Volmaakte beheersing

 

In het zwakke ochtendzonnetje zat Jacob van Woerden aan de waterkant op het terras. Vanuit de keuken hoorde ik hem roepen. Ik liet de afwas in het teiltje, droogde mijn handen, deed mijn schort af en liep zo snel als mijn stramme benen het toestonden door het atelier naar buiten. Zodra ik de openslaande deuren achter me liet, kreeg de weinige wind grip op mijn schrale haren.
‘Wat zie je daar, visserman?’
‘Hoezo?’
‘Beschrijf het.’
‘Nou, ik zie het water, in de verte een baggerschuit, een paar meeuwen in de lucht.’
‘Kleuren visserman. Beschrijf de kleuren.’ Hij wachtte gebiedend op antwoord, met zijn lange benen op tafel, schetsboek in de hand. Aan de steiger voor het huis schommelde ons sloepje op een vrijwel onzichtbare golfslag. Het langgerekte meer leek aan de einder met de langzaam oplossende ochtendmist mee te verdwijnen.
In mijn winkel was een kleur niet meer dan een modeartikel. Het ene jaar wilden de mensen bruine schoenen en het jaar daarop juist zwarte. ‘Goed’, zei ik toch maar. ‘Het meer is grijs. De bakens daar zijn rood en groen. Ze weerspiegelen een beetje in het water. Verder zijn de meeuwen natuurlijk wit en het schip is zwart.’
‘Wat voor zwart?’
‘Pikzwart.’
‘Hoe komt dat?’
‘Is gewoon zo’, zei ik ten einde raad.
‘Nee, visserman.’ Een vage glimlach om zijn lippen. ‘Dat komt door het licht. De zon is nog niet zo krachtig. Een zwart voorwerp absorbeert het licht totaal. Er zijn geen nuances. Het is zwarter dan zwart.’
Ik knikte en wilde naar binnen gaan, terug naar de afwas die ik gisteravond had laten staan.
‘Wacht even. Waar doet dat zwart op het water je aan denken?’
‘Aan een zandzuiger.’ Ik permitteerde me enige brutaliteit.
‘Nee. Stel je het zand voor dat op de bodem van de geul ligt. Plotseling wordt het geaborteerd door een kracht die sterker is dan wat het ooit heeft ervaren. Het stijgt op door een donkere tunnel en wordt op de dekschuit gespuugd. Daar droogt het op en valt het uit elkaar. De zandzuiger is de onberekenbaar om zich heen grijpende dood.’
Het schilderij dat hij maakte van dit tafereel is later naar Londen gegaan. Het doek bestaat maar uit twee kleuren, violet en koolzwart. Soms lijkt het alsof het violet opgezogen wordt in een donker gat, maar kijk je op een ander moment dan zie je dat het zwart door het violet wordt uitgestoten. Het is een grillig schilderij met stukken onbeschilderd, ruw linnen. Hij noemde het ‘Requiem’.

Ik wandel over de smalle weg die uitkomt bij het veer. Hoog opgeschoten, ritselende maïsvelden om me heen vrezen de hakselaar die niet lang meer op zich zal laten wachten. Boven het met teer opgelapte asfalt ruikt de vochtige herfstlucht naar regen.
Veertien jaar geleden liep ik hier ook. Toen was het voorjaar. Ik had een mensenleven lang een schoenenzaak gehad waar langzaam maar zeker, in het begin bijna onmerkbaar, steeds minder klanten kwamen. Op aanraden van de winkeliersvereniging investeerde ik om de winkel naar moderne maatstaven te verbouwen, maar toen de wanden wit waren en de stellingen van glas paste ik zelf niet meer in de zaak. Mijn jongere broer stuurde me naar het Noorden. ‘Ga jij maar eens een tijdje in mijn caravan’, zei hij.
Dichtbij de camping bevond zich een soort eiland, aan drie kanten omzoomd door kanalen en in het Westen begrensd door het langgerekte meer. Fuiken liepen haaks op de wal het water in, hun zwarte, plastic vlaggetjes wapperden aan de verste staken. Iets verderop rimpelde het water van plezier, maar aan de wal was het nog niet wakker. Mijn kleurige dobber bewonderde zichzelf in het spiegelgladde, donkere water langs de kant. De goed geluimde wind droeg een vage mestgeur met zich mee. Op het water sprak hij vriendelijk tegen de bruine en witte zeilen van de eerste bootjes op deze vroege ochtend.
‘Zeg visserman’, zei iemand achter me. Ik schrok en keek om. Er stond een jonge vent met een mager gezicht achter een korte, vochtige baard, alsof hij net had gezwommen. Een grijze, met verf besmeurde stofjas slobberde om zijn magere gestalte. Daaronder droeg hij alleen een afgeknipte spijkerbroek. De donkere schemer over zijn blote huid deed me aan een vacht denken.
‘Wil het een beetje bijten?’ Zijn stem was zacht maar doordringend, als gefluister in de nacht. Ik wilde weer naar mijn dobber kijken, maar het was onmogelijk zijn blik los te laten.
Ik schudde mijn hoofd. ‘Nog niks.’
‘Hebt u iets anders te drinken?’ Hij wees op de thermoskan die naast de visdoos op de grond stond.
‘Alleen koffie.’
Hij lachte en kwam erbij zitten. ‘Ik heb liever een biertje.’
Ik had het ongemakkelijke gevoel dat ik iets moest zeggen, ook al was hij ongevraagd bij me gekomen. ‘Ik drink nooit alcohol’, zei ik dus maar.
‘Waarom niet?’
‘Ik denk dat ik een matig mens ben.’
Hij keek me peinzend aan en vroeg naar mijn besognes. Ik moest bekennen dat ik een faillissement achter de rug had. Even later nam hij me in dienst. Hij wuifde al mijn bedenkingen geamuseerd weg.
‘Jij bent precies wat ik nodig heb.’ Terstond tutoyeerde hij me. ‘Een matig mens.’
Het kostte wat moeite om mijn broer uit te leggen dat ik in Friesland bleef. Maar ach, ik was gewend voor de mensen te knielen en aan hun nukken en grillen te voldoen. Dat wist hij ook. En Jacob van Woerden was een man om te dienen.

De pontbaas behandelt me volkomen neutraal. Dat heeft hij altijd gedaan, ook toen ik nog bepakt met hengels en tassen aan boord stapte. Nu draag ik niks, op mijn kleding na. Ik ben zijn enige passagier. Het veer heeft maar enkele minuten nodig om naar de overkant te varen. Voorzichtig schuifel ik over de brede, geribbelde loopplank en dan betreed ik eindelijk het eiland weer.
Er zitten nog wat vissers langs de waterkant, ook al loopt het tegen de avond. Verderop zijn mensen bezig een tentje af te breken. Het gras is kort gemaaid, toch is het pad goed te herkennen want het heeft onder vele voeten geleden en voert naar een picknickplaats vanwaar de mensen doorgaans afbuigen naar de waterkant. Ik moet rechtdoor.
In de laagstaande zon schitteren de heesters en onze kastanje zit vol stekelige bolsters. In dit vlakke, Friese land moet de boom de ringen in zijn stam vlak naast elkaar hebben getrokken. Het boogvormige hek in de natuurlijke muur van rododendrons heeft standgehouden. Vanmorgen vond ik de bijbehorende, lange sleutel terug in een halfvergeten lade. Ik haal hem uit mijn jaszak en steek hem in het slot. Het is een Engels slot, natuurlijk weet ik dat nog. Zorgvuldig sluit ik het hek achter me.
In onze tuin zie ik wilde maïs staan en ook riet, samengaand in uitbundige tonen groen en geel. Kleine boompjes steken boven het grijs bloeiende gras hun kopjes op. Zwartgroen mos heeft het stenen tuinpad te grazen genomen en boven het water hangt de oude steiger scheef, alsof hij een duik wil nemen.
Het grote raam weerkaatst de ondergaande zon en lijkt het licht zelf uit te stralen, totdat er een wolk voor de zon trekt. Het glas wordt plotseling zwart. Dan zie ik hem staan, op het terras, wijdbeens, borst vooruit, fles bier in de hand. Ik ben blij hem te zien. Maar het duurt niet lang totdat zonnestralen over het water komen aangesneld om de schaduw van de schilder voor zich uit te jagen en zijn schim onbarmhartig uit te vegen.
Binnen ruikt het naar vocht en bederf. De houten vloer van de gang buigt onder mijn langzame passen. Tot mijn verbazing staan mijn voeten er nog naar. Het atelier is onwaarschijnlijk leeg, hoewel ik me niet kan herinneren dat alles is weggehaald toen ik met het huis over was gebleven. Natuurlijk is de verfgeur allang vertrokken naar meer artistieke domeinen. Ik betreed de keuken. De kastjes en het aanrecht zijn er nog, maar het fornuis is verdwenen. Ik leg mijn hoed op het zinken blad.
Vooral in het begin hadden we veel vrouwen over de vloer. Soms zat er iemand bij die zich niet graag in mijn keuken wilde wassen. Toch was er geen andere mogelijkheid. De schilder peinsde er niet over mij weg te sturen. ‘Niet zo preuts’, zei hij dan met zijn zachte, sissende stem. ‘Dat is de visserman. Die kijkt niet eens.’
Het lijkt wel alsof de smalle, krakende trap steiler is geworden, maar dat ligt natuurlijk aan mijn knieën. Ik bekijk mijn oude slaapkamer en kan me niet meer voorstellen dat ik in dit vertrek heb geleefd. Hierboven heeft het huis geen bezieling, nooit gehad ook. In het atelier moet ik zijn. Daar wil ik op de grond gaan zitten, tegenover het raam.

Het eerste jaar was het moeilijkst. Hij begon vaak aan hetzelfde schilderij dat hij nooit afmaakte, een doek gedoopt in okeren tinten dat een jonge vrouw in snelle streken van het canvas liet spatten. Als hij aan zo’n portret was begonnen, dronk hij een paar dagen mateloos, at nauwelijks, en plofte ten langen leste in het ochtendlicht op de oude bank onder het raam, waar hij eindelijk een paar uur sliep. Daarna besloot hij om een of andere reden dat het genoeg was geweest en zette hij het doek in een hoek.
Op een ochtend na weer zo’n pandemonium lag hij met verf besmeurd op de bank en bracht ik hem een kom warme groentesoep die hij een dag eerder nog had afgeslagen. Hij ging rechtop zitten en begon te eten. In plaats van me weg te sturen, begon hij zomaar te vertellen: ‘Op de academie moesten we haar schilderen terwijl ze schrijlings op een bank zat, kin iets geheven, linkerarm gestrekt over de leuning, borsten ontbloot en een doek over haar dijen gedrapeerd.’
Hij keek in de verte alsof hij de scène voor zich zag en haar opnieuw tekende. ‘Haar huid was lichter dan licht, doorschijnend als spinrag. Haar ogen bijna zwart. De lijn van haar hals liep perfect uit in de aanzet van haar trotse borsten, er zat een roerloosheid in haar gestalte, met een trilling in haar flanken… Ik kon mijn penseel nauwelijks bewegen. De docent waagde het haar af en toe aan te raken om haar houding te corrigeren. Ze negeerde hem daarbij volkomen. Luister je visserman?’
Zijn ogen keken me plotseling scherp aan.
Ik luisterde.
‘We woonden een half jaar in New York. Overal waren we welkom. Ik was die jonge, Hollandse schilder met die prachtige, trotse vrouw. Iedereen wilde haar fotograferen en filmen. Ze genoot ervan model te zijn. Ze kon er geen genoeg van krijgen.’
Hij zweeg.
Ik kon wachten. Dat had ik wel geleerd in die winkel van me.
Hij zette het dienblad op de grond, drukte zich op met twee handen, kwam overeind en ging met zijn rug naar me toe voor het grote raam staan, waar het ochtendlicht schemerde.
‘Ze kwam zwanger terug uit New York.’ Hij klonk bitter en trots tegelijk. ‘Het is misschien een jaar geleden. We waren in mijn atelier, in Amsterdam, aan het Hortusplantsoen. Ze droeg een zomerjurkje, een geel dingetje aan flinterdunne bandjes. Ik keek naar haar buik, meende een kleine welving te zien. Meteen wilde ik haar schilderen terwijl ze mijn kind droeg. Ze wilde er niets van weten, visserman.’
Hij draaide zich om, keek me aan, bijna smekend.

Na deze nacht maakte hij die okeren schilderijen niet meer. In plaats daarvan begon hij aan grote doeken vol levende vormen met namen als Requiem, Equilibrium en Panopticum. Vrouwen die zich aan de poort meldden, moest ik wegsturen. In de vruchtbare jaren die aanbraken, kwamen museumdirecteuren en galeriehouders af en toe naar ons eiland om werk op te halen. Uitnodigingen voor openingen sloeg hij echter af. Interviews werden geweigerd. Hij ging alleen het huis uit om te varen met de houten sloep die ik ook gebruikte om af en toe naar het dorp te varen, het dorp met een paar toeristenwinkeltjes, een cafetaria, een huisarts, een hotel en een sigarenzaak waar ik zijn post ophaalde.
Als we samen gingen varen, vertrokken we bij zonsopgang. Hij droeg een tas met schetsblokken en aquarelleerspullen en ik mijn hengel en visdoos. Terwijl hij alles op zijn plaats legde in het scheepje, haalde ik de mand met thermoskannen, besmeerde boterhammen, hardgekookte eieren en droge, Friese worst. Daarna moest ik nog een keer lopen om het krat bier in te laden. Inmiddels zat hij al roerloos in de boeg, turend over het water.
Op ons vaste stekje aan de rand van het meer sprongen nu en dan kleine visjes uit het water. Dan was de baars aan het jagen. Achter ons ruiste de rietkraag in plotselinge windvlagen. Verderop voeren zeilboten kriskras over het meer en hielden grote motorboten zich precies aan de vaargeul.
‘Visserman, heb je gezien’, vroeg hij opeens, ‘hoe volmaakt de lucht spiegelt in het water?’
Ik knikte voorzichtig.
‘Maar ook hoe kwetsbaar het spiegelbeeld is? En dat je nooit de twee dingen tegelijk kunt zien, zowel de spiegel als het spiegelbeeld, zowel het water als de lucht?’
Ik had het niet gezien, maar begreep wat hij bedoelde.
‘Welnu, dat ga ik schilderen. Nu eerst eten.’ Hij legde zijn schetsboek op de doft en leunde achterover.
Ik borg mijn hengel op, gaf hem een flesje uit het leefnet en haalde de mand tevoorschijn.
‘Weet je wat de kunst is?’ sprak hij, kauwend op een broodje ei. ‘Twee keer precies hetzelfde schilderen, maar dan ook elk lijntje en vlekje exact hetzelfde, elke kleur gelijk gemengd en even dik of dun opgebracht. Het maakt niet uit of je figuratief of abstract werkt. Twee keer totaal hetzelfde. Dat is volmaakte beheersing. Picasso was er dichtbij. Ken je zijn schetsboeken, visserman? Daarin staan twee tekeningen van dezelfde persoon, achteraanzichten zijn het, van de grootste eenvoud. Alleen de contouren zijn aangegeven. Op de ene tekening leunt het model gracieus op zijn linkerbeen en heeft hij zijn armen in de zij. Op de andere tekening staat hij in exact dezelfde houding, maar draagt hij een vaalrood hemd. Picasso was er heel dichtbij, maar volgens mij heeft er een miniem verschil gezeten in de lijn van de rug en heeft hij hem daarom een hemd aangetrokken.’
Plotseling pakte hij zijn schetsboek weer op en nam hij een houtskoolkrijtje uit zijn tas.
‘Ik ga een portret van jou maken’, zei hij in ernst. ‘Blijf zo zitten. Niet bewegen.’
Sneller dan ik had gewild was hij klaar. Met een nieuwsgierige blik in zijn ogen overhandigde hij mij het schetsblok. Ik durfde nauwelijks te kijken, maar toen ik het toch deed, geloofde ik mijn ogen niet. Hij had mij zijdelings getekend zoals ik de hele ochtend had zitten vissen en niet zoals ik model had gezeten. Een in zichzelf gekeerde, oude man met lijnen in zijn gezicht van het kijken naar de schittering van het water. Een slappe hoed op het hoofd, een slobberende kin. Het was geen portret om trots op te zijn als er niet dat ene detail was geweest. Hij had om mijn mond een glimlach getekend die ik van mezelf niet kende.

Het schilderij van de spiegel en het spiegelbeeld is een groot werk geworden waaraan hij een hele winter heeft gewerkt. Door allerlei kleuren heen, van karmozijn tot cyaan, schemert de blauwgrijze lucht die in steeds kleinere, steeds lichtere cirkels diepte geeft aan het schilderij. In mijn beleving drukt het precies de warmte en de stilte van die dagen op het water uit.
Ze hebben het gebruikt voor het affiche van de overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum, die kortgeleden is geopend. Door het raam van mijn appartementje boven het voormalige café van mijn broer keek ik uit op een bushalte die was volgeplakt met afbeeldingen van het schilderij. Het felle cyaan, de luchtige cirkels, de blauwgrijze lucht spraken de hele dag tegen me. ‘Waar blijf je?’ Dat zeiden de kleuren. ‘Waar blijf je?’ Als ik mijn ogen sloot, zag ik het schilderij zoals hij het indertijd onthulde. Hij had het naar buiten gedragen en tegen de muur gezet. We stonden er samen naar te kijken, hij met een fles bier in zijn hand, ik enigszins ongemakkelijk omdat ik het moment vreesde waarop hij me zou vragen wat ik zag.

In het zevende jaar van mijn dienstbetrekking ging de herfst opnieuw gehoorzaam opzij voor de winter en gelaten onderging het Friese land zijn jaarlijkse kaalslag. Met de kilte kwam ditmaal ook zijn oude grimmigheid terug en opnieuw sloeg hij liederlijke taal uit als hij ’s nachts door het huis dwaalde. Ook kon hij plotseling door zijn knieën zakken en dan moest ik hem ondersteunen alsof hij de oude man was en niet ik. Bier kon hij eigenlijk niet meer verdragen. Toch bleef hij drinken, met een soort koppige onverzettelijkheid. En ineens wilde hij weer een vrouw. Jaren had hij er nauwelijks naar getaald, had hij genoeg aan zijn kunst en aan mij, maar nu zocht hij zomaar een brief uit de steeds schralere stapel post die ik nog maar net met de sloep in het dorp had opgehaald en de eerste de beste envelop met foto was prijs.
‘Opbellen! Direct.’
Dus ging ik naar het dorp en draaide haar nummer. Eveline heette ze en ze had een heldere en tegelijk een tikkeltje hese stem. De volgende dag was ze er, bezorgd en zenuwachtig want ik had haar gewaarschuwd, maar ze wilde beslist komen. Toen we bij het huis aankwamen en ik de boot vastmaakte aan de steiger, stond hij haar wijdbeens in de tuin op te wachten. Hij had zijn bed niet gezien. Zijn ogen waren diep in hun kassen weggezonken.
Eveline had een prachtige, rood gestifte mond die mij te machtig was. Omdat het winter was en ze een dikke mantel droeg, kon ik geen indruk krijgen van haar figuur, maar ze had koele grijze ogen en daarmee ontnuchterde ze hem in het eerste moment.
Het ging een week goed. Hij gedroeg zich zelfs verliefd. Hij schilderde haar. Hij liet haar model staan. Ondanks haar koele voorkomen, was ze direct voor hem gevallen. Omdat ik zelf, zij het kortstondig, voor hem had geposeerd, kon ik me dat goed voorstellen.
Maar in één zo’n lange, winterse nacht hoorde ik hem ineens schreeuwen. Het was geen bronst. Het was geen woede. Het was geen dronkenschap. Deze schreeuw kende ik niet. Zonder te aarzelen, snelde ik de trap af, mijn toen al stroeve knieën vervloekend. In een halve looppas ging ik op de deur van het atelier af. Ik pakte de klink, opende de deur in één beweging en voor ik het wist, stond ik na een paar stappen midden in de schemerige ruimte, waar hier en daar een kaars brandde. Ik zag hem voor het raam staan, met een kromme rug en met zijn handen tussen zijn benen. Het drong schoksgewijs tot me door dat hij huilde, krampachtig met harde snikken. Eveline zat nog op het grote, tweepersoonsmatras en was net als hij geheel ontkleed. Ze keek in volstrekte verwarring naar de lakens die zwart waren van bloed.
De volgende dag heb ik haar naar de bushalte in het dorp gebracht en hem naar het ziekenhuis. Hij werd direct opgenomen voor nader onderzoek. Een week later kregen we van een van zijn doktoren te horen dat hij aan een kansloze kanker leed. Ze stelden voor hem te opereren, niet om hem te genezen, maar om hem langer te laten leven. Wel zou hij dan een of meer stoma’s moeten accepteren en veel verzorging nodig hebben. Ik wilde die zorg van harte voor mijn rekening nemen. Jacob van Woerden lachte de geneesheer echter in zijn gezicht uit en kapte elk woord dat ik erover wilde zeggen rigoureus af.
Terug in het dorp bleek dat het meer en de kanalen tijdens onze afwezigheid waren dicht gevroren. We konden de boot niet gebruiken en moesten over het ijs naar ons eiland lopen, maar vertrouwd was dat nog niet, zodat we verplicht waren in het dorpshotel te wachten op meer vorst of op dooi.
De altijd in haar schort gehulde vrouw van de waard bracht het bericht dat de schilder in het dorp logeerde, de wereld in. De gelagkamer liep vol als bij bruiloften en begrafenissen. De mannen staarden hem aan en hun vrouwen wisselden indrukken uit, net hard genoeg uitgesproken om ze te kunnen verstaan. ‘Hij is mager.’ ‘Wat is-ie behaard.’ ‘Moet je zijn ogen zien.’ Elke dorpsbewoner met artistieke pretenties kwam zijn tekeningen, aquarellen of andere broddelwerkjes laten zien. Ik hield mijn hart vast. Elk moment kon hij exploderen, de zondagsschilders beledigen, de vrouwen beschimpen of de loslippige vrouw van de waard kruisigen. Dat gebeurde niet. Hij werd zelfs nauwelijks dronken.

Het is ver na middernacht. Ik heb het steeds kouder gekregen op de oude, houten plankenvloer van het voormalige atelier. Veel kan het me niet schelen. Roerloos leun ik tegen de muur en ik kijk naar het grote, lege raam dat het donker van de nacht omlijst en het is alsof toch de geur van verf en linnen is teruggekeerd.

Ondanks dat ik Jacob van Woerden nauwelijks uit het oog verloor, brandde hij als een verlaten vuur en tegen de zomer had hij zoveel pijn dat hij zich nauwelijks nog kon bewegen. Vrijwel de hele dag en nacht lag hij op het bed dat ik onder het raam had gezet. Zijn prachtige haren waren dof geworden en zijn huid was grauw. Ik voer met ons sloepje naar de apotheekhoudende huisarts in het dorp die van alles op de hoogte was en vroeg om raad. ‘Te veel in één keer is dodelijk’, zei de man toen hij me een doosje met dertig morfinepillen meegaf.
Zelden was ik me zo bewust van het leven als toen ik met die pillen op zak tussen de vakantievierende plezierjachten manoeuvreerde, op weg terug naar huis. Bruisend sloeg het water tegen de boeg en overal waren vriendelijk groetende watersporters. Op warme dekken van lange motorjachten strekten zonnende meisjes zich uit en aan boord van de zeiljachten lachten strakke, witte zeilen naar de wind.
In het huis hing een zurige lucht. Ik gaf de schilder twee tabletten en zette alle ramen en deuren open. Uit een halfvergeten voorraad zocht ik enkele wierookstaafjes die ik met lucifers aanstak en in de keuken kookte ik muntbladeren.
‘Visserman’. Hij stond in de gang, wankelend en broodmager. ‘Ik wil naar buiten.’ Voor het eerst in maanden voelde hij geen pijn. De opluchting straalde van zijn gezicht.
Ik begon met stoelen te slepen, maar daar was geen sprake van. Hij wilde languit in het gras. Een zonnebril weigerde hij. ‘Het licht is er niet voor niets.’
Zijn vingers tastten door het versgroene gras naar de donkere aarde. Naast zijn hoofd vloekte een uitbundige klaproos tegen de dood en bij zijn heupen spikkelden witte klaverbloemetjes. De hemel trok een gezicht van azuur en het vlakke Friese water joeg de horizon zo ver mogelijk voor zich uit.
Ik had onwillekeurig iets gemompeld.
‘Wat zeg je visserman?’ Zijn ongebroken ogen dwongen me.
‘Kon ik dit maar schilderen,’ fluisterde ik verlegen.

© Jan Kloeze

Kijk ook eens naar mijn poging het boek van de toekomst te schrijven of lees Waarover wij spraken.