In plaats van met mijn vriend René zit ik met K., zijn blonde vriendin, in het café. Ze is net als ik in 1959 geboren, maar dieper getekend door het leven. Surrogaat, zegt ze over zichzelf met een wrang glimlachje op haar gegroefde gezicht.

Namaak, omdat ik altijd met René ging drinken. Mannen onder elkaar. Deze avond drink ik met haar en praten we over ons verdriet. Want René is dood, slachtoffer van een terroristische aanslag in Tadzjikistan. Als we afscheid nemen, zegt ze dat ik haar toch eens moet vertellen waar wij het altijd over hadden.
Wij spraken bijvoorbeeld over mijn interview met G., een van de topacteurs van Nederland. Dat interview vond plaats in het Amsterdamse café Americain. Chr., eigenaar van een trainingsbureau, was erbij omdat hij G. had gecontracteerd voor een evenement waar de acteur enkele scènes uit koningsdrama’s van Shakespeare zou spelen en hier gingen ze dat voorbereiden. Mij was gevraagd wat aanvullende vragen te stellen en een verhaal te schrijven waar Chr. in de marketing goede sier mee kon maken.


Toen G. zat en zijn koffie had ontvangen, vroeg de directeur aan de acteur of hij nog wist hoe de grote schrijver Harry Mulisch zijn beroemdheid in Americain placht te benadrukken. Ja, hij liet zich omroepen: ‘telefoon voor de heer Mulisch’. G. antwoordde welwillend, ondanks de versleten anekdote.


In Lang zullen we leven zit die scène ook weer, zei ik. Die film was net uit en ik las de recensie in de krant. Bleek dat G. de voorstelling een paar dagen geleden in de voorvertoning had gezien. Zijn zoon speelde een van de hoofdrollen, vandaar. Waarna de acteur met mij praatte over de film, de manier van acteren door zijn zoon en de hoge leeftijd van de regisseur.
Toen er een stilte viel, was dat het moment voor Chr. om de bal terug te halen. Waarna we aan het werk konden gaan. Maar dat deed hij niet. Hij liet de stilte voortduren. Dus begon ik zelf maar over onsterfelijke toneelschrijver uit Stratford upon Avon. G. kwam met Othello op de proppen, volgens hem ideaal voor leiderschapstrainingen. Zijn heldere toneelstem bracht Tiago’s manipulatie van Othello tot leven. Ik had het stuk gelezen en toen G. was uitgesproken, reageerde ik door de slotscène ter sprake te brengen.


Plotseling snoerde Chr. mij de mond. Hij was degene die de acteur moest instrueren over het optreden op dat evenement, niet ik. Dat was mij niet toegestaan.
Wat is hier gebeurd? Ik vroeg het René, terwijl de kastelein ons twee nieuwe IPA-biertjes voorzette. René was onder veel meer óók psycholoog en antwoordde niet meteen. Dus ratelde ik door. Ik krijg de kans om met die G. te praten over dingen die me werkelijk interesseren. Shakespeare. Drama. Cultuur. Acteren. Regisseren. En de man biedt mij inzichten van binnenuit. Maar dan word ik teruggefloten. Zie je wel, vertelde ik René, ik moet dus af van mannetjes als Chr., die in mijn praktijk als broodschrijver vele namen hebben. Ze bekijken het allemaal maar.
Nee, zei René met die slimme glimlach in zijn ogen. Je bent gewoon een alfamannetje. Maar in dat gesprek niet. Daar zat Chr. bovenop de rots en hij wees je even je plaats. Je had de situatie beter moeten lezen om de rol te spelen die voor jou was weggelegd. Geen stiltes opvangen. Geen situaties redden. Niet shinen met je kennis van Othello of van de Nederlandse filmscene. Waar ik eigenlijk de arrogantie vandaan haalde dat ik met topacteur en Shakespeare-kenner G. even een paar scènes kon doornemen? Die vraag kreeg ik ook nog voor mijn kiezen.
Ik bestelde meer bier en haalde One flew over the cuckoo’s nest erbij. Natuurlijk kende René de film en het boek. De gekken op de afdeling van nurse Ratched zaten daar vrijwillig, net zoals ik aan dat verrekte tafeltje in Americain, door niets of niemand gedwongen. Ik had als het ware door het raam moeten springen. In de film en het boek durfde alleen Chief Broom voor de vrijheid te kiezen. Ik niet, want ik was te bang om mijn opdracht kwijt te raken.
René luisterde, met het glas aan zijn lippen.

Beelden van de aanslag kwamen al snel beschikbaar. Die hele zondagnacht in juli 2018 hield ik obscure, vrijwel onleesbare Aziatische nieuwssites in de gaten en checkte ik Nederlandse kranten online. Vijf piepjonge Tadzjieken, gehersenspoeld in Syrië. Met een razende auto op een groepje fietstoeristen ingereden; twee Zwitsers, twee Amerikanen en twee Nederlanders. Uitgestapt en met messen het karwei afgemaakt. Daarna weer in de auto en nogmaals over en tegen de al dodelijk gewonde fietsers gereden. Vier dood, waaronder René. De Zwitserse zwaargewond. K. overleefde het miraculeus. Toen de aanslagplegers weg jakkerden, hield ze met een bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest passerende auto’s aan, om hulp smekend. Eerst reden ze allemaal door. Toen stopte er iemand. Tevergeefs. Want René ging dus dood. Van het ene moment op het andere. Zoals je een vlieg doodslaat, vanuit het perspectief van de vlieg. Pats. Om met Toon Tellegen te spreken. Uit het leven geslingerd. Plotseling substantieloos. Plotseling veroordeeld tot een schim in een schimmig geheugen. De humor en de ernst van René vertrokken. Zijn twinkelende ogen gedoofd.
Ik herlas zijn reisblog. Eerst Pamir fietsen en dan sterven. Geen slechte titel, natuurlijk. Het is min of meer René’s levensmotto geweest. In plaats van Pamir kunnen we het hebben over een woonboot in de Amstel leggen, een dijkhuisje in Friesland verbouwen, een houten sloep restaureren, zeiltochten op de Noordzee maken, starten met een professionele bierbrouwerij, schrijven van een boek, een halve marathon lopen, een motortocht naar de Poolcirkel maken, fietsen om de Middellandse Zee, het voeren van een psychologische praktijk, het bouwen van een depot voor Nederlands cultureel erfgoed en het opvangen van jonge mensen in een ernstige crisissituatie. Hij deed alles op die merkwaardig onverschrokken manier alsof hij inderdaad steeds bereid was te sterven aan het nieuwe doel dat hij zich stelde, aan de volgende rol die hij op zich nam.

Zelf hield ik de roze roos en aan mijn vriendin C. gaf ik de kleurrijke rastabloem op een brede steel. We waren mooi op tijd en konden nog een goed plekje voor onze bloemen uitzoeken. Zij koos de grond en ik de kist. Waar René in moest liggen. De bloemen mogen bij René zei de gastvrouw bij binnenkomst. Dus daar moest hij wel zijn, in de kist.
C. had aangeboden met me mee te gaan naar de uitvaart. Ze wilde me steunen als ik dat nodig had. Normaal gesproken had ik dat geweigerd en vriendelijk bedankt. Maar ik voelde me roekelozer dan normaal, misschien wel juist door de dood van René. Als ze meeging, werd het spannender en levendiger dan wanneer ik alleen bleef. En zo kwam het dat ik met een prachtige, stemmig geklede en rijzige vrouw aan mijn zijde het herdenkingsveld betrad.
Er was gekozen voor Undercurrent, aan het IJ in Amsterdam Noord, een gebouw met glazen wanden aan het water. Iemand opende de bijeenkomst in mooie, rustige woorden. ‘Ga je spreken?’ mimede een bekende. Ik schudde mijn hoofd.
In de uitpuilende zaal stonden we aan de zijkant. Ik keek naar het podium, luisterde naar muziek en naar sprekers, onderwijl mijmerend over de zeilboten in mijn gezichtsveld, op weg naar IJmuiden, van waar ik samen met René ruim 25 jaar geleden als opstappers voor het eerst naar Engeland zeilde.


Die reis leverde een moment op dat we ons bij elke ontmoeting herinnerden zonder erover te hoeven spreken. We voeren op de Noordzee terug van Engeland met een woedende depressie schuin achter ons. Het laag bevond zich nog op afstand maar de fronttroepen hadden ons al bereikt. Golven torenden hoog boven ons hoofd uit terwijl de schipper zeeziek te kooi lag. René nam ’s nachts de helmstok van me over. Het kwam erop aan. Een stuurfoutje was zo gemaakt en dan kon een klapgijp ons doen kapseizen. Op het moment dat René, geschrokken door een suizende windvlaag en een sissende golf, de helmstok in een reflex foutief naar zich toe wilde trekken, legde ik mijn hand op zijn hand. Zonder iets tegen hem te hoeven zeggen in die kakofonie van water en wind, nam hij mijn kennis over, mijn jarenlange zeilervaring stroomde naar zijn ziel en vond daar een haven. Urenlang bleef René daarna sturen zonder één foutje te maken, ondanks de storm en de golven die hem bleven verleiden. Jaren konden we elkaar daarna uit het oog verliezen, wat ook een paar keer is gebeurd, maar door deze ervaring was het onmogelijk om elkaar ooit kwijt te raken.
K. stond zelf ook even achter de katheder. Ze vertelde dat zij samen een paar dagen voor René’s dood de Pamir-pas op 4650 meter hoogte hadden bedwongen en dat hij haar op een ijl grindpad weer eens ten huwelijk had gevraagd, zoals hij dat elk jaar deed op een bijzondere plek in een prachtig ritueel van aanzoeken, nee zeggen, aandringen en samen gnuiven.
Een week of twee daarna stond de onbestorven weduwe bij een houten, gesloten kist op het podium van Undercurrent, slordig bedekt onder losse, langgesteelde bloemen, aangevuld door een enkele laatkomer die tijdens de woorden of de muziek doorliep naar voren en zijn bescheiden bijdrage deponeerde.


Na een tijdje was de herdenking binnen voorbij en gingen we achter K. en de kist aan naar buiten. De dragers plaatsten hem in een zwarte, open sloep die het IJ op voer onder heftig tromgeroffel van een clubje waar René lid van was geweest. De kist was helemaal alleen aan boord, afgezien van de stuurman in zijn witte bloes die achterin het bootje aan de hoge helmstok stond. Onverbiddelijk en tergend langzaam namen het water en de horizon René mee, op weg naar een bestemming die door ons niet bezocht kon worden. Ik draaide me om met vertroebelde ogen en toen bleek C. pal achter me te staan en voordat ik het wist omhelsden we elkaar en stond ik in haar hals te snikken met mijn handen tegen haar ranke rug.

Wat ik nog meer zoal met René besprak? Beckett bijvoorbeeld. De mannen wachten op Godot en overwegen dat ze er net zo goed meteen een eind aan kunnen maken. Ze vergeten. Ze kletsen. Ze denken. Ze struikelen. Ze vallen. Ze staan weer op. Ze maken zich druk over misstanden. Ze vergeten. Waarom kunnen we niet verder? Omdat we wachten op Godot. Er gebeurt eigenlijk niets van waarde. Ze komen niet van hun plaats. Dat geldt voor mij ook, zei ik dan tegen René, refererend aan mijn onvermogen te stoppen als stukjesschrijver. In het gezicht van René relativeerde een opgetrokken wenkbrauw mijn Weltschmerz en dan moest ik onwillekeurig lachen.
Of Murakami. Er kon geen ontmoeting zijn zonder dat René en ik over de grote Jap spraken. De bewondering voor de tovenaar was zo groot dat René zichzelf onbedoeld in een verhaal van de meester heeft gemanoeuvreerd, onbeholpen misschien, maar niettemin onheilspellend.


René beschreef in Eerst Pamir fietsen en dan sterven – wat op zichzelf al tamelijk Murakami-achtig klinkt – hoe zijn vriendin K. in Thailand op de fiets werd bezocht door een innerlijke hond die haar uitputte, waar ze doodmoe van werd, maar die ze niet kon laten stoppen met blaffen, totdat ze een imposante Boeddha passeerde terwijl ze afdaalde van een hoge berg en het gekef kennelijk overging op het beeld, want daarna was het over. Een echte Murakami-scène, vooral omdat het hardnekkige dier de fietsers op een uitloper van de Tibetaanse hoogvlakte weer inhaalde. Ditmaal in de gedaante van een onzichtbare hellehond die ’s nachts om hun tentje sloop onderwijl grommend, kwijlend en diep blaffend; een Mastiffe moet het zijn geweest, schreef René de volgende dag omdat hij het dier in de verte zag lopen, op afstand blijvend, maar in staat twee mensen levend te verscheuren. Nog weer later, inmiddels waren ze ver in China, zag René iets in het kreupelhout langs de weg, iets wat hij bloggend omschreef als een warrelende kip en wat een jonge koningsarend bleek te zijn.
Elke schrijver weet dat als er een arend opduikt in het verhaal, een wending, vaak een noodlottige wending, niet uit kan blijven. En zeker als de wilde vogel jong en verlaten is en vastzit tussen de takken van dichte struiken, waarschijnlijk na een eerste glijvlucht vanaf het hoge nest geland op een plek waar het dier normaal gesproken ten dode zou zijn opgeschreven. Maar dan treedt René op dit toneel. Hij roept tegen K. dat ze ook even moet stoppen. Want er beweegt dus iets fladderigs in zijn linkerooghoek en als hij beter kijkt ziet hij een jonge vogel met enorme vleugels die vruchteloos probeert zich te bevrijden. René stapt af, zet zijn fiets op de standaard, schrijdt het dichte groen in en haalt het dier tevoorschijn. Met de jonge arend in zijn armen, scherpe snavel en priemende ogen recht vooruit, komt hij terug. K. maakt er een prachtige foto van.


In een bizarre premisse van de later te gebeuren rampzalige gebeurtenis gaat zij vervolgens midden op de weg staan om een auto aan te houden. Eerst rijden ze allemaal door. Maar dan stopt iemand. In gebarentaal biedt René de vogel aan, wetend dat in dit berggebied een levende koningsarend veel waard kan zijn. Even later zitten ze weer op de fiets. Voor hen uit rijdt een auto over de weg met een stuk of wat inzittende mannen en één jonge, bloedlinke en levensgevaarlijke arend op de achterbank. Had Marukami de afgewende dood van de woedende roofvogel op René laten overgaan?
Wat zou ik dit graag met hem bespreken, terwijl zijn guitige gezicht in zo’n gesprek verbazing en onwetendheid veinsde en hij zich zachtjes verkneukelde.

Was René er eigenlijk wel? In Undercurrent. Misschien had K. het onverantwoord gevonden hem nog langer boven de grond te houden in een stoffelijk omhulsel waar al zo ernstig mee was gesold zowel daar in Tadzjikistan als hier. Ik stelde me voor dat ze na al dat beschadigen, na al dat kapot maken en na al dat vernietigen, de reiniging door het vuur niet langer had willen uitstellen.
Als René niet in de kist lag, dan had zijn weduwe een toneelstuk geschreven, zoals de aan Beckett verwante Edward Albee deed in ‘Who is afraid of Virginia Woolf’. Ik denk dat mijn vriend die vergelijking zou appreciëren; de verzonnen zoon en de afwezige geliefde als symbolen voor emoties die misschien nergens op gebaseerd zijn, maar toch diepe sporen trekken. Hoe erg is dat eigenlijk? Speel ook ik een rol terwijl er ergens een holle kist is waarvan ik samen met de andere toneelspelers doe alsof hij vol is, alsof daar de betekenis in ligt, de reden voor het spel? En als we dat samen afspreken, mogen we dan onze bloemen draperen om de leegte waarin zich literatuur, vriendschap, terreur en ook alle Shakespeareaanse verleidingen van roem en macht bevinden?


Hadden wij hierover gesproken, dan was er een moment gekomen waarop René me had geobserveerd en met een scheve glimlach om zijn mond had gezegd dat het tijd werd voor een goed gesprek met zijn kat Pipi, of nog beter, met een boy named crow.

©Jan Kloeze

Kijk ook eens naar mijn poging om het boek van de toekomst te schrijven of lees Volmaakte beheersing.