan iets dat geen bewustzijn is?
Stilte.
‘Hoezo?’ Corry weer.
Toen Arend opnieuw het woord nam, kreeg zijn stem een andere klank.
‘Net zomin als er iets uit niets kan ontstaan, kan bewusteloosheid leiden tot bewustzijn. Als je er echt over nadenkt, ligt het voor de hand. Behalve bewustzijn zelf, kan er niets zijn dat bewustzijn creëert. Dus, het grote, kosmische bewustzijn splitst een klein, plotseling begeesterd organisme af, de foetus, het kind… Klinkt aannemelijk, hè? Maar klopt dit wel? Kan bewustzijn meer bewustzijn creëren? Hoe? Waar komt het extra bewustzijn dan vandaan?’
Arend liet een lange stilte vallen.
‘Er is maar één conclusie mogelijk. Alle manifestaties moeten onderdeel zijn van één en hetzelfde, onbegrensde bewustzijn. Gurdieff noemt dat Het Al. Dat geldt ook voor onze kinderen. Zij zijn onderdeel van hetzelfde onbegrensde bewustzijn als waar de ouders toe behoren. Dualiteit is gemanifesteerde illusie. Ooit moeten moeder en kind afscheid nemen van de schijnbare scheiding tussen hen.’
Hij keek naar Joke. Ze knikte aarzelend, met trillende mond. Voorzichtig veegde ze wat tranen weg.
Arend startte een korte meditatie om iedereen rustig te laten ademen. Daarna gingen we over tot de individuele initiaties. Om half zes waren we klaar en was iedereen de deur uit. Op de tafel met het damasten kleed stonden de cadeaus. Arend schonk een glas wijn voor ons in.
We zaten in de grote woonkeuken van het huis. Arend vertelde me hoe hij de Palestijnse vrouw laten gaan. Het was acht jaar geleden. Hij zat in een verlaten klooster in Caïro, waar hij het soefisme bestudeerde – Gurdieff was onder veel meer óók een soefi – en deze vrouw wilde er met hem vandoor, de woestijn in, hun onwaarschijnlijke versmelting vieren. Het bestaan met haar was wild en tegelijk sereen, vertelde Arend mij met een spijtige glimlach om zijn smalle mond. Hij had hun zielen opnieuw moeten splitsen. Zij waren daar bijna aan onderdoor gegaan.
Hij koos voor zijn studie in de geheime kloosterschool, want hij voelde dat als zijn onverbiddelijke roeping. Waarna zij in haar eentje met een karavaan vertrok. Beiden wisten dat ze elkaar nooit meer zouden zien. Zo’n zeldzame kans bood het universum volgens Arend maar één keer.

Mijn vrouw had een hekel aan hem. Ze vond hem eng. Als Arend een magiër was, dan beoefende hij zwarte magie. Dat beweerde ze vaak. En ze vond het dus ook niks dat ik een groep was gaan leiden op die School van hem. Toch liet ze toe dat hij af en toe bij ons kwam eten. En dan deed ze, raadselachtig genoeg, zelfs haar best op het menu.
Toen we bijna een jaar later een baby kregen, was dat wat mij betreft aan Arend te danken. We hadden hem aan tafel verteld dat het niet wilde vlotten met zwanger worden en hij had ons tijdens dat diner behoorlijk doorgezaagd over de vraag waarom we zo nodig een kindje wilden. Uiteindelijk moesten we allebei, mijn vrouw en ik, toegeven dat we slechte ervaringen hadden met de opvoeding door onze ouders, die vooral gekenmerkt werd door slaag en ontkenning. En dat we het beter wilden doen.
‘Dan krijg je een moeilijke’, had Arend gezegd, met een spottende lach op zijn gezicht.
Een paar dagen later, toen de cursisten weg waren, vroeg hij me een fotootje van mijn vrouw mee te nemen, wat ik deed zonder het thuis te vertellen. Zelf onderging ik een behandeling bij hem op de bank. Ik mocht mijn kleren aanhouden, maar intiem was het nochtans.
Werkte het niet, dan was er niets aan de hand. Lukte het onverhoopt wel, dan wilde ik mijn vrouw in haar zwangerschap niet verontrusten over de manier waarop de conceptie tot stand was gekomen.
Op een knisperende vorstdag in februari kregen we een kerngezond knulletje.
Natuurlijk kwam Arend op kraamvisite. Hij nam een bergkristal voor de babykamer mee en hij stelde een andere naam voor. Wij hadden onze zoon Arjan genoemd. Maar hij wist dat het Melchior moest worden. Als we ons baby’tje Melchior zouden noemen, compenseerde dat het karma waarmee we hem bij de geboorte hadden opgezadeld door het beter te willen doen dan onze ouders.
Na zijn vertrek stelde mijn vrouw me dezelfde avond voor de keuze. Stoppen met haar of met Arend van Sion. Ik kon haar niet op andere gedachten brengen. Ik vroeg haar, wat is nou een naam? Maar ze was onwrikbaar. Het was de eerste ruzie die ons zoontje, vanuit zijn wieg in de woonkamer, moest bijwonen. En dat terwijl we ons hadden voorgenomen nooit ruzie te maken in zijn aanwezigheid. Het was al begonnen, dacht ik.
Ik voelde me een laffe, ondankbare hond toen ik Arend de volgende dag in zijn prachtige herenhuis vertelde dat ik hem, mijn eigen groep en zijn School zou verloochenen. Ik stond voor hem. Hij zat in kleermakerszit op de grond, middenin de hoge opkamer aan de straatzijde en gaf geen krimp.

©Jan Kloeze

 Lees ook Waarover wij spraken, dat ik schreef om vorm te geven aan de dood van een dierbare vriend. Of kies voor In bad, één van de verhalen uit Het boek Job, mijn roman van de toekomst.