Achteraf was de oproep om mijn kiezen te laten vervangen het eerste teken dat Mevrouw Bohr mij op had genomen in haar verbeteringsprogramma. Hoe de selectie precies in zijn werk ging, wist niemand. Misschien had het te maken met mijn vitale beroep. Niettemin, sommigen werden wel uitgekozen, maar de meesten niet. Waarschijnlijk werd hen weinig kansen toegedicht. Misschien waren ze te beschadigd uit de Crisis gekomen.

Toen het Virus was uitgewoed, werkte ik nog steeds als docent natuurkunde op een middelgrote school. Niet ongelukkig getrouwd. Kinderloos. Het algoritme pikte mij dus uit de massa overlevenden. Een keus had ik niet.

De eerste ingreep was nog vrij klein voor een volwassen man met een gebit dat meerdere renovaties had gekend, maar waar ik nog best mee kon leven. Mijn nieuwe porseleinen kronen kwamen dankzij relatief eenvoudige CAD/CAM-technieken precies op maat uit een 3D-slijper. Ik wachtte op de gang en luisterde naar het nijdige gezoem dat mij dwars door de deur bereikte. Net als elke volgende stap in het programma van Mevrouw Bohr was ook deze min of meer vanzelfsprekend en onafwendbaar. Voortaan had ik een artificieel gebit.

Toen later in datzelfde jaar een forse operatie aan mijn spierskeletsysteem noodzakelijk werd geacht, accepteerde ik dat zonder morren. Net zoals mijn gebit haperingen kende, gold dat ook voor mijn gewrichten die in de loop van het leven stram waren geworden. Pijn in mijn rug hoorde erbij als ik les stond te geven. Ik wist niet beter. Dus ging ik vrijwillig door een scanroom, zodat mijn botten, spieren, huid en vet digitaal konden worden gemodelleerd. De scanner legde onder meer vast welke krachten noodzakelijk zijn als ik loop, buk of hurk. Een labcomputer berekende de suikeropname van mijn spieren en het resultaat van die metingen werd over mijn bewegingsmodel gelegd. Zo konden de artsen van het Spierskeletverbeteringsziekenhuis precies vastleggen welke implantaten in mijn specifieke geval nodig waren.

Weer een paar maanden later was mijn rechteroog aan de beurt. Hoewel ik de laatste rijen in de klas nog wel kon zien, had dat oog een lens met min zes, plus twee en een forse cilinderafwijking. Het functioneerde best redelijk, zij het niet ideaal. Het Oogverbeteringsziekenhuis werkte erg efficiënt en kende geen wachtkamers. In de gangen deed de uitgestorven leegte me denken aan beelden van verlaten woningen en kantoren uit de Virusgebieden die in het begin van de Crisis nog vrijelijk werden uitgezonden. Dat was geen prettige associatie, maar rechtsomkeer maken was er niet bij en eenmaal onder de goede zorgen van de artsen en verpleegkundigen wist ik me ondanks alles te ontspannen.
Zolang ik naast het nieuwe oog mijn eigen exemplaar nog had, was het controlemechanisme intact en kon ik zelf nagaan of de signalen die door mijn verbeterde oog werden overgebracht wel klopten. Soms niet. Soms vertelde mijn linkeroog een ander verhaal dan mijn rechter. Bijvoorbeeld toen ik na een controle in de schemering op een perron mijn weg zocht naar de shuttle die me terug naar huis zou brengen. Mijn ene oog meende op een gegeven moment mijn moeder in de menigte te herkennen. Terwijl mijn andere oog onverschillig rustte op de vrouwengestalte die ik voor mijn moeder hield in de absolute zekerheid dat zij aan het Virus was gestorven.

Gelukkig herkende ik moeiteloos de juiste shuttle.

Was het omdat ik zo mooi rechtop liep? Zagen ze daarom dat ik was verbeterd, zoals Mevrouw Bohr het zou noemen? Hoe dan ook, de twee vrouwen in de cabine zwegen onmiddellijk toen ik bij hen kwam zitten. Ze hadden gelijk. Ik was een Ziener geworden. Als een Ziener kijkt, kan dat worden opgevat als overheidsbescherming, maar eveneens als afstandscontrole.
Toen mijn andere oog moest worden vervangen, had ik daarna slechts nog herinneringen aan de wereld die ik ooit zelf had ervaren. Daar moest ik het mee doen. Stel je voor dat iemand in het donker hard op je oogbollen drukt, terwijl signalen in het daglicht zich aan je opdringen en schreeuwen om een zinvolle interpretatie. Dat was de realiteit toen twee verbeterde ogen verbonden werden met het originele brein dat nog altijd mijn bewustzijn vormde. Totale chaos. Die trouwens na een tijdje transformeerde tot een min of meer geaccepteerde status quo. Het adaptief vermogen van de mens, van mij, om onwelgevallige ruis weg te filteren was nog steeds fenomenaal.
Dit adapteren had enkele onhandige bijwerkingen. Epilepsie en depressiviteit bijvoorbeeld. Als gevolg van neerslachtigheid, ontwikkelde ik bovendien hart- en vaatproblemen die op hun beurt effect hadden op bloeddruk, stofwisseling en libido. Overigens kon niets van dit alles Mevrouw Bohr verontrusten. Ik kreeg medicijnen voorgeschreven; gepersonaliseerde pillen. Daartoe maakte ze op de afdeling Biomarkering een DNA-profiel en bracht ze mijn genomen in kaart. Dat lukte dankzij de combinatie van deep learning, artificiële intelligentie en systeembiologie. Ik heb ongeveer 21.000 genen. Het aantal basenparen van het DNA per genoom bedraagt zo’n twee miljard stuks. De omvang van de inventarisatie is duizelingwekkend, maar voor Mevrouw Bohr een peulenschil.

Vanaf de halte van de shuttle was het slechts tien minuten lopen naar de woning waar mijn vrouw en ik waren ondergebracht. De persoon met wie ik samenleefde, was niet meer dezelfde als degene met wie ik indertijd, ver voor de Crisis, was getrouwd. Haar stem was onveranderd en zou ik uit duizenden herkennen, maar in haar gezicht was ze jonger geworden, zelfverzekerder ook en in zekere zin, net als ik, gezonder. Ik vermoedde dat ze eveneens in het programma was opgenomen. Maar ergens in de krochten van mijn herinneringsbewustzijn wist ik dat niet haar presentatie maar mijn waarneming was gewijzigd. Kon het zijn dat ze een middelbare vrouw was, terwijl ik haar zag als een steeds jongere en steeds aantrekkelijkere partner? Deed dat er iets toe?
De voordeur sprong tegenwoordig automatisch open als ik me op een meter afstand bevond. Ik liep naar de woonkamer en het leek alsof het licht in het huis mijn weifelende stemming wilde compenseren.
‘Dag schat.’
Mijn vrouw kwam me tegemoet en kuste me zacht. Ik legde een hand op de holte in haar rug en verbaasde me over de kracht van haar spieren onder het dunne shirt. En ik vroeg me af hoe ze mij beleefde. Was iemand die antipsychotica slikte minder waarachtig als echtgenoot? Was de liefde bedrijven met hulp van sildenafil minder liefdevol?

Eerlijk is eerlijk, na verloop van tijd zakten al dit soort twijfels en onzekerheden als fall-out naar de achtergrond. Een uitverkoren docent in een buitengewoon veelomvattend en zeer prijzig verbeteringstraject mocht niet klagen. Lang niet iedereen kreeg deze kansen. Wat deed het ertoe dat ik nog slechts een vage herinnering aan mezelf koesterde, wat deed het ertoe in het licht van mijn verbeterde, supersonisch afgestelde, biodroïde systeem in combinatie met een datagestuurde routeplanner voor mijn gezondheid? Ik was onvatbaar.

©Jan Kloeze

Kijk ook eens naar mijn poging het boek van de toekomst te schrijven of lees Volmaakte beheersing.