Het boek Job

Met Het boek Job heb ik een poging gedaan het boek van de toekomst te schrijven. De roman is interactief opgezet en kan online in willekeurige volgorde worden gelezen. Het boek Job is een coming-of-age-verhaal in 22 fragmenten, sommige lang en andere kort. Elk fragment is een potentieel begin. Elke keuze voor een volgend hoofdstuk beïnvloedt het beeld dat de lezer zich uiteindelijk van Job vormt. Zo krijgt iedere verhaalversie zijn eigen dynamiek. Er zijn in theorie erg veel versies mogelijk. Ik heb niettemin door het gebruik van verbonden thema's en motieven voor samenhang gezorgd. Lezers die hun ervaringen delen zullen hun interpretatie herkennen zoals bomen op elkaar lijken zonder elkaars spiegelbeeld te zijn.

Vliegangst

Oom en tante reden met Job in de Renault Dauphine naar motel de Witte Paarden. Hij kreeg sinas en een taartje. Samen wachtten ze aan een tafeltje bij het raam met uitzicht op de klapdeuren bij de ingang.
‘Dat is pappa. Kijk. Ga maar naar hem toe,’ zei tante en ze probeerde tegelijkertijd zijn vaders aandacht te trekken.

Job liep zijn vader tegemoet.
‘Zo kerel.’
‘Waar is mama?’
‘Mama is thuisgebleven.’
‘Waarom?’
Zoals altijd nam zijn vader grote stappen. Hij was al bij het raam. ‘Een goedemiddag meneer en mevrouw Horst,’ zei hij.
Job vond het altijd vreemd dat oom en tante door zijn ouders met meneer en mevrouw werden aangesproken, ook toen ze nog buren waren in de flat. Vooral tante was al oud. Daar kwam het door.
‘Uw vrouw is niet meegekomen?’ vroeg ze.
‘Ach, u weet hoe dat gaat. Ze is druk bezig met de gordijnen. U krijgt de hartelijke groeten.’
‘Bevalt het huis?’ vroeg oom.
‘Voortreffelijk. We hebben zelfs een extra stuk tuin omdat het een hoekhuis is. Boven drie slaapkamers en een douche, plus een grote vliering.’
‘Houdt u van tuinieren?’ vroeg tante.
‘Als afscheiding heb ik coniferen geplaatst en naast de voordeur staat een kleine berk. Maar verder moet er nog veel gebeuren.’
Job had zijn hele leven in de flat gewoond. Nu woont hij dus in een hoekhuis? Maar wat waren coniferen? En wat betekende vliering?

‘Zit nou toch eens stil.’
‘Ja maar ik tel alle Dauphines die we tegenkomen.’
‘Daarom hoef je nog niet zo te draaien.’
‘Auto’s langs de kant tellen ook mee.’
‘Stilzitten. Denk erom.’
In de stoel naast zijn vader zakte Job wat onderuit. Hij nam nog een hap van de boterham die tante voor hem had gemaakt. Voor de lunch, had ze gezegd. Lunchen was een woord dat tante gebruikte. ‘Hoe lang is het nog?’ vroeg hij.
‘Niet met volle mond praten.’
Job keek naar zijn vader. Zijn vader spande de spieren van zijn kaken, met zijn lippen op elkaar. Dat deed hij als hij boos was.
‘Je vraagt naar de bekende weg. We wonen nog steeds in dezelfde stad.’
‘Wonen we, waar we nu wonen, aan een asfaltweg of een gewone.’
‘De Dupontlaan is een straat met klinkers.’
De voorkant van de flat grensde aan een verkeersweg met stoplichten. In bed luisterde Job vaak naar de auto’s die optrokken als het groen werd. Aan het geluid van de motor kon hij het merk herkennen. Achter de flat lag een grasveld met dichte struiken die ’s zomers vol lieveheersbeestjes zaten. Er was ook een zandbak, een diepe, want na het witte zand konden ze doorgraven tot in de vochtige, zwarte grond. Hij speelde daar vaak tikkertje met de jongens die op de begane grond woonden. Ze mochten niet buiten de zandbak komen. Behalve op de rand. Hij was er goed in, maakte veel schijnbewegingen. Maar op een keer viel hij in een kuil die ze langs de zijkant hadden gegraven. Zijn bovenlip scheurde op de grijze, betonnen rand. Er groeide een dikke korst op, vlak onder zijn neusgaten, een zachte, zwerende korst die later hard en bruin werd. Hij proefde zijn snottebellen eerder dan dat hij ze voelde. In de buurt noemden ze hem een waaghals.
‘Hier ga je na de vakantie naar school. Dit is de Laurierweg.’
Job keek opzij en ving een glimp op van het schoolplein met gekleurde tegels en een schuurtje als fietsenstalling.
Ze reden even later op een brede asfaltweg met putdeksels in het midden. Links ging de weg zomaar over in een braakliggend veld en rechts stonden splinternieuwe huizen aan het trottoir, de gevels versierd met lichtblauwe platen.
‘Wonen we hier?’ vroeg Job.
‘Ik heb toch… Wat is dit voor weg?’
‘Weet ik niet.’
‘Ik heb toch gezegd dat we aan een straat met klinkers wonen.’
‘Niet aan gedacht.’
‘Niet aan gedacht’, bauwde zijn vader hem na.
Verderop stond een rood-wit geblokt bord. Kort daarvoor sloeg de auto rechtsaf en daarna draaide hij naar links. Deze straat liep evenwijdig aan de asfaltweg, maar was veel korter. Halverwege parkeerde zijn vader de auto bij een huis dat van iedereen had kunnen zijn. Ze liepen eerst over de stoep en toen over het tegelpad door de voortuin naar de deur. Job kon zijn vader niet bijhouden. Hij moest een beetje rennen.
‘Zijn dat coniferen?’ Job wees op boompjes die aan de grens met het trottoir en de steeg stonden.
‘Daar mag je beslist niet aankomen. Denk erom.’
In de hal herkende Job de kapstok en de jassen die eraan hingen. Hij zag een trap. Op de treden zaten zwarte ribbels. Zijn moeder kwam de trap af. Ze knielde en drukte hem tegen zich aan, terwijl ze allerlei dingen zei. Het was wel prettig, maar duurde nogal lang. Daarna begroette ze zijn vader met een kusje.
Tot Jobs verbazing kwam een meisje de trap af. Ze was misschien wel tien of elf en ze had een naar vorenstaande mond. Om haar benen fladderde een rokje. Marion heette ze en ze werd door zijn moeder naar buiten gestuurd om de andere kinderen op te halen.
Job ging mee naar de kamer. Aan de straatkant stond het stoffen bankstel. Het bruine wandmeubel hing ook hier aan de muur. Boven de tafel zweefde een nieuwe lamp, die er oud uitzag met gewichten aan een kettinkje en een dofwitte kap.
‘Waar zijn mijn autootjes? En mijn knikkers? En mijn holster, waar is die?’
‘Jouw dingen liggen allemaal boven op je kamer.’
Er werd op de ruit getikt. Marion stond voor het raam, in de achtertuin. Ze wenkte.
‘Daar zijn je nieuwe vriendjes,’ zei zijn moeder opgewekt. ‘Er zijn een heleboel leuke kinderen in de buurt.’ Ze nam Job mee door de keuken naar het platje achter het huis. Daar stond Marion aan het hoofd van een stuk of acht kinderen die door haar van groot naar klein waren gerangschikt en hem aankeken met stille gelaten. De kinderen moesten zich voorstellen.
‘Ga maar fijn spelen’, zei zijn moeder. ‘Om half zes eten we.’ Ze aaide door zijn haren en ging naar binnen.
Job bleef aan zijn kant van de lage rij coniferen staan.
‘We gaan een spelletje doen en jij mag het zeggen’, zei Marion.
De anderen liepen de steeg uit. Marion stapte op hun plaatsje en trok Job mee. Ze kwamen uit op de stoep voor het huis in de straat waar zijn vaders auto was geparkeerd. Hier was het zonniger, maar toch had Job het koud.
‘Als je niks zegt, dan zeg ik wat we gaan doen hoor... Goed, we doen verstoppertje. Ik ben ‘m. Deze lantaarnpaal is de buut.’
Ze leunde met haar arm voor haar ogen tegen de zilveren paal en telde hardop. De anderen stoven uiteen. Job keek om zich heen. De straat was helder en licht. Hij zag één van de kinderen achter een Ford Taunus 12M hurken. Er stond ook een Simca 1100. Job draaide zich om en ging de steeg weer in. Hij liep langs de dennenboompjes van zijn vader, rende verderop tussen schuttingen door, kwam uit op de asfaltweg en sloeg zonder aarzelen af naar rechts. Hij rende nu op topsnelheid voorbij het rood-wit geblokte bord, waar de weg ophield en alles ineens bultig en zanderig werd.
Vanuit zijn schuilplaats kon hij de lange weg in zijn geheel zien. Ernaast strekte het braakliggende terrein zich uit. Daar stonden hoge planten met donkergele bloemen. Overal groeiden planten met bruine takken, ook op de plek waar Job zich verborg.
Marion kwam de steeg uit en keek speurend naar alle kanten. Hij dook weg. Langzaam kwam ze dichterbij. Als ze hem ontdekte, was hij erbij. Hard wegrennen. Maar waar naartoe? Bij de flats had je altijd nog het doolhof van betonnen kelders, waar het stoffig was en schemerig. Daar zaten enge mannen. Maar je kon je er goed verstoppen. In een hoek, bij een kaal peertje, had hij wel eens met een vriendje staan plassen. Marion was nu zo dicht bij dat hij zich verbeeldde haar te horen ademen.
Het duurde een eeuwigheid voordat ze weg was en Job durfde op te staan om het veld te gaan verkennen. Hij vond een stok die hij probeerde als geweer, maar daarvoor was de tak te dun. Je kon hem over je schouder naar achteren steken en net doen alsof er een bundeltje aan hing. Daar was een heuvel die hij voorzichtig moest beklimmen, want misschien zat er aan de andere kant een wachtpost. Of, dat zou heel goed kunnen, waren indianen op wilde dieren aan het jagen. Hij kroop op handen en voeten omhoog en sleepte zijn stok mee tussen klavervelden en lange bladeren van plantjes die hij kende als konijnenvoer. Geen prikkels of distels. Wel zoemende hommels. Bovenop de heuvel groeide een grote varen met donkergroene vingerbladeren, waar hij zich achter verschuilde. Want hij kende hier niemand en wist ook niet waar hij was. Voorzichtig stak hij zijn hoofd op. Hij keek neer op een vallei. De hellingen waren begroeid met boterbloemen en madeliefjes. Een zwart bestippelde pluis duikelde door de lucht, zonk in de vallei, haakte achter een graspluim en kwam weer los. Vlinders wapperden vlak boven de grond.
In het dal was hij onzichtbaar geworden. Aan alle kanten onttrokken de heuvels hem aan het zicht. Er was schaduw en zon. Hij vlijde zich neer in het licht en omhoogkijkend zag hij het wazige begin van schapenwolkjes. Toen hij jeuk kreeg, ging hij rechtop zitten. Droomde hij of was daar in de schaduw werkelijk een grot? Ja, dat was beslist een berenhol. Op slag werd hij jager. Zijn vader was ergens ver weg oorlog aan het voeren. Dus moest hij ervoor zorgen dat zijn moeder genoeg te eten had. Met zijn stok geheven ging hij erop af. Hij kon geen sporen ontdekken, maar er was wel degelijk een rond gat en ernaast lag het zand dat uitgegraven was op een hoop.
Job stak zijn hoofd in het gat. Er was geen gang. Het hol was niet naar onderen gegraven, maar naar voren. Het was een hap uit de heuvel met een smalle, ronde ingang. Hij kroop erin. Het was donker, toch kon hij nog genoeg zien. Twee kinderen zouden naast elkaar kunnen zitten. Staan ging niet. De grond was stevig aangestampt, net als de muren en het plafond. De vochtige warmte in het hol verbaasde hem. Hij had de neiging zich lekker op te rollen. Maar het was vast al half zes.

Aan tafel kreeg hij geen hap door zijn keel.
Zijn vader: ‘Je gedraagt je als een vervelend, verwend joch.’
Zijn moeder: ‘Waarom wilde je nou toch geen verstoppertje spelen met de andere kinderen?’
Zijn vader: ‘Je weet dat je op tijd thuis moet zijn!’
Zijn moeder: ‘Marion heeft de hele middag naar je gezocht. Ze was zo ongerust.’
Toen het ergste achter de rug leek, moest Job de sigaretten van zijn ouders uit de woonkamer halen. Bij het wandmeubel bleef hij staan omdat hij hoorde dat zijn vader in de keuken begon te praten: ‘Tijdens de opleiding in Texas kwam er eens iemand terug van zijn eerste solovlucht. Hij stapte uit zijn kist en verstopte zich in een hangar op het vliegveld. Uren gezocht. Niemand kon hem vinden. Hij had vliegangst. Is onmiddellijk de dienst uitgeschopt.’

Op zijn tweede dag aan de Dupontlaan werd Job vroeg wakker. Nooit naast het bed gaan staan, dus stapte hij aan het voeteneind op de grond. Hij deed de gordijnen op een kier. Het was klaarlicht. De zon scheen van opzij de kamer in.
‘Ik ga buiten spelen’, riep hij door de deur van de slaapkamer waar zijn ouders nog in bed moesten liggen. Voordat er antwoord kwam, was hij al beneden.
Er waren slechte woorden zoals vliering en verwend. Goede woorden hadden een gele kleur. De slechte woorden waren donker. Hoekhuis, vliegangst en vader vormden een duister mozaïek. Tante, dauphine en flat gaven licht. Er waren ook woorden die er tussenin hingen, die de ene keer somber stemden en de andere keer blij maakten; moeder was zo’n woord en waaghals ook. Woorden die warm waren als bloed maar even zo goed konden stollen tot zwarte korsten.
Buiten hing iets in de lucht, iets dat een vage geur verspreidde, dat warm was en zich in hem nestelde, ergens ter hoogte van zijn buik. De aarde in de voortuin was onder het sprieterige gras vochtig van de dauw. Een Deux Chevaux, de Taunus en ook de andere auto’s glinsterden in de zon. Op het grasveld aan de overkant van de weg lag een verlaten voetbal. Job liep naar het eind van de straat, waar een kleine rotonde was aangelegd en een hek stond. Naast het hek begon een weg, voor auto’s afgesloten met betonnen paaltjes. Het was een breed pad, bedekt met kolengruis en sintels, een eigen weg volgens het blauwe bordje.
Gefladder in de lucht, vlakbij. Hij keek hoger en zag een houten molen die een eindje boven een tuinschutting uitstak, het leek een zelfgebouwde molen, zonder wieken, met kleine, uitgezaagde poorten. Zachtjes koerend verscheen de ene duif na de andere. De duiventil was lichtblauw en wit. Er stond een jongen op de brede omgang. De jongen boog over de reling en keek naar beneden, recht in de ogen van Job. ‘Wacht effe!’ riep hij.
Boven het hoofd van Job maakten de duiven een fladderende cirkel, waarna ze in de verte verdwenen. De duivenjongen was naar beneden gekomen en omgelopen, Hij holde over het sintelpad op Job af. Zijn voeten maakten afdrukken in het gruis. Onwillekeurig keek Job snel achterom. De straat achter hem was rustig en helder.
‘Ik ben Theo. Wie ben jij?’
‘Job.’
Ze keken elkaar aan. Ze waren even groot en droegen allebei een korte broek. Theo had vieze handen met veel korstjes erop en zijn mond had losse lippen die flink bewogen als hij sprak.
‘Ik ben negen. En jij?’
‘Acht’, moest Job toegeven. ‘Bijna negen.’
‘Jullie huis was vroeger een weiland. Daar liepen de koeien van Van Schaijk. En bij die garages daar gingen we altijd bramen plukken.’
Job keek naar het plein naast de huizenblokken, waar de garages in een vierkant waren neergezet, met deuren die omhoog oprolden. Hij vroeg zich af of zijn vader ook een garage had.
‘Vorig jaar hebben ze hier de hele boel onder gespoten. Blubber. Hopen blubber hebben ze erop gespoten. Zwarte smurrie. Stinken jongen.’
Job bekeek de keurige huizen, de rode bakstenen, de blauwe gevelborden en de auto’s die her en der in de ochtendzon gloeiden.
‘Eerst ging ik naar zee’, zei Job. ‘Daar was een pier, wel zo lang als een kilometer.’
‘Thééééjóóóóó!!’
Job schrok zich kapot, zo hard werd er geroepen en zo dichtbij. Theo’s moeder stond op de duiventil met haar handen aan haar mond, kijkend in de verte. Ze was een kleine, dikke vrouw met een schort voor. Ze haalde diep adem om nog een keer te roepen.
‘Hier ben ik mam.’
Waar de jongens stonden, konden ze haar horen uitzuchten. Snuivend zei ze dat Theo moest komen ontbijten.
Theo rende over de eigen weg. ‘Kom op’, riep hij. Job ging achter hem aan. Misschien was hij wel de eerste jongen van de nieuwe buurt die over dit pad durfde te hollen.

Hij kreeg hetzelfde als Theo. Een dubbele boterham met roggebrood en kaas ertussen. Theo schonk zichzelf een beker karnemelk in. Dat moest Job ook doen, gebaarde hij. Job schonk zijn beker niet al te vol.
‘Smaakt het?’
‘Heerlijk mevrouw.’
‘Wat ga je vandaag doen, Theo?’
‘Naar de kikkervisjesplas.’
Theo dronk zijn beker leeg, lurkend met grote teugen en zette de beker naar adem happend op het stenen aanrecht. Gulzig drinken, dat was Job streng verboden.
‘Kom op’, zei Theo weer en hij gebaarde naar Job. Tegen zijn moeder: ‘Houdoe.’
‘Houdoe,’ zei Job met gloeiende wangen.
Naast elkaar liepen ze over het sintelpad. Theo met zijn fiets aan de hand. Ze kwamen langs de ingang van een vrachtwagenbedrijf. Een blonde herdershond lag in de oprit, achter het hek. Twee meisjes speelden met een schommel. Ze staken een hand op toen Theo naar ze riep.
Job haalde zijn fiets uit de schuur. Zijn moeder stond in haar peignoir achter het huis, een roze met allemaal schubjes.
‘Ik heb al ontbeten. Bij Theo’, zei Job.
‘Theo. Wie is dat?’
‘Mijn nieuwe vriendje.’
‘Wat gaan jullie doen?’
‘Eindje fietsen. Houdoe.’

Het prettige gevoel in zijn buik kwam razendsnel terug toen ze naast elkaar over de asfaltweg reden. Bij een grote kruising sloeg Theo rechtsaf.
‘Waar gaan we heen?’ vroeg Job.
‘Ginds wijd’, zei Theo.
Die woorden klonken niet slecht.
Ze fietsten door een gebied waar half afgebouwde huizen achter hekken stonden, samen met hoge kranen en grote, gestapelde voorraden van stenen en hout. De wind schoof met zandflarden over het asfalt. Via een onverharde weg kwamen ze even later uit in een straat die al bijna klaar was. In plaats van lantaarnpalen kwamen er dikke kabels uit de grond en de tuinen waren wit uitgeslagen van het cement en steengruis. Halverwege deze straat fietste Theo over een brede oprit tussen twee huizen door. Daar hield de stad ineens op.
Ze plaatsten hun fietsen tegen een schuurtje. De bodem liep schuin af naar een weiland, waar het dikke gras vlak boven de grond nog nat was. Omringd door zandbulten en uitmondend in een grote sloot lag daar de kikkerplas. Riet bewoog zacht in de wind. Het donkere water ribbelde in kleine golfjes, behalve waar waterplanten met hun dikke platte bladeren en witte bloemen het oppervlak hadden overgenomen. Theo liep recht op een uitloper van het vennetje af en ging met zijn rug tegen het opgeworpen zand zitten.
‘Hier kan niemand ons zien’, zei hij.
Job keek naar het water dat ondiep was. De bodem was van een heel bijzondere kleur geel. Er zaten putjes in en golfjes op en de bodem glooide naar de diepte verderop. Het krioelde er van de kikkervisjes die door hun zwarte kleur het zand onder water nog geler maakten.
Met hun ogen knipperend tegen de zon zaten ze te praten. Theo’s vader was vrachtwagenchauffeur en werkte bij de buurman. Van ’s morgens zeven tot ’s avonds zes was zijn vader aan het rijden. Het was een DAF, met een hoge cabine en zacht verende stoelen. Nu het vakantie was, mocht Theo vaak mee.
‘Mijn vader is piloot’, zei Job. ‘Hij kan alles in de gaten houden van bovenaf.’
Theo was nauwelijks geïmponeerd.
‘Als ik moet vechten, komt mijn vader me misschien wel helpen met de hele luchtmacht want hij is al bijna officier.’
‘Ja?’ zei Theo nadenkend. ‘Als jij klop krijgt op de grond, heb je mooi niks aan al die vliegtuigen in de lucht.’
Ze spraken ook over de duiven. Theo’s vader liet ze wedstrijden vliegen, samen met de buren die ook met hun hoge schuttingen grensden aan de nieuwbouw. Daarna leerde Theo aan Job hoe hij kikkervisjes moest vangen. Het was helemaal niet moeilijk. Job deed ze in de emmer die Theo aan het stuur had meegenomen. Sommige dikkopjes hadden voorpootjes die uit hun dikke lijfjes groeiden. Andere hadden voor- én achterpootjes én een wuivende staart. Een enkeling was zijn staart al kwijt en bewoog zich voort als een kikker, met bolle oogjes boven op zijn kop. Job ging overal kijken hoeveel verschillende visjes hij kon vinden en in het gras sprongen piepkleine kikkers onder zijn voeten vandaan.

Eindelijk was het zaterdag geworden. De hele week was Theo met zijn vader meegegaan in de vrachtauto en had Job alleen af en toe ’s avonds wat met hem kunnen spelen. Maar nu gingen ze weer naar de kikkerplas. Onderweg was aan de huizen niets veranderd. De hijskranen leken er ook nog net zo bij te staan. Het losse zand dwarrelde weer over de brede laan. Anders dan vorige week was het nu bewolkt. En de wit uitgeslagen, op beton lijkende grond van de tuinen in de straat die bijna klaar was, werd bedekt door een dikke grasmat. Eén huis had vitrage voor de ramen en planten op de vensterbank. Volgens Theo was het een modelwoning. Bij de schuur, waar ze hun fietsen neer wilden zetten, lag nog een enkele opgerolde graszode met een zwarte, vochtige onderkant van aarde. Van dichtbij ontdekten ze een paar wormen die met de helft van hun wriemelende lijven uit de aarde staken. Theo bukte en trok er één uit. Hij liet de worm wild in zijn handpalm kringelen.
Job wilde hem nadoen en greep ook een wormenlijf, maar geruisloos scheurde het dier doormidden en de beide helften kronkelden als een gek. Geschrokken liet Job zijn stuk op de grond vallen. Het andere deel schoot terug in de aarde. ‘Daar kunnen ze tegen’, zei Theo.
Toen ze weer op dezelfde plek zaten, aan het heldere water met de lichtgevende bodem, in de beschutting van het kleine duin en in de peilloze aanwezigheid van de plas, kwam Job ermee voor de draad.
‘Ik mag geen vriendje meer zijn met jou.’
Het was omdat de moeder van Theo bijna elke avond op de duiventil verscheen om haar zoon te roepen. Dan schalde haar stem over de Dupontlaan en weerkaatsten haar kreten tegen de vrolijk gekleurde gevels van de nieuwe huizen. Eén of twee keer, toen het lang duurde voordat Theo tevoorschijn kwam, had ze ook Job geroepen, net op het moment dat Jobs vader thuis was gekomen en de voordeur van hun huis openmaakte.
Aan tafel had Job voor de zoveelste keer honderduit over de kikkervisjes gepraat. ‘Zaterdag gaan we weer. Mag ik dan ook een emmer meenemen?’
‘Niks emmer. Je gaat niet meer met die Theo om’, had zijn vader gezegd. ‘Die komt uit de achterbuurt.’
Soms vergat Job dat hij met volle mond praatte of een deur niet achter zich sloot. Dan kreeg hij straf, net als wanneer hij thuiskwam als de klok weer eens te hard had gelopen. Maar nu had hij niks gedaan. ‘Ik heb niks gedaan!’ Omdat hij stond te schreeuwen en te janken, had zijn vader hem een pak slaag gegeven. En de volgende dag toen Job er toch weer over was begonnen en opnieuw boos was geworden, kreeg hij nog een keer slaag. Eigenlijk moest Job nu alweer huilen, maar dat was kinderachtig.
Boven het water van de kikkerplas dansten gewichtsloze muggen. Theo speelde met een handvol zand dat hij steeds over liet lopen in zijn andere hand totdat alles weer op de grond lag. Hij keek naar de lucht. Daarna zei hij: ‘Dan ga je maandag dus ook niet mee op de vrachtwagen. Van mijn vader mocht het.’

Job was de leider van een geheime club. De leden waren geen jongens of meisjes, maar eekhoorntjes. Ze zaten in een groot bos. Midden in dat bos was een diepe vijver. Op het eiland groeiden alle planten en dieren met plezier. Daardoor waren er de mooiste kleuren en het waren warme, gele kleuren van jonge bladeren, van hoge staarten en van de zon die de hele dag scheen. Job woonde daar alleen. Eekhoorntjes verzamelden voor hem zijn eten. Tijdens de maaltijd zaten ze in een kring om hem heen. Op hun achterpoten. Hij kon ze duidelijk zien knabbelen. Met planken en bladeren had hij een droge ruimte gemaakt, waar het voedsel veilig kon worden bewaard. Hij was heel handig met planken en bladeren. De diertjes konden trots zijn op hun sterke vriend. Op een dag hoorde hij een plons. Er was iemand in de vijver gevallen. Job sprong in het water en redde de drenkeling. Het was oom die vertelde dat Job van zijn vader en moeder heel lang bij oom en tante mocht logeren. Hij kon zijn eekhoorntjes meenemen. Die kregen een plaats in het park, zodat hij ze elke dag kon bezoeken. En ook zei oom dat hij een nieuwe auto wilde kopen, maar nog niet wist wat voor merk het moest worden. Job mocht mee om er een uit te zoeken.

Op de eerste dag van het nieuwe schooljaar viel een druilerige regen. De kinderen van de Dupontlaan groepeerden een stoet met Marion aan het hoofd. Ze gingen allemaal naar dezelfde school, maar zaten in verschillende klassen. Marion ging al naar de zesde.
‘Lief zijn hoor’, zei zijn moeder.
Ze liepen over een breed trottoir dat gescheiden was van het roze fietspad door een strook aarde. Er waren bomen geplant, maar er groeide verder niks. De aarde lag in harde kluiten te glinsteren in de regen. Iedereen droeg regenjassen en laarzen. In hun tassen zaten de sloffen die in het schoolgebouw om de zolen gedaan moesten worden. Die van Job waren gemaakt van gordijnstof. Het dikke elastiek trok de neus en de hiel naar binnen zodat zijn sloffen op bootjes leken. In ieder geval paste de harde blauwe kleur bij de voorstelling die hij zich van de school had gemaakt. Hij sjokte in zijn eentje achter de groep kinderen aan.
Toen Job een bijzonder mooie kluit aarde zag liggen, stopte hij even om hem op te rapen. Het was een stuk aarde in de vorm van een baksteen met kapotte randen, maar dan zwart. Hij voelde hard en glibberig aan. Job kneep erin. Even hield de aarde zich goed. Maar opeens verpulverde de kluit tussen zijn vingers. Van binnen was de aarde niet zwart, maar roodbruin en korrelig. Hij pakte nog een kluit en kneep deze ook fijn om te controleren of het daarnet toeval was geweest. En toen nog één. Ze waren allemaal korrelig roodbruin van binnen en glibberig zwart van buiten. Hij vroeg zich af of hij iets had ontdekt en wilde het aan de andere kinderen laten zien. Maar de stoet kinderen was al een heel stuk verderop en niemand keek om. Zonder erover na te denken, stak Job het fietspad met de roze tegels over. De boulevard aan zee, waar hij met tante wandelde, had ook roze tegels gehad, maar dan kleinere.
De wijk stond vol met grijze gebouwen en hoge gevels. Job liep over de stoep. De regen drupte in zijn gezicht. Over zijn benen liepen straaltjes in zijn laarzen, waardoor zijn sokken begonnen te kleven. Er was geen mens op straat. Geen auto’s ook. Achter de ramen was het donker. Job was op de vlucht voor een stel moordenaars die vannacht hun huis waren binnengedrongen en zijn vader en moeder hadden doodgeschoten. Hij had alles gehoord en was de trap af geslopen, naar de keuken. Daar had hij een mes gepakt, uit de keukenlade, en van achteren had hij een van de moordenaars in zijn zij gestoken, nog een keer. Daarna was hij weggerend, door de tuin. De twee die nog over waren, kwamen hem achterna, maar hij stak de weg over en rende dwars door het veld. De regen had zijn sporen uitgewist. Maar ze waren op zoek. Overal konden ze opduiken.
‘Hé. Wacht eens even.’
Job schrok, keek om en zag Marion die hem wenkte. Job rende weg. Zijn laarzen klotsten, water spatte op tegen zijn blote benen. Hij rende zo hard hij kon, maar ze haalde hem makkelijk in. Haar handen grepen in zijn kleren. Job begon te gillen en sloeg lukraak in de rondte.
‘De school is allang begonnen’, riep Marion. ‘Ik moest jou zoeken.’
‘Geloof ik niet.’
‘Is toch zo.’
Naast elkaar liepen ze terug naar de weg waar de school stond die hij eerder in de auto met zijn vader was gepasseerd. Voor alle zekerheid hield Marion Job bij zijn arm vast. Ze moesten over het schoolplein naar de grote voordeur boven een soort stenen trap. Achter de ramen zaten een heleboel kinderen die elkaar aanstootten en naar buiten wezen. De deur was dicht, maar Marion deed hem gewoon open. De grote hal rook naar nat potloodslijpsel. De kapstokken die in keurige rijen aan de muur waren bevestigd, hingen vol druipende jassen. Marion zocht een vrije haak voor de jas van Job.
‘Nou, dag’, zei ze. ‘Niet meer weglopen.’ Ze ging de brede trap op en was al halverwege toen Job zag dat onder de trap een grote kooi was gebouwd waar kwartels in scharrelden. Er waren hokjes met stro en overal lagen kleine veertjes. De kwartels waren bijna zwart.
‘Waarom doe je nou zoiets?’ vroeg zijn moeder, die tot zijn verbazing op school was. ‘Het is maar goed dat je vader hier niets van weet. Ik was doodongerust. Waar ben je geweest?’ Ze stelde vragen maar wachtte niet op de antwoorden. Hij kreeg droge sokken die ze in de kamer van de hoofdmeester had gekregen. ‘Nu breng ik je naar je klas. Je hebt een aardige juf. Ze heet juf Nelleke.’
‘Ik wil niet,’ zei Job.
‘Nou moet je eens goed luisteren’, zei zijn moeder, die ineens net zo klonk als zijn vader. ‘Alle kinderen moeten naar school. Jij ook. Je moest je schamen.’
Hij liet zich meetrekken naar een rode deur. Zijn moeder klopte aan. Er viel een stilte achter de deur. De deur ging open. Job hield zijn hoofd gebogen. Hij zag een lange broek, een donkerblauwe, met wijde pijpen.
‘Zo, daar is Job eindelijk. Kom maar gauw binnen hoor. We hebben een plaatsje voor je vrijgehouden.’
Job gluurde de klas in. Alle kinderen keken naar hem.
‘Daag. Ga maar met de juf mee.’ Zijn moeder gaf hem een zetje.
‘Nee!’ Job schreeuwde. Hij begon machteloos te hikken van een plotseling oplaaiende, alles verzengende hitte en draaide zich nog aan de hand van zijn moeder om en gaf haar een vuistslag in haar buik.
‘En nou is het afgelopen’, siste ze en ze gaf hem een draai om zijn oren. Dat had ze nog nooit gedaan. Zijn vader wel, maar nu ook zijn moeder. De juf zette hem in de hoek, met zijn rug naar de klas. Tot het speelkwartier begon, moest hij zo blijven staan, op zijn nieuwe sloffen. Hij kneep zijn handen tot vuisten en zijn lichaam bonkte omdat hij niet wilde huilen.
Eindelijk was het zover. Joelend renden de kinderen het lokaal uit. De juf nam Job even apart om met hem te praten. Ze wilde zijn gezicht afvegen, maar hij trok zijn hoofd weg.
In de hal waren de kapstokken leeg. Het metaal glinsterde. De enige jas die er nog hing, was die van Job. De kinderen die hij kende van de Dupontlaan waren nergens te bekennen. Buiten kreeg hij een duw van iemand die achterna werd gezeten. Job liep om een boog touw heen, week uit voor ruziemakende zesdeklassers en stond op straat. Niemand keek naar hem.
De straten en de bomen waren nog nat, maar in de goten stond het water stil. Job dacht eraan zich in een vrachtwagen te verstoppen. Om aan eten te komen, zou hij een kruidenier overvallen. Dat bracht hem op een idee. Als hij door de politie gepakt zou worden, ging hij naar de gevangenis. Daar zouden ze hem met rust laten.
Hij liep in een buurt waar vriendelijke huizen stonden met gele en rode stenen in de gevels. Elk huis had een kleine voortuin. Hij passeerde een raam zonder vitrage. Achter de planten zaten drie moeders met elkaar te praten en toen ze hem zagen, veerden ze op uit hun stoelen. Job kreeg het warm. Waar moest hij zich verstoppen?
Opeens wist hij het.
In de verte zag hij een drukke weg met veel auto’s. Daar moest de zwarte laan met het rood-wit geblokte bord zijn. Even later had hij ook het braakliggende veld teruggevonden. Achter de struiken met hun natte, dorre takken, tussen de boterbloemen en bij de losse heuveltjes verdween hij uit het zicht. Zonder te fantaseren over indianen of struikrovers sloop hij door het terrein. Ditmaal was het echt. Helemaal vanzelf kwam hij uit bij het hol. Hij kroop erin en ging zitten op de warme, vochtige aarde.
Nu kon hij op zijn gemak iets goeds bedenken. Hij deed zijn ogen dicht en keek in zijn hoofd. Wat kwam het eerst? De eekhoorntjes weer. En de nieuwe auto van oom. Nee. Hij ging naar zee. Niet naar het strand. Naar een schip. Verstekeling worden. Dan verstopte hij zich aan boord van een groot zeeschip met een brug van drie verdiepingen en met kranen om te laden en te lossen. Het was een wit schip en de schoorstenen waren van koper. Om niet gevonden te worden, kroop hij in een grote sloep, waar het donker was en warm.
Na twee dagen kwam hij op zee tevoorschijn. Eerst zag niemand hem omdat alle matrozen hard aan het werk waren, maar toen werd hij ontdekt door een grote man met rood haar.
‘Wat heb ik nou aan mijn broekspijp hangen?’ riep hij. ‘Wat doe jij hier ventje?’
‘Ik wil varen op zee’, zei Job.
De kapitein kwam eraan en was heel boos. Hij droeg een blauw uniform, net als zijn vader, maar met een witte pet. Job vertelde hem waarom hij naar zee wilde. ‘Omdat ik niet meer met Theo mag spelen. Omdat er zwarte kwartels zijn op school. En omdat mijn vader denkt dat ik vliegangst heb.’
De mannen lachten. Maar de kapitein niet. Hij wilde Job in de boeien laten slaan. Toen kwam de roodharige matroos naar voren.
‘Stop!’ riep hij. Hij was lang en had brede schouders en hij ging voor Job staan, tussen hem en de kapitein. ‘Laat hem maar aan mij over. Ik zal een zeeman van hem maken.’
De kapitein deed zijn pet af en krabde op zijn hoofd, tussen grijze en zwarte haren. ‘Goed dan’, zei hij. ‘Maar denk erom kereltje, op zee wordt hard gewerkt.’
‘Ik ben zijn zeevader’, bulderde de Rooie over het dek en hij keerde zich naar de bemanning van het schip. ‘Wee jullie gebeente als hem iets overkomt!’
Job werd wakker van het noodweer dat donderde in zijn oren. Er stroomde water door het plafond van aarde. Hij lag in een modderpoel. Samen met het water vielen stukken grond naar beneden en toen was er geen verschil meer tussen gesloten en geopende ogen. Zijn lichaam bibberde. Hij klemde zijn kiezen op elkaar. Het begon vreemd te ruiken in het hol, naar natte aarde en naar een vuilnisemmer. Toen er een klompje aarde op zijn oog viel, begon hij te gillen, maar er kwam alleen maar knarsend zand in zijn mond. Hij stootte zijn hoofd tegen aarde. Hij voelde met een hand en merkte dat het los was. Hij duwde het weg, maar dat ging heel zwaar. Door zijn knieën op te trekken, kreeg hij wat ruimte. Nu duwde hij met twee handen en strekte tegelijk zijn rug. Zijn rug schoof langs de onderkant van de heuvel. Zijn handen waren tot over zijn polsen in de aarde verdwenen. Voorzichtig haalde hij ze terug. Niet ademen. Niet ademen. Nog een keer proberen. Het lukte want hij kon zich een beetje strekken, achter zijn handen aan, zijn handen die de aarde naar buiten drukten. Onverwachts schoot Job voorover. Languit gestrekt lag hij op zijn buik, met zijn hoofd, armen en schouders in de buitenlucht. Een knetterende bliksemflits verlichtte de drijfnatte omgeving. Als hij zijn benen optrok, was hij los en toch bleef hij liggen.

©Jan Kloeze

Lees ook De Steenlift of De Kindertekening