Het boek Job

Met Het boek Job heb ik een poging gedaan het boek van de toekomst te schrijven. De roman is interactief opgezet en kan online in willekeurige volgorde worden gelezen. Het boek Job is een coming-of-age-verhaal in 22 fragmenten, sommige lang en andere kort. Elk fragment is een potentieel begin. Elke keuze voor een volgend hoofdstuk beïnvloedt het beeld dat de lezer zich uiteindelijk van Job vormt. Zo krijgt iedere verhaalversie zijn eigen dynamiek. Er zijn in theorie erg veel versies mogelijk. Ik heb niettemin door het gebruik van verbonden thema's en motieven voor samenhang gezorgd. Lezers die hun ervaringen delen zullen hun interpretatie herkennen zoals bomen op elkaar lijken zonder elkaars spiegelbeeld te zijn.

Vliegangst

 

Oom en tante brachten hem in de Renault Dauphine naar het Motel de Witte Paarden aan de snelweg naar Duitsland, waar zijn ouders hem met hun witte eend, een tweedehands Deux Chevaux, zouden ophalen.
‘Daar is pappa al. Kijk. Ga maar naar hem toe,’ zei tante en ze probeerde tegelijkertijd zijn vaders aandacht te trekken.

‘Zo kerel.’
‘Waar is mama?’
‘Mama is thuisgebleven.’
‘Waarom?’
‘Een goedemiddag meneer en mevrouw Horst.’
Zijn plaats aan het raam was Job kwijt. Hij vond het iedere keer vreemd dat oom en tante door zijn ouders met meneer en mevrouw werden aangesproken.
‘Ach, u weet hoe dat gaat. Ze is druk bezig met de gordijnen. U krijgt de hartelijke groeten.’
‘Bevalt het huis?’ vroeg oom.
‘Voortreffelijk. We hebben zelfs een extra stuk tuin omdat het een hoekwoning is. Boven maar liefst drie slaapkamers en een douche, plus een grote vliering.’
‘Houdt u van tuinieren?’ vroeg tante.
‘Als afscheiding heb ik coniferen geplaatst en naast de voordeur staat een kleine berk. Maar verder moet er nog veel gebeuren.’
Job had zijn hele leven in een flat gewoond. Nu was dat anders. Want wat was precies een hoekhuis? En coniferen? En wat betekende vliering?
Zijn vader bedankte oom en tante uitgebreid. Ze hadden het graag gedaan, want het was altijd een genot om Job in huis te hebben. Nee, het was helemaal niet vervelend.
‘We zijn naar zee geweest,’ zei Job. ‘Ik heb op een ezel gereden. Een hele hoge. Ik mocht de teugels vasthouden.’
Op het parkeerterrein namen ze afscheid. Zijn vader bewonderde de Renault en wees lachend op zijn eigen auto. De witte eend had een grijs dak. Tante legde Job uit dat deux chevaux twee paarden betekende en dauphine kroonprins.

‘Zit nou toch eens stil.’
‘Ja maar ik tel alle Dauphines die we tegenkomen.’
‘Daarom hoef je nog niet zo te draaien.’
‘Auto’s langs de kant tellen ook mee.’
‘Stilzitten. Denk erom.’
Job zakte wat onderuit. ‘Hoe lang is het nog?’
‘Net zo lang als altijd. We wonen in dezelfde stad, alleen in een andere wijk. Dat weet je zelf ook wel. Niet naar de bekende weg vragen.’
‘Wonen we, waar we nu wonen, aan een asfaltweg of een gewone.’
‘De Dupontlaan is een straat met klinkers.’
‘Is het druk, net als bij de flat?’
‘Deze straat loopt dood. Aan het eind is een kleine rotonde om de auto te keren.’
De voorkant van hun flat grensde aan een verkeersweg met stoplichten. In bed luisterde Job vaak naar de auto’s die optrokken als het groen werd. Aan het geluid van de motor probeerde hij het merk te herkennen. Achter de flat lag een grasveld met dichte struiken die ’s zomers vol lieveheersbeestjes zaten. Er was ook een zandbak, een diepe, want na het witte zand konden ze doorgraven tot in de vochtige, zwarte grond. Job speelde daar vaak tikkertje met twee vriendjes. Ze mochten niet buiten de zandbak komen. Behalve op de rand. Hij was er goed in, maakte veel schijnbewegingen. Maar op een keer, toen hij zelf aan de beurt was om te tikken, viel hij in een kuil die ze langs de zijkant hadden gegraven. Zijn bovenlip scheurde op de grijze, betonnen rand. Er groeide een dikke korst op, vlak onder zijn neusgaten, een zachte, zwerende korst die later hard en bruin werd. De snottebellen hingen soms in zijn mond voordat hij ze voelde.
‘Hier ga je na de vakantie naar school. Dit is de Laurierweg.’
Job keek opzij en ving een glimp op van een plein met enkele gekleurde tegels. Kinderen waren aan het rolschaatsen. Het schoolgebouw was niet goed te zien. Een fietsenschuur stond in de weg.
Ze reden even later op een brede asfaltweg met putdeksels in het midden. Links ging de weg zonder afscheiding over in een braakliggend veld en rechts stonden splinternieuwe huizen aan het trottoir, de gevels versierd met lichtblauw geverfde platen.
‘Wonen we hier?’ vroeg Job.
‘Ik heb toch… Wat is dit voor weg?’
‘Weet ik niet.’
‘Ik heb toch gezegd dat we aan een straat met klinkers wonen.’
‘Niet aan gedacht.’
‘Niet aan gedacht’, bauwde zijn vader hem na. ‘Dit is de Botticellilaan.’ In de verte stond een rood-wit, geblokt bord. Kort daarvoor sloeg hij rechtsaf en daarna draaide hij naar links. Deze straat liep evenwijdig aan de Botticellilaan, maar was veel korter. Halverwege parkeerde zijn vader de auto bij een huis dat van iedereen had kunnen zijn. Ze liepen over het tegelpad door de voortuin naar de deur. Job kon zijn vader niet bijhouden. Hij moest af en toe een beetje rennen.
‘Zijn dat coniferen?’ Job wees op dennenboompjes die aan de grens met het trottoir en de steeg stonden.
‘Daar mag je beslist niet aankomen. Denk erom.’
In de hal herkende Job de kapstok en de jassen die eraan hingen. Hij zag een trap. Een trap in het huis. Op de treden zaten zwarte ribbels. Zijn moeder kwam de trap af. Ze droeg meestal kleren die prikten tegen zijn wang. Ze knielde en drukte hem tegen zich aan, terwijl ze allerlei dingen zei. Het was wel prettig, maar duurde nogal lang. Daarna begroette ze zijn vader.
Tot Jobs verbazing kwam nu ook een vreemd meisje de trap af. Ze had stijl haar en een naar vorenstaande mond. Om haar dunne benen fladderde een kort, geplooid rokje. Job had direct een hekel aan haar. Wat deed ze daarboven in het huis dat hij nog niet eens kende? Marion heette ze en ze werd door zijn moeder naar buiten gestuurd om iedereen op te halen.
Job ging mee naar de kamer. Aan de straatkant stond het stoffen bankstel. Aan de muur hing het effen, bruine wandmeubel. Boven de tafel zweefde een nieuwe lamp, die er oud uitzag met gewichten aan een kettinkje en een dofwitte kap.
‘Waar zijn mijn auto’s? En mijn knikkers? En mijn holster, waar is die?’
‘Jouw dingen liggen allemaal boven op je kamer.’
Er werd op de ruit getikt. Marion stond voor het raam, in de achtertuin. Ze wenkte.
‘Kom. Daar zijn je nieuwe vriendjes,’ zei zijn moeder opgewekt. ‘Er zijn een heleboel leuke kinderen in de buurt.’
Naast het huis, in de steeg, stond Marion aan het hoofd van een stuk of acht kinderen die door haar van groot naar klein waren gerangschikt en hem aankeken met stille gelaten. De kinderen moesten zich voorstellen. Met z’n allen vormden ze een langgerekte vlek.
‘Ga maar fijn buiten spelen’, zei zijn moeder. Ze aaide hem door zijn haren en drukte hem naar voren. ‘Om half zes eten we.’
Job bleef staan aan zijn kant van de lage rij coniferen. Zijn naam werd genoemd. Marion pakte hem bij zijn hand.
‘We gaan een spelletje doen en jij mag het zeggen.’
De anderen liepen de steeg uit. Marion trok Job mee. Ze kwamen uit op de stoep voor het huis in de straat waar de witte eend was geparkeerd. Hier was het zonniger, maar toch had Job het koud. Onder zijn korte broek prikten zijn benen.
‘Als je niks zegt, dan zeg ik wat we gaan doen hoor.’
‘Goed, we doen verstoppertje. Ik ben ‘m. Ik tel tot honderd. Deze lantaarnpaal is de buut.’
Ze leunde met haar arm voor haar ogen tegen de zilveren paal en telde hardop. De anderen spatten uiteen. Job keek om zich heen. De straat was helder en licht. Hij zag één van de kinderen achter een rode Ford Taunus 12M hurken. Er stond ook een grijze Simca 1100. Job draaide zich om en ging de steeg weer in. Hij liep langs de dennenboompjes van zijn vader, rende verderop tussen schuttingen door, kwam uit op de zwarte Botticellilaan en sloeg zonder aarzelen af naar rechts. Hij rende nu op topsnelheid naar het rood-wit geblokte bord.
Vanuit zijn schuilplaats kon hij de lange asfaltweg in zijn geheel zien. Naast de lege weg strekte zich het braakliggend terrein uit. Er waren kleine heuvels begroeid met klaver en distel. Er stonden hoge planten met donkergele bloemen. In lang en pluizig gras schemerden bloeiende paardenbloemen en klaprozen. Overal stonden bovendien planten met bruine, er dor uitziende takken zoals de struik waarachter Job zich verborg.
Marion kwam de steeg uit en keek speurend naar alle kanten. Hij dook weg. Langzaam kwam ze dichterbij. Job voelde de grond tegen zijn borst bonzen. Als ze hem ontdekte, was hij erbij. Hard wegrennen. Maar waar naartoe? Bij de flats had je altijd nog het doolhof van betonnen kelders, waar het stoffig was en schemerig. Daar zaten enge mannen. Maar je kon je er goed verstoppen. In een hoek, bij een kaal peertje, had hij wel eens met een vriendje staan plassen. Marion was nu zo dicht bij dat hij zich verbeeldde haar te horen ademen.
Het duurde een eeuwigheid voordat Job durfde op te staan om het veld te gaan verkennen. Hij vond een stok die hij probeerde als geweer, maar daarvoor was de tak te dun. Je kon hem over je schouder naar achteren steken en net doen alsof er een bundeltje aan hing. Daar was een heuvel die hij voorzichtig moest beklimmen, want misschien zat er aan de andere kant een wachtpost. Of, dat zou heel goed kunnen, waren daar indianen op wilde dieren aan het jagen. Hij kroop op handen en voeten omhoog en sleepte zijn stok mee. Het sloop tussen klavervelden en lange bladeren van plantjes die hij kende als konijnenvoer. Geen prikkels of distels. Wel zoemende hommels. Bovenop de heuvel groeide een grote varen met donkergroene vingerbladeren, waar hij zich achter verschuilde. Het was veilig. Alle oké, Piet. Job keek neer op een vallei. De hellingen waren begroeid met gele boterbloemen, oranje klaprozen en witte madeliefjes. De zwart bestippelde pluis van een paardenbloem duikelde door de lucht, zonk in de vallei, haakte achter een graspluim en kwam weer los. Vlinders vlinderden op de thermiek vlak boven de grond.
In het dal was hij onzichtbaar geworden. Aan alle kanten onttrokken de heuvels hem aan het zicht. Er was schaduw en zon. Hij vlijde zich neer in het licht en omhoogkijkend zag hij het wazige begin van schapenwolkjes. Toen hij jeuk kreeg, ging hij rechtop zitten. Droomde hij of was daar in de schaduw werkelijk een grot? Ja, dat was beslist een berenhol. Op slag werd hij jager. Dit was een kans om de hele stam in één keer van voedsel te voorzien. Met zijn stok geheven ging hij erop af. Hij kon geen sporen ontdekken, maar er was wel degelijk een rond gat en ernaast lag het zand dat uitgegraven was op een hoop.
Job stak zijn hoofd in het gat. Er was geen gang. Het hol was niet naar onderen gegraven, maar naar voren. Het was een hap uit de heuvel met een smalle, ronde ingang. Hij kroop erin. Het was donker, toch kon hij nog genoeg zien. Twee kinderen zouden naast elkaar kunnen zitten. Staan ging niet. De grond was stevig aangestampt, net als de muren en het plafond. De vochtige warmte in het hol verbaasde hem. Hij had de neiging zich lekker op te rollen. Maar het was vast al half zes. Job ging naar huis. Zijn stok sleepte hij achter zich aan. Ergens in het veld liet hij hem los.

Aan tafel kreeg hij geen hap door zijn keel.
Zijn vader: ‘Je gedraagt je als een verwend joch. Als je zo doorgaat, mag je nooit meer naar oom en tante.’
Zijn moeder: ‘Waarom wilde je nou toch geen verstoppertje spelen met de andere kinderen?’
Zijn vader: ‘Je weet toch dat je op tijd thuis moet zijn!’
Zijn moeder: ‘Marion heeft de hele middag naar je gezocht. Ze was zo ongerust.’
En even later, toen het ergste achter de rug leek en Job de sigaretten van zijn ouders uit de woonkamer moest halen, bleef hij bij het wandmeubel stil staan toen hij zijn vader in de keuken hoorde zeggen: ‘Tijdens de opleiding in Canada kwam er eens iemand terug van zijn eerste solovlucht. Hij stapte uit zijn kist en verstopte zich in een hangar op het vliegveld. Niemand kon hem vinden. Hij had vliegangst. Is onmiddellijk de dienst uitgeschopt. Eruit geschopt!’ Zijn moeder knikte aarzelend, alsof ze niet precies wist wat ze moest zeggen. Dat zag Job nog net, toen hij terugkwam met de sigaretten.

Op een dag waren de vrachtwagens verschenen, vol blubber, miljoenen kubieke meters nattig, zwart stinkend zand om de grond zeker een meter of twee op te hogen. De camions met kiepbakken ter grootte van een niet onaanzienlijk zwembad maakten met hun ontzaglijke wielen een eindeloos lijkend patroon van diepe, geribbelde sporen in een gebied dat vol had gestaan met knotwilgen en meidoorns die elk jaar zo uitbundig bloeiden en geurden dat de mensen er in de lente niet over uitgesproken raakten. Na de vrachtwagens kwamen de shovels om de naar oude champignons riekende boel bij elkaar te vegen, waarna de modder indikte en later een tweede, derde en vierde golf van blubber over de grond kon worden uitgereden.
Ze zagen het in arren moede aan, de mensen van de Helmondsestraat in Eindhoven, en ze speculeerden over het vervolg, want wat werd er straks gebouwd aan lanen die buitenlandse namen zouden krijgen; Bottocellilaan, Dupontlaan, Von Zeesenlaan. Daar zouden rijke mensen terecht gaan komen, dachten ze en ze maakten zich zorgen over de buurt, want iedereen wist hoe rijker hoe asocialer.
De rommelige achtertuinen van de Helmondsestraat grensden aan weide- en akkerland waar boeren en koeien met elkaar in de weer waren en graan werd verbouwd. Niet alleen korenhalmen maar ook de bijbehorende blauwe bloem waaiden over en de bewoners wisten niet beter dan dat het onkruid was. Ze wiedden behalve korenbloem ook klaproos, zuring, paardenbloem en klaver zonder zich te realiseren dat deze vanzelfsprekende bloemensoorten snel zouden sneuvelen. Net als de koekoek, de snip en de kieviet die gedachteloos werden gezien en gehoord terwijl de mensen van de Helmondsestraat een haakse slijper in het golfplaten tuinschuurtje zetten of op de til de duiven voerden. Werkloosheid kende men nauwelijks. Als de mannen van de Helmondsestraat naar hun werk gingen, reden ze naar DAF, de tabaksfabriek van Mignot & De Block of naar Philips. Hun vrouwen maakten ergens schoon, kapten aan huis of bestierden een wasserette. Met brede inritten tapten de smid, de loodgieter en iets verderop ook de schroothandelaar het verkeer van de Helmondsestraat af.
Zorgen over integratie met de nieuwbouw bleken onnodig, want de planologen van de gemeente sloten de nieuwe wijk niet aan op de oude stadsbuurt. Misschien dat de bewoners in de ogen van de mensen van de Helmondsestraat rijk waren, in werkelijkheid waren ze dat niet. Het waren sociale stijgers, tussen de 25 en 30 jaar oud, aan het begin van hun carrière bij de gemeente, op school of in het leger en met potentie om door te stoten naar de betere middenklasse. Hun vrouwen zorgden voor de kinderen en het huishouden, kregen later spijt, gingen als spijtoptanten naar de moeder-Mavo en haalden alsnog hun eigen rijbewijzen. Samen werden man en vrouw welvarend in de zeventiger, tachtiger en negentiger jaren toen ze huizen kochten en met grove winsten verkochten om steeds groter te gaan wonen, totdat ze gingen scheiden en opnieuw moesten beginnen.
Maar zover was het in de zestiger jaren in de grootste stad van Brabant, de jaren van de vooruitgang, nog lang niet. Bij de nieuwbouw aan de Dupontlaan scheidde een breed trottoir de nauwelijks gebruikte parkeerstrook van de kale tuinen. De meeste mensen hebben voor gras gekozen, ingezaaid gras dat maar moeizaam op wil komen, hoewel de donkere grond op het eerste gezicht vruchtbaar genoeg lijkt te zijn.
Op nummer 37 werd Job op zijn tweede dag in deze veelbelovende omgeving vroeg wakker. Nooit naast zijn bed gaan staan, dus stapte Job aan het voeteneind op de grond. Hij deed de gordijnen op een kier. Het was klaarlichte dag. De zon scheen van opzij zijn kamer in en hij knipperde met zijn ogen.
‘Ik ga buiten spelen’, riep hij door de deur van de slaapkamer waar zijn ouders nog in bed moesten liggen. Voordat er antwoord kwam, was hij al beneden. Job wist nog steeds niet wat vliering was. Er waren prettige woorden zoals park en zwerver. En er waren slechte woorden zoals vliering en verwend. De goede woorden hadden een gele kleur. De slechte woorden waren donker. Hoekhuis, vliegangst en vader vormden een duister mozaïek. Tante, eekhoorn en flat gaven licht. Er waren ook woorden die er tussenin hingen, die de ene keer somber stemden en de andere keer blij maakten; moeder was zo’n woord en waaghals ook. Woorden die warm waren als bloed maar even zo goed konden stollen tot zwarte korsten.
Buiten hing iets in de lucht, iets dat een vage geur verspreidde, dat warm was en zich in hem nestelde, ergens ter hoogte van zijn buik. De aarde in de voortuin was vochtig van de dauw. De deux chevaux, de Taunus en ook de andere auto’s glinsterden in de zon. Op het grasveld aan de overkant van de weg lag een verlaten voetbal. Job liep naar het eind van de straat, waar de kleine rotonde was aangelegd en een hek stond. Naast het hek begon een eigen weg, voor auto’s afgesloten met betonnen paaltjes. Het was een breed pad, bedekt met kolengruis en sintels, dat volgens het blauwe bordje met witte letters een verboden doorsteek naar de Helmondsestraat maakte.
Gefladder in de lucht, vlakbij. Hij keek hoger en zag een houten toren die boven een tuinschutting uit stak, een toren met een omgang waar kleine openingen op uitkwamen. Uit die rondjes verscheen zachtjes koerend de ene duif na de andere. De duiventil was lichtblauw en wit. Er stond een jongen. De jongen keek naar beneden, recht in de ogen van Job.
‘Wacht effe!’
De jongen verdween in de toren terwijl de duiven zich verzamelden en boven het hoofd van Job een fladderende cirkel maakte, waarna ze een formatie vormden en in de verte verdwenen. De duivenjongen holde over het sintelpad op Job af. Zijn voeten maakten afdrukken in het gruis. Onwillekeurig keek Job kort en snel achterom. De laan achter hem was rustig en helder.
‘Ik ben Theo. Wie bende gij?’
‘Job.’
Ze keken elkaar aan. Ze waren even groot en droegen allebei een korte broek. Theo had vieze handen met veel korstjes erop en zijn mond had losse lippen die flink bewogen als hij sprak.
‘Ik ben negen. En gij?’
‘Acht’, moest Job toegeven. ‘Bijna negen.’
‘Jullie huis was vroeger een weiland. Daar liepen de koeien van Van Schaijk. En bij die garages daar gingen we altijd bramen plukken.’
Job keek naar het plein naast de huizenblokken, waar de garages in een vierkant waren neergezet, met deuren die omhoog oprolden. Hij vroeg zich af of zijn vader ook een garage had.
‘Vorig jaar hebben ze hier de hele boel onder gespoten. Met tankwagens. Blubber. Hopen blubber hebben ze erop gespoten. Zwarte smurrie. Stinken jongen.’
Job bekeek de keurige huizen, de rode bakstenen, de blauwe gevelborden en de auto’s die her en der in de ochtendzon gloeiden.
‘Eerst ging ik naar zee’, zei Job. ‘Daar was een pier, wel zo lang als een kilometer.’
‘Thééééjóóóóó!!’
Job schrok zich kapot, zo hard werd er geroepen en zo dichtbij. Theo’s moeder stond op de duiventil met haar handen aan haar mond, kijkend in de verte. Ze was een kleine, dikke vrouw met een schort voor. Ze haalde diep adem.
‘Hier ben ik mam.’
Waar de jongens stonden, konden ze haar horen uitzuchten. Snuivend zei ze dat Theo moest komen ontbijten.
‘Kom op.’
Theo rende over de eigen weg. Job ging achter hem aan. Misschien was hij wel de eerste jongen van de nieuwe buurt die over dit pad durfde te hollen.

Hij kreeg hetzelfde als Theo. Een dubbele boterham met roggebrood en kaas ertussen. Theo schonk zichzelf een beker karnemelk in. Dat moest Job ook doen, gebaarde hij. Job schonk zijn beker niet al te vol.
‘Smaakt het?’
‘Heerlijk mevrouw.’
‘Wa ga-de vandaag doen, jongen?’
‘Kikkervisjes vangen.’
Theo dronk zijn beker leeg, lurkend met grote teugen en zette de beker naar adem happend op het stenen aanrecht. Zo gulzig te drinken, dat was Job streng verboden.
‘Kom op’, zei Theo en hij gebaarde naar Job. Tegen zijn moeder: ‘Houdoe.’
‘Houdoe,’ zei Job met gloeiende wangen.
Naast elkaar liepen ze over het zwarte pad. Theo met zijn fiets aan de hand. Ze kwamen langs de ingang van een vrachtwagenbedrijf. Een blonde herdershond lag in de oprit, achter het hek. Twee meisjes speelden met een schommel. Ze staken een hand op toen Theo naar ze riep.
Job haalde zijn fiets uit de schuur. Zijn moeder stond in haar peignoir achter het huis, een roze met allemaal schubjes.
‘Ik heb al ontbeten. Bij Theo’, zei Job.
‘Theo. Wie is dat?’
‘Mijn nieuwe vriendje.’
‘Wat gaan jullie doen?’
‘Eindje fietsen. Houdoe.’
Het vage gevoel dat zich in zijn buik had genesteld, kwam razendsnel terug toen ze naast elkaar over de Botticellilaan reden. Bij de grote kruising sloeg Theo rechtsaf.
‘Hoe moet dat, kikkervisjes vangen?’
‘Met je handen. Zo.’
Theo liet zijn stuur los en deed het voor. Job deed hem na.
‘Waar gaan we heen?’
‘Ginds wijd’, zei Theo.
Die woorden klonken niet slecht.
Ze fietsten door een gebied waar half afgebouwde huizen achter hekken stonden, samen met hoge kranen en grote, gestapelde voorraden van stenen en hout. De wind schoof met zandflarden over het asfalt. Via een onverharde weg kwamen ze even later uit in een straat die al bijna klaar was. In plaats van lantaarnpalen kwamen er dikke kabels uit de grond en de tuinen waren wit uitgeslagen van het cement en steengruis. Halverwege deze straat fietste Theo over een brede oprit tussen twee huizen door. Daar hield de stad ineens op.
Ze plaatsten hun fietsen tegen een schuurtje. De bodem liep schuin af naar een weiland, waar het dikke gras vlak boven de grond nog nat was. Omringd door zandbulten en uitmondend in een grote sloot lag daar de kikkerplas. Riet bewoog zacht in de wind. Het donkere water ribbelde in kleine golfjes, behalve waar waterplanten met hun dikke platte bladeren en witte bloemen het oppervlak hadden overgenomen. Theo liep recht op een uitloper van het vennetje af en ging met zijn rug tegen het opgeworpen zand zitten.
‘Hier kan niemand ons zien’, zei hij.
Job keek naar het water dat hier ondiep was. De bodem was van een heel bijzondere kleur geel, als zand maar ook als licht van een lamp. Er zaten putjes in en golfjes op en de bodem glooide aflopend naar de diepte verderop. Het krioelde er van de kikkervisjes die door hun zwarte kleur het gele zand onder water nog helderder maakten.
Met hun ogen knipperend tegen de zon zaten ze te praten. Theo’s vader was vrachtwagenchauffeur en werkte bij de buurman. Van ’s morgens zeven tot ’s avonds zes was zijn vader aan het rijden. Het was een mooie wagen, met een hoge cabine en zacht verende stoelen. Nu het vakantie was, mocht Theo vaak mee.
‘Mijn vader is piloot’, zei Job. ‘Hij kan alles zien van bovenaf. Als de ramen trillen bij zo’n harde knal in de lucht dan is dat mijn vader die door de geluidsbarrière heen gaat.’
Theo was nauwelijks geïmponeerd.
‘Als ik moet vechten, komt mijn vader helpen met de hele luchtmacht want hij is al bijna officier.’
‘Ja?’ zei Theo nadenkend. ‘As gij klop krijgt op de grond, hedde mooi niks aan al die vliegtuigen in de lucht.’
Ze spraken ook over duiven, fietsen, rolschaatsen en zwemmen en daarna leerde Theo aan Job hoe hij kikkervisjes moest vangen. Het was helemaal niet moeilijk. Job deed ze in de emmer die Theo aan het stuur had meegenomen. Sommige dikkopjes hadden voorpootjes die uit hun dikke lijfjes groeiden. Andere hadden voor- èn achterpootjes èn een wuivende staart. Een enkeling was zijn staart al kwijt en bewoog zich voort als een kikker, met bolle oogjes boven op zijn kop. Job ging overal kijken hoeveel verschillende visjes hij kon vinden en in het gras sprongen piepkleine kikkers onder zijn voeten vandaan.

Eindelijk was het zaterdag geworden. De hele week was Theo met zijn vader meegegaan in de vrachtauto. Alleen ’s avonds na het eten kon Job soms heel even met hem spelen. Maar nu gingen ze weer naar de kikkerplas. Onderweg was aan de huizen niets veranderd, zo te zien. De hijskranen leken er ook nog net zo bij te staan. Het losse zand dwarrelde weer over de brede laan. Anders dan vorige week was het nu bewolkt. En de wit uitgeslagen, op beton lijkende grond van de tuinen in de straat die bijna klaar was, werd nu bedekt door een dikke grasmat. Eén huis had vitrage voor de ramen en planten op de vensterbank. Volgens Theo was het een modelwoning. Bij de schuur, waar ze hun fietsen neer wilden zetten, lag nog een enkele opgerolde graszode met een zwarte, vochtige onderkant van aarde. Van dichtbij ontdekten ze een paar wormen die met de helft van hun zacht wriemelende lijven uit de aarde staken. Theo bukte en trok er één uit. Hij liet de worm wild in zijn met kleine korstjes bedekte handpalm kringelen.
Job wilde hem nadoen en greep ook een wormenlijf, maar geruisloos scheurde het dier doormidden en de beide helften kronkelden als een gek. Geschrokken liet Job zijn stuk op de grond vallen. Het andere deel schoot terug in de aarde. ‘Daar kunnen ze wel tegen’, zei Theo.
Toen ze weer op dezelfde plek zaten, aan het heldere water met de lichtgevende bodem, in de beschutting van het kleine duin en in de peilloze aanwezigheid van de plas, kwam Job ermee voor de draad.
‘Ik mag geen vriendje meer zijn met jou’, zei hij.
Het was omdat de moeder van Theo bijna elke avond op de duiventil verscheen om haar zoon te roepen. Dan schalde haar stem over de Dupontlaan en weerkaatsten haar kreten tegen de vrolijk gekleurde gevels van de nieuwe huizen. Ze had zelfs een keer Job geroepen, net op het moment dat zijn vader in de voortuin had gestaan, ook op de uitkijk omdat Job te laat was.
Die avond aan tafel praatte Job voor de zoveelste keer honderduit over de kikkervisjes. ‘Zaterdag gaan we weer. Mag ik dan ook een emmer meenemen?’
‘Niks emmer. Je gaat niet meer met Theo om’, had zijn vader gezegd.
Soms vergat Job dat hij met volle mond praatte of een deur niet achter zich sloot. Dan kreeg hij straf, net als wanneer hij thuiskwam als de klok weer eens te hard had gelopen. Maar nu had hij niks aan zien komen. Het tafelkleed was verschoven toen hij opstond van zijn stoel en toen had zijn vader hem een pak slaag gegeven omdat hij stond te schreeuwen en te janken. Het had de hele avond geduurd, want hij had allang in bed gelegen toen hij zijn vader en moeder nog tegen elkaar hoorde praten, steeds harder.
Eigenlijk moest Job nu alweer huilen, maar dat was kinderachtig. In de verte klonk het hoge geluid van een straaljager. Boven het water van de kikkerplas dansten gewichtsloze muggen.
Theo speelde met een handvol zand dat hij steeds over liet lopen in zijn andere hand totdat alles weer op de grond lag. Zijn handen waren nog steeds gehavend. Zou dat door de duiven komen? Theo keek naar de lucht toen het geluid van het vliegtuig dichterbij leek te komen. Daarna zei hij: ‘Dan moogt ge maandag dus ook niet mee op de vrachtwagen.’

Job was de leider van een geheime club. De leden waren geen jongens of meisjes, maar eekhoorntjes. Ze zaten in een groot bos. Midden in dat bos was een diepe vijver. Op het eiland groeiden alle planten en dieren met plezier. Daardoor waren er de mooiste kleuren en het waren warme, gele kleuren van jonge bladeren, van pluimige staarten en van de zon die de hele dag scheen. Job woonde daar alleen. Eekhoorntjes verzamelden voor hem zijn eten en ook hun eigen eten natuurlijk. Tijdens de maaltijd zaten ze in een kring om hem heen. Op hun achterpoten. Hij kon ze duidelijk zien knabbelen. Met planken en bladeren had hij een droge ruimte gemaakt, waar het voedsel veilig kon worden bewaard. Hij was heel handig met planken en bladeren. De diertjes konden trots zijn op hun sterke vriend, hun leider. Op een dag hoorde hij een plons. Er was iemand in de vijver gevallen. Job sprong in het water en redde de drenkeling. Het was zijn oom die vertelde dat het beter was als Job van zijn eiland af kwam en bij oom en tante ging wonen. Hij kon zijn eekhoorntjes meenemen. Die kregen een plaats in het park, zodat hij ze elke dag kon bezoeken. En ook zei oom dat hij een nieuwe auto wilde kopen, maar nog niet wist wat voor merk het moest worden. Job mocht mee om er een uit te zoeken.

Op de eerste dag van het nieuwe schooljaar viel een druilerige regen. De kinderen van de Dupontlaan groepeerden een stoet met Marion aan het hoofd. Ze gingen allemaal naar dezelfde school, maar behoorden tot verschillende klassen. Marion ging al naar de zesde. Job naar de derde.
‘Lief zijn hoor’, zei zijn moeder.
Ze liepen over een breed trottoir dat gescheiden was van het roze fietspad door een strook aarde. Er waren bomen geplant, maar er groeide verder niks. De aarde lag in harde kluiten te glinsteren in de regen. De kinderen droegen regenjassen en laarzen. In hun tassen zaten de sloffen die in het schoolgebouw om de zolen gedaan moesten worden. Die van Job waren gemaakt van gordijnstof. Het dikke elastiek trok de neus en de hiel naar binnen zodat zijn sloffen op bootjes leken. In ieder geval paste de harde blauwe kleur bij de voorstelling die hij zich van de school had gemaakt. Hij sjokte in zijn eentje achter de groep kinderen aan. Marion liep voorop.
Toen Job een bijzonder mooie kluit aarde zag liggen, stopte hij even om hem op te rapen. Het was een stuk aarde in de vorm van een baksteen met kapotte randen, maar dan zwart. Hij voelde hard en glibberig aan. Job kneep erin. Even hield de aarde zich goed. Maar opeens verpulverde de kluit tussen zijn vingers en was hij alles kwijt. Van binnen was de aarde niet zwart, maar roodbruin en korrelig. Hij pakte nog een kluit en kneep deze ook fijn om te controleren of het daarnet toeval was geweest. En toen nog één. Ze waren allemaal korrelig roodbruin van binnen en glibberig zwart van buiten.
De stoet kinderen was een heel stuk verderop en niemand keek om. Zonder erover na te denken, stak Job het fietspad met de roze tegels over. De boulevard aan zee, waar hij met tante wandelde voordat hij op de ezel mocht rijden, had ook roze tegels gehad, maar dan kleinere die gladder waren.
Deze wijk stond vol met grijze gebouwen en hoge gevels. Job liep over de stoep. De regen drupte in zijn gezicht. Over zijn benen liepen straaltjes in zijn laarzen, waardoor zijn sokken begonnen te kleven. Er was geen mens op straat. Geen auto’s ook. Achter de ramen was het donker. Job was op de vlucht voor een stel moordenaars die vannacht hun huis waren binnengedrongen en zijn vader en moeder hadden doodgeschoten. Hij had alles gehoord en was de trap af geslopen, naar de keuken. Daar had hij een mes gepakt, uit de keukenlade, en van achteren had hij een van de moordenaars in zijn zij gestoken, nog een keer. Daarna was hij weggerend, door de tuin. De twee die nog over waren, kwamen hem achterna, maar hij stak de Botticellilaan over en rende dwars door het veld naar de grote weg. De regen had zijn sporen uitgewist. Maar ze waren op zoek. Overal konden ze opduiken.
‘Hé. Jij daar. Wacht eens even.’
Job schrok, keek om en zag een grote jongen die hem wenkte. Job rende weg. Zijn laarzen klotsten, water spatte op tegen zijn blote benen. Hij rende zo hard hij kon, maar de jongen haalde hem makkelijk in. Stevige handen grepen in zijn kleren. Job begon te gillen en sloeg lukraak in de rondte.
‘Jij bent toch Job?’ riep de jongen boven het tumult uit.
‘Ja.’ Verbaasd hield hij zich stil.
‘Je moet meekomen naar school. Ik moest jou zoeken.’
‘Geloof ik niet.’
‘Is toch zo.’
Het was een rustige jongen die al een lange broek droeg en een jas met een capuchon had. Geen laarzen. Gewone schoenen. Naast elkaar liepen ze terug naar de Laurierweg, waar de school stond die hij eerder in de auto met zijn vader was gepasseerd. Voor alle zekerheid hield de jongen Job bij zijn arm vast. Ze moesten over het schoolplein naar de grote voordeur boven een soort stenen trap. Achter de ramen zaten een heleboel kinderen die elkaar aanstootten en naar buiten wezen. De deur was dicht, maar de jongen deed hem gewoon open. De grote hal rook naar nat potloodslijpsel. De kapstokken die in keurige rijen aan de muur waren bevestigd, hingen vol druipende jassen. De jongen zocht een vrije haak voor de jas van Job.
‘Nou, houdoe’, zei hij. ‘Niet meer weglopen.’ De jongen ging de brede trap op en was al halverwege toen Job zag dat onder de trap een grote kooi was gebouwd, waar kwartels en krielkippen in scharrelden. Er waren hokjes met stro en overal lagen kleine veertjes. Kwartels waren bijna zwart.
‘Waarom doe je nou zoiets?’ vroeg zijn moeder, die tot zijn stomme verbazing op school was. ‘Het is maar goed dat je vader hier niets van weet. Ik was doodongerust. Waar ben je geweest?’ Ze stelde vragen maar wachtte niet op de antwoorden. Hij kreeg droge sokken die ze in de kamer van de hoofdmeester had gekregen. ‘Nu breng ik je naar je klas. Je hebt een aardige juf. Ze heet juf Nelleke.’
‘Ik wil niet,’ zei Job.
‘Nou moet je eens goed luisteren’, zei zijn moeder, die ineens net zo klonk als zijn vader. ‘Alle kinderen moeten naar school. Jij ook. Je moest je schamen.’
Hij liet zich meetrekken naar een rode deur. Zijn moeder klopte aan. Er viel direct een stilte achter de deur. De deur ging open. Job hield zijn hoofd gebogen en voelde zich zwaar, loodzwaar. Hij zag een lange broek, een donkerblauwe, met wijde pijpen.
‘Zo, daar is Job eindelijk. Kom maar gauw binnen hoor. We hebben een plaatsje voor je vrijgehouden.’
Job gluurde de klas in. Alle kinderen keken naar hem.
‘Daag. Ga maar met de juf mee.’ Zijn moeder gaf hem een zetje.
‘Nee!’ Job schreeuwde. Hij begon machteloos te hikken van een plotseling oplaaiende, alles verzengende hitte en draaide zich nog aan de hand van zijn moeder om en gaf haar een vuistslag in haar buik.
‘En nou is het afgelopen’, siste ze en ze gaf hem een draai om zijn oren. Dat had ze nog nooit gedaan. Zijn vader wel, maar nu ook zijn moeder. De juf zette hem in de hoek, met zijn rug naar de klas. Tot het speelkwartier begon, moest hij zo blijven staan, op zijn nieuwe sloffen. Hij kneep zijn handen tot vuisten en zijn lichaam bonkte omdat hij niet wilde huilen.
Eindelijk was het zover. Joelend renden de kinderen het lokaal uit. De juf nam Job even apart om met hem te praten. Ze wilde zijn gezicht afvegen, maar hij trok zijn hoofd weg. Ze liet hem gaan.
In de hal waren de kapstokken nu leeg. Chroom glinsterde. De enige jas die er nog hing, was die van Job. De kinderen die hij kende van de Dupontlaan waren nergens te bekennen. Buiten kreeg hij een duw van iemand die achterna werd gezeten. Job liep om een boog touw heen, week uit voor ruzie makende zesdeklassers en stond op straat. Niemand keek naar hem. Hij sloeg een hoek om en was de school kwijt.
De straten en de bomen waren nog nat, maar in de goten stond het water stil. Job dacht eraan zich in een vrachtwagen te verstoppen. Om aan eten te komen, zou hij een kruidenier overvallen. Dat bracht hem op een idee. Als hij door de politie gepakt zou worden, ging hij naar de gevangenis en daar zouden ze hem met rust laten.
Hij liep in een onbekende buurt, waar vriendelijke huizen stonden met motieven van gele en rode stenen in de gevels. Elk huis had een kleine voortuin. Hij passeerde een raam zonder vitrage. Achter de planten zaten drie moeders met elkaar te praten en toen ze hem zagen, veerden ze op uit hun stoelen. Job kreeg het warm. Waar moest hij zich verstoppen?
Opeens wist hij het. In de verte zag hij een drukke weg met veel auto’s. Daar moest de zwarte laan met het rood-wit geblokte bord zijn. Even later had hij ook het braakliggende veld teruggevonden. Achter de struiken met hun natte, dorre takken, tussen de boterbloemen en bij de losse heuveltjes verdween hij uit het zicht. Zonder te fantaseren over indianen of struikrovers sloop hij door het terrein. Ditmaal was het echt. Helemaal vanzelf kwam hij uit bij het hol. Hij kroop erin en ging zitten op de warme, vochtige aarde.
Nu kon hij op zijn gemak iets goeds bedenken. Hij deed zijn ogen dicht en keek in zijn hoofd. Wat kwam het eerst? De eekhoorntjes weer. En de nieuwe auto van oom. Nee. Hij ging naar zee. Niet naar het strand. Naar een schip. Verstekeling worden. Dan verstopte hij zich aan boord van een groot zeeschip met een brug van drie verdiepingen en met kranen om te laden en te lossen. Het was een wit schip en de schoorstenen waren van koper. Om niet gevonden te worden, kroop Job in een reddingsboot, onder een zeil. Aan de zijkant van de sloep hing een zacht, bruin touw in lussen.
Na twee dagen kwam Job midden op zee aan dek tevoorschijn. Eerst zag niemand hem omdat alle matrozen hard aan het werk waren, maar toen werd hij ontdekt door een grote man met rood haar.
‘Wat heb ik nou aan mijn broekspijp hangen?’ riep hij. ‘Wat doe jij hier ventje?’
‘Ik wil varen op zee’, zei Job.
De kapitein kwam eraan en was heel boos. Hij droeg een blauw uniform, net als zijn vader, maar met een witte pet. Job vertelde hem waarom hij naar zee wilde. ‘Omdat ik niet meer met Theo mag spelen. Omdat er zwarte kwartels zijn op school. Omdat mijn vader denkt dat ik vliegangst heb. En omdat ik op een ezel heb gereden aan het strand.’
De mannen lachten. Maar de kapitein niet. Hij wilde Job in de boeien laten slaan. Toen kwam de roodharige matroos naar voren.
‘Stop!’ riep hij. Hij was lang en had brede schouders en hij ging voor Job staan, tussen hem en de kapitein. ‘Laat hem maar aan mij over. Ik zal een zeeman van hem maken.’
De kapitein deed zijn pet af en krabde op zijn hoofd, tussen grijze en zwarte haren. ‘Goed dan’, zei hij. ‘Maar denk erom kereltje, op zee wordt hard gewerkt.’
‘Ik ben zijn zeevader’, bulderde de Rooie over het dek en hij keerde zich naar de bemanning van het schip. ‘Wee jullie gebeente als hem iets overkomt!’
Job werd wakker van het noodweer dat donderde in zijn oren. Er stroomde water door het plafond van aarde. Hij lag in een modderpoel. Samen met het water vielen stukken grond naar beneden en toen was er geen verschil meer tussen gesloten en geopende ogen. Zijn lichaam bibberde. Hij klemde zijn kiezen op elkaar. Het rook naar natte aarde en naar een vuilnisemmer. Toen er een klompje aarde in zijn oog viel, begon hij te gillen, maar er kwam alleen maar knarsend zand in zijn mond. Hij stootte zijn hoofd tegen aarde. Hij voelde met een hand en merkte dat het los was. Hij duwde het weg, maar dat ging heel zwaar. Door zijn knieën op te trekken, kreeg hij wat ruimte. Nu duwde hij met twee handen en strekte tegelijk zijn rug. Ademhalen ging niet meer. Hij kreeg pijn in zijn longen. Zijn rug schoof langs de onderkant van de heuvel. Zijn handen waren tot over zijn polsen in de aarde verdwenen. Voorzichtig haalde hij ze terug. Niet ademen. Niet ademen. Nog een keer proberen. Het lukte want hij kon zich een beetje strekken, achter zijn handen aan, zijn handen die de aarde naar buiten drukten. Onverwachts schoot Job voorover en hij lag languit gestrekt op zijn buik, met zijn hoofd, armen en schouders in de buitenlucht. Gulzig hapte hij naar lucht. Gierend pompten zijn longen het leven terug in zijn lijf. Een knetterende bliksemflits verlichtte de drijfnatte omgeving. Hij zat muurvast. Als hij niet te diep inademde, deed het geen pijn.

Schijnwerpers in de regen onthulden het deel van Job dat uit de zwarte aarde stak. Ter hoogte van zijn hoofd trapten zijn vader en moeder de boel plat. Politiemannen trokken aan zijn schouders. Job was bang als een worm in tweeën te worden gescheurd.

©Jan Kloeze

Lees ook De Steenlift of De Kindertekening