Volmaakte beheersing

 

‘Hé, visserman. Kom eens hier!’
Ik liet de afwas in het teiltje, droogde mijn handen, deed mijn schort af en liep zo snel als mijn stramme benen het toelieten door het atelier naar buiten, waar de wind mijn schaarse haren greep. Aan de steiger voor het huis schommelde het sloepje op een onzichtbare golfslag.
‘Wat zie je daar?’
‘Hoezo?’
‘Beschrijf het.’
‘Nou, ik zie het meer, in de verte een baggerschuit, een paar meeuwen in de lucht.’
‘Kleuren, visserman. Beschrijf de kleuren.’
In mijn winkel was een kleur niet meer dan een modeartikel. Het ene jaar wilden de mensen bruine schoenen en het jaar daarop juist zwarte.
‘Goed,’ zei ik. ‘Het meer is grijs. De bakens daar zijn rood en groen. Verder zijn de meeuwen wit en het schip is zwart.’
‘Wat voor zwart?’
‘Pikzwart.’
‘Hoe komt dat?’
‘Is gewoon zo,’ zei ik machteloos.
‘Nee, visserman.’ Een vage glimlach om zijn lippen. ‘Dat komt door het licht. In de ochtend is de zon nog niet zo krachtig. Een zwart voorwerp absorbeert het licht totaal. Er zijn geen nuances. Het is zwarter dan zwart.’
Ik knikte en wilde naar binnen gaan, terug naar de afwas.
‘Wacht even. Waar doet dat zwarte schip je aan denken?’
‘Aan een baggerschuit.’ Ik permitteerde me een brutaliteit.
‘Nee. Stel je het zand voor op de bodem van de geul. Plotseling gegrepen door een kracht die sterker is dan wat het ooit heeft ervaren, stijgt het zand op door een donkere tunnelbuis en wordt het op de dekschuit uitgespuwd. Daar droogt het op en valt het uit elkaar. De zandzuiger is de om zich heen grijpende dood.’
Later is het schilderij dat hij van dit tafereel maakte naar Londen gegaan. Het doek bestaat maar uit twee kleuren, violet en koolzwart. Soms wordt het violet opgezogen in een donker gat, maar kijk je op een ander moment dan zie je dat het zwart door het violet wordt uitgestoten. Het is een schilderij met stukken onbeschilderd, ruw linnen. Hij noemde het ‘Requiem’.

Ik wandel tussen hoog opgeschoten maïsvelden over de smalle weg die uitkomt bij het veer. Boven het klinkerweggetje ruikt de vochtige herfstlucht naar de regen van gisteren. Veertien jaar geleden liep ik hier ook. Toen was het voorjaar. Ik had lang een zaak gehad waar sluipenderwijs steeds minder klanten kwamen. Op aanraden van de winkeliersvereniging investeerde ik om de winkel te verbouwen, maar toen de wanden wit waren en de stellingen van glas paste ik zelf niet meer in de zaak. Mijn jongere broer ving me op en bracht me met mijn hengels naar zijn caravan in Friesland om bij te komen.

Fuiken liepen het meer in. Zwarte, plastic vlaggetjes wapperden aan de staken. Iets verderop begonnen kleine golven aan hun tocht naar de overkant, maar dicht bij de wal stond mijn rode dobber in spiegelglad water. De wind droeg een vage mestgeur met zich mee. Hij duwde in de bruine en witte zeilen van de eerste bootjes op deze vroege ochtend.
‘Zeg, visserman.’
Ik schrok en keek om. Er stond een jonge vent met een mager gezicht achter een korte, vochtige baard, alsof hij net had gezwommen. Een grijze, met verf besmeurde stofjas slobberde om zijn magere gestalte. Daaronder droeg hij een afgeknipte spijkerbroek. De donkere schemer over zijn blote huid deed aan een vacht denken.
‘Willen ze een beetje bijten?’ Zijn stem was zacht maar doordringend, als gefluister in de nacht. Ik wilde weer naar mijn dobber kijken, maar zijn blik hield me vast.
Ik schudde mijn hoofd. ‘Nog niks.’
‘Hebt u iets anders te drinken?’ Hij wees op de thermoskan naast de visdoos.
‘Alleen koffie.’
Hij lachte. ‘Ik heb liever een biertje.’
Ik had het gevoel dat ik iets moest zeggen. ‘Ik drink nooit alcohol.’
‘Waarom niet?’
‘Ik denk dat ik een matig mens ben.’
Hij keek me peinzend aan en stelde een paar vragen. Ik bekende dat ik mijn schoenenzaak failliet had laten gaan. Even later nam hij me in dienst. Hij wuifde al mijn bedenkingen geamuseerd weg.
‘Jij bent precies wat ik nodig heb.’ Terstond tutoyeerde hij me. ‘Een matig mens.’
Het kostte moeite om mijn broer uit te leggen dat ik in Friesland bleef. Maar hij wist dat ik was gewend voor de mensen te knielen en Jacob van Woerden was een man om te dienen.

De pontbaas blijft in zijn hokje. Ik ben zijn enige passagier. Enkele minuten later schuifel ik over de brede, geribbelde veerstoep en dan betreed ik eindelijk ons land weer.
Er zitten nog vissers langs de waterkant, ook al loopt het tegen de avond. Verderop zijn mensen bezig een tentje af te breken. Het gras is kort gemaaid, toch is het pad goed te herkennen want het heeft onder vele voeten geleden en voert naar een picknickplaats vanwaar de mensen doorgaans afbuigen naar de waterkant. Ik moet rechtdoor.
In de laagstaande zon schitteren de heesters. De kastanje zit vol stekelige bolsters. Het boogvormige hek in de natuurlijke muur van rododendrons heeft standgehouden. Vanmorgen vond ik de bijbehorende, lange sleutel terug in een halflege lade. Ik haal hem uit mijn jaszak en steek hem in het slot. Zorgvuldig sluit ik het hek achter me.
Wilde maïs en riet gaan samen in groen en geel. Kleine boompjes steken boven het grijsverdorde gras hun kopjes op. Zwartgroen mos heeft het stenen tuinpad te grazen genomen. Boven het water hangt de oude steiger scheef, alsof hij een duik wil nemen.
Het grote raam weerkaatst de ondergaande zon en lijkt het licht zelf uit te stralen, totdat een wolk daar een eind aan maakt. Het glas wordt plotseling zwart. Daar staat hij, op het terras, wijdbeens, borst vooruit, fles bier in de hand. Ik ben blij hem te zien. Maar het duurt niet lang totdat zonnestralen over het water komen aangesneld om de schaduw van de schilder voor zich uit te jagen en zijn schim uit te vegen.
Binnen, waar het altijd naar verf rook, is de lucht vervuld van vocht en verrotting. De houten vloer van de gang buigt onder mijn langzame passen. Tot mijn verbazing staan mijn voeten er nog naar. Het atelier is onwaarschijnlijk leeg. Ik kan me niet herinneren dat alles is weggehaald toen ik met het huis over was gebleven. In de keuken zijn de kastjes en het aanrecht er nog, maar het fornuis is verdwenen. Ik leg mijn hoed op het zinken blad.
Vooral in het begin kregen we veel post van vrouwen die zich aanboden als model. Als ik met de houten sloep boodschappen deed, haalde ik ook de brieven bij het agentschap in het dorp, maakte ze open en sorteerde ze op onderwerp. Als hij een model selecteerde, moest ik haar opbellen in de enige telefooncel van het dorp, bij de bushalte. Vaak bleef zo’n vrouw een paar dagen. Zelden langer dan een week. Soms zat er iemand bij die zich niet graag in mijn keuken wilde wassen. Toch was er geen andere mogelijkheid. De schilder peinsde er niet over mij weg te sturen. ‘Niet zo preuts,’ zei hij dan met zijn zachte stem. ‘Dat is de visserman. Die kijkt niet eens.’
In mijn eerste jaar werkte hij aan een serie hoge, langwerpige doeken gedoopt in okertinten waarop een jonge vrouw in snelle streken van het canvas spatte. Als hij aan zo’n portret was begonnen, dronk hij een paar dagen mateloos, at nauwelijks, en plofte ten langen leste in het ochtendlicht op de oude bank onder het raam, waar hij eindelijk een paar uur sliep. Daarna stuurde hij het model weg. Het doek belandde in een hoek. Een paar weken later begon alles opnieuw.
Op een ochtend na weer zo’n uitputtingsslag lag hij op de bank en bracht ik hem de kom warme groentesoep die hij een dag eerder nog had afgeslagen. Hij ging rechtop zitten.
‘Op de academie moesten we haar schilderen als ze schrijlings op een bank zat, kin iets geheven, linkerarm gestrekt over de leuning, borsten bloot en een doek over haar dijen gedrapeerd.’
Dat hij zo tegen me sprak… Ik wist niet wat te doen en bleef zo stil mogelijk staan.
‘Haar huid was doorschijnend als spinrag. Haar ogen bijna zwart. De lijn van haar hals liep perfect uit in de aanzet van haar trotse borsten, er zat een roerloosheid in haar gestalte, met een trilling in haar flanken… Ik kon mijn penseel nauwelijks bewegen. De docent waagde het haar af en toe aan te raken om haar houding te corrigeren. Ze negeerde hem totaal. Luister je, visserman?’
Hij keek me plotseling scherp aan.
‘We woonden een half jaar in New York. Overal waren we welkom. Ik was die jonge, Hollandse schilder met die prachtige, trotse vrouw. Iedereen wilde haar fotograferen en filmen. Ze genoot ervan model te zijn. Ze kon er geen genoeg van krijgen.’
Hij zette het dienblad op de grond, drukte zich met twee handen op en ging met zijn rug naar me toe voor het grote raam staan, waar het ochtendlicht schemerde.
‘Ze kwam zwanger terug uit New York.’ Hij klonk bitter en trots tegelijk. ‘Het is misschien een jaar geleden. We waren in mijn atelier aan het Hortusplantsoen, toen ze het me vertelde. Ze droeg een zomerjurkje, een geel dingetje aan flinterdunne bandjes. Ik keek naar haar buik, meende een kleine welving te zien. Meteen wilde ik haar schilderen, visserman. Maar ze weigerde.’
Korte tijd later kwam de dag waarop hij begon aan het grote doek van de zandslurper. Post van modellen die zich aanboden, gooide ik op zijn verzoek weg. Als ze zich aan de poort meldden, moest ik hen wegsturen. In de jaren daarna, kwamen kunsthandelaren en galeriehouders af en toe om zijn werk op te halen. Uitnodigingen voor openingen sloeg hij af. Interviews werden geweigerd.
We gingen alleen het huis uit om wat te varen met de houten sloep. Hij nam een tas met schetsblokken en aquarelleerspullen mee en ik mijn hengel en visdoos. Als hij alles op zijn plaats legde in het scheepje, haalde ik de mand die ik had gevuld met besmeerde boterhammen, hardgekookte eieren en droge worst. Daarna moest ik nog een keer lopen om het krat bier in te laden. Inmiddels zat hij al roerloos in de boeg, turend over het water.
Op onze vaste stek aan de rand van het meer sprongen nu en dan kleine visjes uit het water, op de vlucht voor jagende baarzen. Achter ons ruiste de rietkraag in plotselinge windvlagen. Verderop voeren zeilboten kriskras over het meer en hielden grote motorboten zich precies aan de vaargeul.
‘Visserman, heb je gezien hoe het water de lucht spiegelt zonder dat te kunnen weigeren?’
Ik knikte voorzichtig.
‘Is het je weleens opgevallen dat bomen niet kunnen schuilen voor de bliksem en rotsen zich gelaten door de zee laten afslijten?’
Het was me niet opgevallen.
‘Alleen de mens meent zich tegen de natuur te kunnen verzetten. En dat is maar goed ook. Anders zouden we elkaar niets te vertellen hebben.’ Hij legde zijn schetsboek op de doft en leunde achterover. ‘Nu eerst eten.’
Ik borg mijn hengel op, gaf hem een flesje bier uit het leefnet en haalde de mand tevoorschijn.
‘Weet je wat de kunst is?’ sprak hij met een broodje ei in zijn hand. ‘Twee keer precies hetzelfde schilderen, maar dan ook elk lijntje en vlekje exact hetzelfde, elke kleur gelijk gemengd en even dik of dun opgebracht. Het maakt niet uit of je figuratief of abstract werkt. Twee keer totaal hetzelfde. Dat is volmaakte beheersing. Ken je de schetsboeken van Picasso, visserman? Daarin staan twee tekeningen van dezelfde persoon, achteraanzichten zijn het, van de grootste eenvoud. Alleen de contouren zijn aangegeven. Op de ene tekening leunt het model gracieus op haar linkerbeen en heeft zij haar armen in de zij. Op de andere tekening staat ze in exact dezelfde houding, maar draagt ze een vaalrood hemd. Picasso was er dichtbij, maar volgens mij heeft er een miniem verschil gezeten in de lijn van de rug en heeft hij haar daarom een hemd aangetrokken.’
Hij pakte zijn schetsboek op en nam een houtskoolkrijtje uit zijn tas.
‘Ik ga een portret van jou maken. Blijf zo zitten. Niet bewegen.’
Voor het eerst voelde ik zijn professionele blik op me rusten. Sneller dan ik had gewild was hij klaar. Met een nieuwsgierige blik in zijn ogen overhandigde hij het schetsblok. Ik durfde nauwelijks te kijken, maar toen ik het toch deed, geloofde ik mijn ogen niet. Hij had mij zijdelings getekend zoals ik de hele ochtend had zitten vissen, niet zoals ik model had gezeten. Een in zichzelf gekeerde, oude man met lijnen in zijn gezicht van het kijken naar de schittering van het water. Een slappe hoed op het hoofd, een stoppelige kin. Het was geen portret om trots op te zijn als er niet dat ene detail was geweest. Hij had om mijn mond een glimlach getekend die ik niet kende van mezelf.

Het schilderij van het water dat zijn spiegelende lot accepteert, is een groot doek geworden waaraan hij een hele winter werkte. Achter karmozijn en turkoois schemeren geel-grijze tinten die in steeds kleinere, steeds lichtere cirkels diepte geven aan het schilderij. In mijn beleving drukt het precies de warmte en de stilte van die dagen op het water uit.
Het Stedelijk Museum heeft het gebruikt voor het affiche van de overzichtstentoonstelling die kortgeleden is geopend. Door het raam van mijn appartementje boven het oude café van mijn broer keek ik uit op een bushalte, volgeplakt met afbeeldingen van het schilderij. Het was alsof een turkooizen geest tegen me sprak. ‘Waar blijf je, visserman?’ Het klonk als gefluister in de nacht, precies zoals ik de stem van de schilder bij onze eerste ontmoeting achter me had gehoord. ‘Waar blijf je?’ Als ik mijn ogen sloot, zag ik het schilderij zoals hij het indertijd onthulde. Hij had het naar buiten gedragen en tegen de muur gezet. We stonden er samen naar te kijken, hij met een fles bier in zijn hand, ik enigszins ongemakkelijk omdat ik het moment vreesde waarop hij me zou vragen wat ik zag.

In het zevende jaar van mijn dienstbetrekking ging de herfst opnieuw gehoorzaam opzij voor de winter en onderging het Friese land geduldig zijn jaarlijkse kaalslag. Met de kilte kwam echter ditmaal ook zijn oude grimmigheid terug en opnieuw dwaalde hij ’s nachts door het huis. Ook kon hij plotseling door zijn knieën zakken en dan moest ik hem ondersteunen als hij naar de plee wilde. Bier kon hij niet verdragen omdat hij zijn water niet meer kwijt kon, een typische oudemannenkwaal bij zo’n jonge vent. Ik maakte me grote zorgen, maar van doktersbezoek wilde hij niets weten. In plaats daarvan wilde hij weer een model. Jaren had hij zonder gekund, maar nu zocht hij zomaar een brief uit de steeds dunnere stapel post die ik met de sloep in het dorp had opgehaald. Een envelop met foto die regelmatig in de post zat en steeds in de prullenbak belandde, werd dit keer in genade aangenomen.
‘Opbellen! Direct.’
Dus voer ik terug naar het dorp en draaide haar nummer. De volgende dag was Eveline er al, bezorgd en zenuwachtig want ik had haar verteld dat de schilder zich grillig gedroeg, maar ze wilde beslist komen. Omdat het winter was, droeg ze een dikke mantel waaronder zich niettemin een modellenlichaam aftekende. Evelines prachtig rood gestifte mond krulde spottend in de hoeken. Ze had koele, grijze ogen. We voeren zwijgend naar de overkant. Toen we bij het huis aankwamen en ik de boot vastmaakte aan de steiger, stond hij haar wijdbeens in de tuin op te wachten. Hij had zijn bed niet gezien. Zijn ogen waren diep in hun kassen weggezonken.
Een week ging het goed. Ondanks haar afstandelijke voorkomen was ze direct voor hem gevallen. Omdat ik zelf, zij het kortstondig, voor hem had geposeerd, kon ik me dat goed voorstellen.
In één zo’n lange, winterse nacht hoorde ik hem ineens schreeuwen. Het was geen bronst. Het was geen woede. Het was geen dronkenschap. Deze schreeuw kende ik niet. Zonder te aarzelen snelde ik de trap af, mijn stroeve knieën vervloekend. In een halve looppas ging ik op de deur van het atelier af. Ik greep de klink, opende de deur in één beweging en voor ik het wist stond ik midden in de schemerige ruimte, waar hier en daar een kaars brandde. Met gekromde rug stond hij voor het raam, zijn handen tussen zijn benen. Schoksgewijs drong het tot me door dat hij huilde, krampachtig met harde snikken. Eveline zat op het grote, tweepersoonsmatras en was net als hij geheel ontkleed. Ze keek naar de lakens die zwart waren van bloed. Een gloeiendhete gedachte flitste door me heen. Had ze de schilder ontmand? Als ik zo’n man kon zijn, had ik me woedend op haar gestort. In plaats daarvan negeerde ik haar en nam ik de schilder mee naar mijn keuken om hem te wassen.
De volgende dag bracht ik haar naar de bushalte en hem naar het ziekenhuis. Direct werd hij opgenomen voor nader onderzoek. Een week later kregen we te horen hij prostaatkanker had, een zeldzaamheid op zijn leeftijd, zei de arts, alsof ons dat kon geruststellen. De uroloog schraapte de ernstigste verstopping via de urinebuis weg, maar de ziekte zat al in het bekken en de wervelkolom. Niet Eveline, in gedachten verontschuldigde ik me, maar de geneeskunst wilde hem castreren. Dat leidde volgens de oncoloog bij dit soort roofdierachtige prostaatcarcinomen tot goede resultaten. Zou het hem niet genezen, dan kon hij in ieder geval langer leven.
Jacob van Woerden lachte de geneesheer in zijn gezicht uit. Hij stond op en verliet de spreekkamer. Buiten, op weg naar de taxistandplaats, probeerde ik voor het eerst in al die jaren van mijn dienstverband met hem te argumenteren. Ik vreesde de leegte, die na zijn dood leger zou zijn dan zij ooit was geweest. Hij snoerde mij de mond.
‘Is een golf bang voor de branding? Breken zal hij toch. We gaan naar huis, visserman.’
Ons leven in huis herstelde zich enigszins. De schilder begon aan een doek in de stijl van de oude, Hollandse meesters. Vanuit zijn geheugen schilderde hij de kust, met hoge luchten en aanstormende golven, maar hij gebruikte kleuren die aan de sterrennachten van Van Gogh deden denken. Dat werk is zijn Unvollendete. Al snel kostte het hem te veel moeite om lang voor zijn ezel te staan. Onder het grote raam van het atelier plaatste ik zijn bed. Hij protesteerde niet.
Omdat ik hem liever niet alleen liet, probeerde ik mijn tochten naar het dorp te verminderen. Toch, de boodschappen moesten gedaan en de post opgehaald. Zoals altijd laadde ik de tassen in de boot en wierp ik een snelle blik op het stapeltje dat bij het agentschap op hem had liggen wachten. Eén van de brieven was tot mijn verbazing geadresseerd ‘aan mijn man Jacob van Woerden’. Op de foto die uit de envelop gleed, herkende ik de gracieuze houding van de okeren dame die nog altijd in caleidoscopische spiegelbeelden tegen de blinde muur van het atelier rustte. Naast haar stond een jongen. Hij had de donkere huid, doordringende ogen en vooral de vorstelijke houding van de schilder. Vera van Woerden schreef aan haar man dat ze niet had geweten wie de vader van haar kind was toen ze zwanger terugkwam uit New York, dat het mogelijk was dat het kind een andere huidskleur had en dat ze hem daarom verliet. Bij een modeshow in Parijs hoorde ze tot haar verbijstering van Eveline, een vriendin, over zijn verschrikkelijke ziekte. Meteen had ze deze brief geschreven. Alsnog gunde ze hem de kennismaking met de vrucht van zijn zaad. Ze vroeg of de jongen welkom was in Friesland.
In plaats van brief en foto naar de schilder te brengen, liep ik naar de telefooncel. Ze nam op met Vera van Woerden. Mijn naam zei haar niets. Maar ze begreep het meteen.
‘U bent… de visserman?’ Ze lachte kort. ‘Mij noemde hij… prinses.’
‘Eveline was uw spion?’
‘Mijn vriendin. We hadden geen idee dat hij ziek was. Ze bood zich aan omdat ik wilde weten of hij…, zijn zoon, hij is zeven en begint naar zijn vader te vragen, maar Jacob was zo boos, zo beledigd. Ik wist niet…’
‘Nu wel?’
‘Mijn zoon zou het me nooit vergeven.’
‘Hij heeft uw brief niet gelezen.’
‘Hoe erg is het?’
‘Als u langer wacht, wordt het moeilijker.’

Op het afgesproken tijdstip stonden ze enkele dagen later aan de kade. Het regende zacht. In schaduwplekken lagen nog wat sneeuwresten tegen de huizen. De jongen droeg een rode lakjas en hield haar hand vast. Zij schuilde onder een gele paraplu. Samen keken ze hoe ik aanlegde. Ik voelde me een zeventiende-eeuwse matroos en bedwong de drang om mijn hoed af te nemen.
Zonder een woord te zeggen, stapte de jongen bij mij aan boord. Zijn moeder zwaaide kort toen ik afduwde en koers zette naar het meer.
‘Vergeef me. Ik kon niet anders. Je zoon is bij me,’ zei ik in de deuropening van het atelier. De schilder lag in zijn bed onder het raam, keek me lang aan en maakte daarna met zijn hoofd een wegwerpgebaar. Ik stapte opzij en liet de jongen binnen.
Het joch poseerde meer dan een uur bij de schilder op zijn bed. Voor zover ik kon vaststellen werd er tussen die twee niet of nauwelijks gesproken. Na afloop scheurde hij het vel uit het blok en gaf de tekening mee aan zijn zoon. Op de terugweg in de sloep zei de jongen dat het precies zo was gegaan als zijn moeder had voorspeld. Ondanks zijn kinderlijke bravoure zat hij ineengedoken op het bankje in de boeg en omklemde hij met witte knokkels de koker die hij zo-even had gekregen. Op de kade in het dorp holde hij weg in de richting van het hotel, een rode schicht in het druilerige dorp.
De eerste dagen na dit incident was ik op mijn hoede, vreesde ik zijn toorn. In gedachten repeteerde ik de verontschuldiging die ik had voorbereid. Totdat ik merkte dat hij er niet op terug zou komen. Waar Jacob van Woerden zich bevond kregen aardse beslommeringen geen substantie meer. Hij brandde als een verlaten vuur.
In de catalogus bij de tentoonstelling in het Stedelijk heb ik voor het eerst de sterfbedtekening, zoals zij inmiddels werd genoemd, goed kunnen bekijken. De conservator plaatste de afdruk naast een reproductie van een oud zelfportret, beide werken van houtskool op papier. De gelijkenis was verbluffend, schreef het museum. In de oogopslag zat een verschil. Bij zijn zoon spiegelde de schilder met enkele subtiele witlijntjes in de zwarte pupillen een van zijn moeders portretten. Hierover zweeg de catalogus als het graf. Waarschijnlijk was ik de enige die het zag.

Het is ver na middernacht. Ik rust op de oude, houten plankenvloer van het voormalige atelier en leun tegen de muur. Het grote, lege raam omlijst het donker van de nacht. De geur van verf en linnen is teruggekeerd. Ik sluit mijn ogen en vraag me af of de veerman morgen nog weet dat hij me heeft overgezet.

Tegen de zomer had de schilder zoveel pijn dat hij zich bijna niet kon bewegen. Zijn prachtige haren waren dof geworden en zijn huid was grauw.
Ik voer met ons sloepje naar de apotheekhoudende dorpsarts die van alles op de hoogte was en vroeg om raad. ‘Te veel in één keer is dodelijk’, zei de man toen hij me een doosje met dertig morfinepillen meegaf.
Met die pillen op zak manoeuvreerde ik tussen de vakantievierende plezierjachten door, op weg terug naar huis. Bruisend sloeg het water tegen de boeg en overal waren vriendelijk groetende watersporters. Op warme dekken van lange motorjachten strekten zonnende meisjes zich uit en aan boord van de zeiljachten lachten strakke, witte zeilen naar de wind.
In het huis hing een zurige lucht. Ik gaf de schilder twee tabletten en zette alle ramen en deuren open. Uit een halfvergeten voorraad zocht ik enkele wierookstaafjes die ik met lucifers aanstak en in de keuken kookte ik muntbladeren.
‘Visserman.’ Hij stond in de gang, wankelend en broodmager. ‘Ik wil naar buiten.’ Voor het eerst in maanden voelde hij geen pijn. De opluchting straalde van zijn gezicht.
Ik begon met stoelen te slepen, maar daar was geen sprake van. Hij wilde languit in het gras. Een zonnebril weigerde hij. ‘Het licht is er niet voor niets.’
Zijn vingers tastten door het gras naar de donkere aarde. Naast zijn hoofd bloeide een late klaproos en bij zijn heupen spikkelden witte klaverbloempjes als zomersneeuw. De hemel trok een gezicht van azuur en het vlakke Friese water joeg de horizon zo ver mogelijk voor zich uit.
‘Wat zeg je, visserman?’
‘Kon ik dit maar schilderen.’

 

© Jan Kloeze

Kijk ook eens naar mijn poging het boek van de toekomst te schrijven of lees Waarover wij spraken.