Het boek Job

Met Het boek Job heb ik een poging gedaan het boek van de toekomst te schrijven. De roman is interactief opgezet en kan online in willekeurige volgorde worden gelezen. Het boek Job is een coming-of-age-verhaal in 22 fragmenten, sommige lang en andere kort. Elk fragment is een potentieel begin. Elke keuze voor een volgend hoofdstuk beïnvloedt het beeld dat de lezer zich uiteindelijk van Job vormt. Zo krijgt iedere verhaalversie zijn eigen dynamiek. Er zijn in theorie erg veel versies mogelijk. Ik heb niettemin door het gebruik van verbonden thema's en motieven voor samenhang gezorgd. Lezers die hun ervaringen delen zullen hun interpretatie herkennen zoals bomen op elkaar lijken zonder elkaars spiegelbeeld te zijn.

De Steenlift

Op de bovenste verdieping van de splinternieuwe Drive-in woning, onder het platte dak, had Job zijn slaapkamer. Hij keek uit over een brede weg en een hobbelig, braakliggend terrein. Er moest een winkelcentrum komen, maar er stond alleen nog maar een uit losse latten bestaand bord met zwarte letters tussen wilde bloemen en struiken.

De weg vormde de verbinding tussen de oude dorpskern en de nieuwbouw aan de rand. Met het oog op de toekomst was de weg extra breed gemaakt en van asfalt. Er waren nog geen strepen aangebracht. Deze weg heette de Bitslaan. De nieuwbouw heette de Bitswijk. Er was nog geen Bitsschool. Daarom moest Job naar het oude dorp lopen, waar ze met meer dan veertig kinderen in de klas zaten. Hij liep altijd samen met Lex. Hun vaders waren collega’s. Ze waren piloot. Job had meestal vriendjes met vaders die vlogen.
Lex had een lang gezicht, dat deed denken aan een veulen. Zijn wenkbrauwen waren voortdurend opgetrokken, waardoor zijn gelaat nog langer leek. Het kwam door die dingen dat de mensen dachten dat Lex groter was terwijl ze in werkelijkheid weinig scheelden. Lex woonde iets verderop in de laagbouw. Daar waren ze nog aan het bouwen. Het was er een bende van stof, hek, specie en ramen zonder glas.

Ze liepen naast elkaar in de schaduw van de hoge Drive-inwoningen. Vier blokken van twintig woningen, afwisselend met grijze en groene garagedeuren. De woonkamers waren op de eerste verdieping. Naar binnen kijken was onmogelijk. De parkeerplaatsen maakten rozetten op de grond in verschillende kleuren roodbruin.
Na een paar minuten lopen, kwamen ze door het stuk land dat vroeger het dorp aankondigde, land met schuurtjes, volkstuintjes en kippenrennen waarin trouwens ook fazanten, ganzen en een paar pauwen scharrelden. Als de pauw zijn staart optilde en uitwaaierde werd het een goede dag. Dat wist Job gewoon. Soms bleven ze even bij het gaaswerk staan omdat Job wilde dat het een goede dag werd en de pauw niet pronkte. Als ze daarna de spoorlijn overstaken, waren ze dicht bij school. Het asfalt was veranderd in stenen. Zodra de jongens de spoorlijn over waren, gingen ze langzamer lopen, begonnen ze te slenteren en tegen steentjes te trappen.
Na schooltijd moest Lex altijd naar pianoles, of iets anders. Hoe dan ook, Job was meestal alleen. Als de arbeiders naar huis waren, klom hij weleens over een hek. Hij liet dan een steenlift op en neer gaan of gooide zomaar een zware kruiwagen om.
Als het regende, voetbalde hij vaak in de garage. Zijn voetbal was van leer, maatje drie, waarmee hij goed zijn techniek kon oefenen. De bal mocht maar een keer stuiteren voordat hij hem opnieuw tegen de muur trapte. Ook deed hij zo lang mogelijk op een voet. Bij het nonchalant opwippen, raakte hij regelmatig bijna het kale peertje dat het overal ronddwarrelende cementstof verlichtte. Vaak had hij wat in zijn oog. Bij het passeren van denkbeeldige tegenstanders met struikelende schijnbewegingen knalde hij de bal soms per ongeluk tegen de ijzeren garagedeur. Dat gaf een galmende dreun die pijn deed in zijn oren. Daarna ging hij altijd even iets anders doen. Zoals koppen tegen de muur, maar dat was moeilijk. Een keer kreeg hij de bal op zijn neus, waardoor hij bloed morste op de betonnen vloer. Zo kwam zijn vader erachter dat hij voetbalde in de garage. Dat mocht niet. Job was zijn bal kwijt.

Bij mooi weer ging hij zwerven door de nieuwe wijk, nog verder weg dan waar Lex woonde. De herdershond met haar vaalgele vacht was zomaar op hem af komen lopen. Ze had haar oren in de nek gelegd, kwispelde voorzichtig en drukte zacht piepend haar neus tegen zijn buik. Job legde zijn hand op haar kop, streelde haar vacht die zachter aanvoelde dan hij dacht. Hij noemde haar Astrid.
Samen liepen ze langs steenstapels die met vaalbruin zeil waren bedekt en ze stapten over dwarsliggende stoepranden. Zand lag overal en werd door de warme landerige wind verstrooid over de losse tegels. Astrid liep nooit meer dan twee meter voor hem uit en bleef steeds naar hem omkijken. Soms riep Job haar even bij zich, om te aaien, om braaf te zeggen of om veilig over te steken. Naar andere honden keek Astrid niet om. Wel bleef ze soms even staan voor een hekwerk dat de bouw markeerde. Dan keek ze door het ijzerdraad en leek ze zich af te vragen of ze aan de goede kant van de afrastering liep.
De zon, het stuivende zand, zijn hand die fluisterend over het sterke gaas gleed, de wind die zijn haren licht beroerde en de wandelende hond aan een onzichtbare lijn maakten dat Job zich ver weg waande. Hij was in een land waar vogels hem zijn voedsel kwamen brengen, waar een beekje aan zijn voeten murmelde en waar hij eeuwig dezelfde kon blijven.
Maar hij was bijna thuis en kon niet nog langzamer lopen.
Hij liet de hond wachten in de gang naast de garage. Astrid keek hem vragend aan, jankte zacht.
‘Wacht hier. Ik ben zo terug’, zei Job.
Hij rende de trap op en haalde zijn moeder van boven, waar ze bezig was met het eten. Zijn moeder helde haar lichaam naar achteren toen ze om de hoek kwam en de hond zag die meteen kennis wilde maken. Job ging direct voor haar staan.
‘Koest’, zei hij en Astrid ging zitten.
‘Ze heet Astrid’, zei hij en hij vertelde hoe hij zijn hond had ontmoet en deed allerlei beloften over dat hij haar altijd zou uitlaten, nooit meer te laat zou komen op school, niets meer zou vergeten, geen nieuwe fiets hoefde… Maar zijn moeder leek nauwelijks te luisteren. Gedachteloos veegde ze met een beetje spuug op haar vingertoppen een stofvlek van zijn gezicht. ‘Papa vindt dit niet goed. We willen geen hond in huis’, zei ze. ‘Zet hem maar weer buiten. Hij heeft vast ergens een baasje.’

Astrid lag in de tuinkamer naast de piano, met haar tong uit haar bek gevouwen. Job fluisterde dat zijn vader misschien wel een goede bui had en niet bang was voor honden, zoals zijn moeder. De hond spitste haar oren toen de garagedeur openklapte. Even later klonk het gebrom van de auto. Daarna was het stil. Nu trok zijn vader aan het touwtje de deur weer dicht, met een klik in het slot. De deur naar de gang ging open. Voetstappen passeerden de tuinkamer op weg naar de trap.
Zijn vader stond op de onderste trede van de trap toen Job uit de tuinkamer tevoorschijn kwam. In zijn blauwe uniform ging hij naar boven. De blinkend zwarte schoenen kraakten op het hout. In de huiskamer draaide zijn vader zich om. Een man uit een andere wereld. Het avontuur op het blauw gespeld. Een vergulde wing met het teken van de Nederlandse Luchtmacht, de schouderstukken met de zwarte strepen en de herhaling daarvan op de polsen van de mouw, de dubbele rij zilveren knopen en het embleem van het eigen squadron op het rechterborstzakje. Het mooiste was de pet. De klep was licht gebogen aan de hoeken. Het front was hoger dan de achterkant en bevatte een zilveren gesp. De rang kon je eraan aflezen. Het eerste wat zijn vader altijd deed was die pet op tafel leggen.

Job was weleens op de Basis geweest. Dan mochten ze met de auto door de poort. De slagboom ging open als zijn vader even groette naar de soldaat die op wacht stond. Daarna reden ze over zwart asfalt, afgewisseld met grijze betonplaten, langs ronde hangars die dicht waren maar waarvan Job wist dat er straaljagers in stonden. De kinderen kreeg friet en appelmoes of grote pannenkoeken. Ze mochten zoveel limonade bestellen als ze wilden. De naam van je vader noemen, was hetzelfde als betalen. Het rook er heerlijk naar smeulend houtskool en sissend vet. Alle mannen waren in uniform. Er werd hard gelachen en ze gaven elkaar steeds klappen op schouders. De moeders stonden in groepjes te kletsen.

‘Job heeft een hond meegenomen van straat’, zei zijn moeder toen zijn vader zich had omgekleed en ze aan tafel zaten.
‘Wat zeg je me nou?’ zei zijn vader.
Het eten werd moeilijk door te slikken.
Toen de situatie duidelijk werd, was zijn vader opgestaan en naar beneden gegaan. Daar had hij de hond in zijn nekvel gegrepen en bij de voordeur op straat gezet. Job moest boven in de woonkamer blijven, waar hij schreeuwde en huilde en hij moest toen zonder verder te mogen eten naar zijn kamer. Daar hoorde hij Astrid janken, op straat bij de voordeur waar ze was gaan zitten. Hij kon haar niet zien. Alleen het klepraampje stond open. Alle geluiden drongen daardoor naar binnen, ook van de auto’s op de Bitsweg, van de stemmen van oudere kinderen die na het eten op het braakliggende veldje aan de overkant speelden, van het gekras van kraaien op het platte dak boven hem en van nog veel meer daarbuiten, maar steeds hoorde hij het hoge gejank van zijn hond.
Het was al donker en Astrid zat er nog. Zijn vader had geprobeerd haar weg te jagen. Dat kon Job boven goed horen. Kssst. Weg. Schiet op. Maar de hond was teruggekeerd. Ze jankte niet meer de hele tijd, maar wel af en toe. Job lag stil in zijn bed. Toen zijn moeder hem was komen instoppen, had hij zich van haar afgewend. De tosti die ze voor hem had gemaakt, lag naast hem op het nachtkastje te geuren. Meerdere keren had Job overwogen het eten door het klepraampje naar buiten te gooien, zodat Astrid tenminste ook wat voedsel zou krijgen. Maar hij durfde de hond niet te bemoedigen door opnieuw contact te maken, al was het onzichtbaar. Astrid zou hem beslist ruiken als zijn handen de tosti hadden aangeraakt en dan zou ze haar gejank met hernieuwde moed inzetten en dan zou Job nog ongelukkiger worden.
Als hij toch eens sterker en groter was dan zijn vader, dan zou hij hèm bij zijn nekvel buiten de deur zetten. O ja, dan was zijn vader aan de beurt. Hij zou hem door de drek sleuren, achter het hek van de bouwplaats opsluiten, op de spoorwegovergang leggen, onder het braakliggende veld tegenover hun huis levend begraven…
Nee, hij zou weglopen met Astrid. Gewoon weglopen, dwars door de nieuwe wijk tot naar de plek waar de bouw ophield, waar de wijde wereld begon. Daar zou hij doorheen trekken. Onderweg zou hij grote mensen ontmoeten die hem zouden helpen, waar hij weleens mocht slapen, wat te eten kreeg, maar als ze hem gingen vragen waar hij vandaan kwam en of zijn vader en moeder wisten waar hij was, zou hij weer verder trekken.
Plotseling drongen woorden door in zijn donkere kamer, felle woorden die van beneden kwamen, dwars door de vloer en de deur, harde woorden van een hoge stem, zware woorden van een lage stem. Onverstaanbare woorden. Ruzie. Ze hadden ruzie. Job spitste zijn oren, ging rechtop zitten in zijn bed, hoorde het niet, sloop naar de deur van zijn slaapkamer die hij voorzichtig opende. Het was stil beneden. Nee, toch niet. Daar begon zijn moeder weer, fel, maar hij kon nog steeds niet horen wat ze zei. De deur op de overloop was nog gesloten. Die moest ook open. Het was een deur met ondoorzichtig glas en een witte, hardplastic kruk. Om erbij te kunnen, moest Job zich oprichten. Hij legde zijn rechterhand op de deurkruk die altijd soepel bewoog en sneller open was dan je zou denken. Nu ook. Voorzichtig draaide Job de deur naar zich toe. Hij bleef achter het matte melkglas staan, maar kon plotseling zijn vader en moeder horen praten alsof hij er zelf bij was, alsof hij beneden in de woonkamer stond.
‘Er komt hier geen hond in huis.’
‘Jij denkt dat alles vanzelf gaat. Netjes op tijd je eten en drinken. Het huis schoon. Naar bed als je dat wilt. Maar wij hebben ook een leven. Wij willen ook weleens wat.’ De stem die steeds hoger was gaan klinken, brak af in een snik.
‘Ga maar weer janken. Je maakt een moederskindje van dat joch.’
‘Het gaat helemaal niet om die rothond’, riep ze. Er bewoog iets beneden. Iemand kwam overeind uit de stoel of de bank. Razendsnel sloop Job onhoorbaar terug naar zijn slaapkamer. De deur van de overloop liet hij op een kier staan.
Toen Job de volgende ochtend beneden kwam, was zijn vader al naar het leger. Zijn moeder gedroeg zich stilletjes, gaf hem zijn schooltas met de broodtrommel mee, kuste hem afwezig op zijn linkerwang en stuurde hem naar beneden. ‘Ga maar gauw.’


Nog voordat ze bij de spoorlijn waren, dook Astrid op. Plotseling stond de blonde hond met haar zachte vacht voor hem, wild kwispelend maar ook aarzelend alsof ze zich afvroeg of die jongen van gisteren vandaag nog dezelfde was.
‘Astrid!’, riep Job uit.
Tegen Lex: ‘Dat is mijn hond.’
Tegen de hond: ‘Kom maar. Kom maar.’
Hij aaide haar hartstochtelijk. Lex stond op een afstandje te kijken.
‘Ik mag geen vreemde honden aanhalen’, zei hij en zijn wenkbrauwen schoven nog hoger dan normaal over zijn voorhoofd. Hij liep door, af en toe omkijkend om te zien of Job achter hem aan kwam. Maar dat deed Job niet. Hij bleef staan bij zijn hond.
‘Je mag niet bij me blijven’, zei hij zacht. ‘Nee, je mag niet bij me blijven.’
Maar ondertussen had hij zijn hand op de kop van de hond gelegd, de hond die hem met haar bruine ogen vol verwachting aankeek, de bek iets open, de vlezige lippen warm en vochtig met scherpe witte tanden ertussen, de staart gezakt naar de grond, van opwinding licht jankend, tegen een blaf aan. Job nam een beslissing.
‘Kom’, zei hij.
Opnieuw trippelde Astrid een paar meter voor hem uit terwijl ze door de nieuwbouwwijk liepen, langs de hoge hekken van de bouwplaatsen, waar mannen op houten steigers in de weer waren met bakstenen, mortel en hout. Kranen draaiden en takelden spullen omhoog of omlaag. Flarden van muziek waaiden door het gaas, werden opgenomen in de oren van Job en Astrid maar verdwenen even later in het niets.
De Bitswijk lag achter hen. Ze zaten aan de rand van een kleine rivier, slechts een paar meter breed. Het water schuimde een beetje aan de rand en was verder pikzwart. Vroeger had er vis in gezeten, wist Job, maar tegenwoordig was het zo vies dat het niet eens meer stonk. Toch was het een mooie plek om te wachten. Aan stromend water was goed te zien dat de tijd doorliep. Hij vroeg zich af of dat een ontdekking was.
Astrid lag in het gras, met haar kop op haar voorpoten, maar ze was niet ontspannen. Job voelde dat ze aarzelend, zelfs wantrouwend naar hem keek, alsof ze wilde zeggen dat dit een vreemde bestemming was voor een kleine jongen maar dat ze met hem mee was gegaan omdat hij dat nou eenmaal had gewild, ondanks dat hij de hele weg tot de rivier geen woord meer tegen haar had gezegd.
Er hing gesuis in de lucht, van de auto’s die in de verte op een snelweg reden en die, dat wist Job zeker, nooit zouden weten dat hij daar aan dat zwartgallige riviertje zat te huilen. Tranen had hij niet. Als je alleen bent, heb je geen tranen nodig, dacht hij en hij vroeg zich opnieuw af of hij een ontdekking had gedaan.
‘Vorig jaar in de vakantie zat ik ongeveer net zo’, zei hij tegen zijn hond, die haar oren spitste en voorzichtig begon te kwispelen. ‘Behalve dat jij er niet bij was, natuurlijk. Maar ik zat ook aan de waterkant. Het was de eerste dag van het visseizoen. Ik had het verkeerde doosje maden meegenomen, niet het nieuwe doosje dat mijn vader thuis had gekocht zodat we een heleboel wriemelende maden in onze bagage in de auto hadden, maar per ongeluk had ik dus het oude doosje meegenomen. Dat had de hele winter in de visdoos gezeten en toen ik het open deed, luister je nog Astrid, toen ik het open deed, zat het vol vliegenlijkjes. De maden waren allemaal verpopt en omdat we ze niet zoals anders hadden weggegooid, hadden ze de tijd gekregen om er als vlieg weer uit te komen. Kun je je voorstellen, een doosje vol kleverige vliegen met veel te grote ogen en heel dunne vleugeltjes, allemaal dood? Ze hebben geleefd. Anders waren ze niet uit hun pop gekomen. Weet je wat grappig is? Als het nog maden zijn dan vechten de grootste, de sterkste, zich naar beneden. Ze graven zo’n beetje in hun soortgenoten om onderop te komen. Daarom moet je altijd zo’n doosje even opschudden voordat je er mee kunt gaan vissen. Luister je nog, Astrid? Maar als het vliegen zijn geworden dan vechten de sterkste vliegen zich weer naar boven. En beide keren proberen ze te ontsnappen. Dat heb ik ontdekt, toen die dag.’
‘Ik zat aan de rand van een meer, waar de rietkraag een inham had. Er waren wel veel stengels, los in het water, zodat ik moest uitkijken dat mijn snoer niet vast kwam te zitten. Het water was natuurlijk erg ondiep, vooral aan de kant. Maar het was een toverplek. Want ze beten zelfs in een dode vlieg die tussen mijn vingers bijna kapotging. Ik viste midden in een school rietvoorn, mooie vissen zijn dat, met roodglanzende ruggen en zwarte vinnen. Dus het was ingooien en ophalen. Toch heb ik niet echt iets gevangen. Want rietvoorn vecht als paling. Ze vielen er steeds af. En weet je wat er toen gebeurde?’
‘Opeens hoorde ik gillend gefladder. Ik geloofde het niet. Maar het was echt zo. Het kwam razendsnel op me af en het leek net alsof het in mijn nek zou eindigen. Dus ik schrok me dood en trok mijn hoofd in en vlak achter me langs suisde een grote vogel op topsnelheid achter een krijsend kleintje aan. Met een klap knalde de havik, dat was het, tegen een stel takken van een lage struik en hij viel dood op de grond tussen een heleboel van zijn eigen veren. In het kale bosje zat het kleine vogeltje met wijd opengesperde snavel en met een trillend geel zwoegend borstje. Aan de dood ontkomen, was die vink. Snap je dat Astrid? Ik stond op om naar de havik te gaan kijken, maar toen ik een paar stappen had gedaan en dicht genoeg bij was om de kromme snavel en het zwart/wit op zijn veren te zien, kwam hij bij, keek me heel kort met zijn kille ogen aan en vloog weg. Ik heb met mijn hoofd omhoog gestaan totdat hij een stipje werd in de witte lucht. Toen ik weer gewoon voor me uit keek, was de vink ook weg.’
De hond had haar oren naar de jongen gericht, telkens als haar naam werd genoemd. Ze was overeind gekomen, had zich uitgerekt en was dicht tegen Job aan gaan liggen.
Het was avond toen Job het riviertje verliet en terugliep naar de nieuwbouwwijk. Hij ging naar een gedeelte waar de huizen nog in de steigers stonden. De eerste verdieping van deze huizen was klaar, maar er zaten vierkante gaten in de betonnen vloeren. Het bovenste gedeelte moest nog gemetseld worden. Daarom stonden hier en daar steenliften bij de steigers om de bakstenen zo snel mogelijk naar boven te transporteren. In de avondschemer leek zo’n steenlift net een smal, hoog klimrek van ijzeren stangen. Het houten platform dat beneden boven de grond hing, was vanaf de straat niet te zien.
Job wrong zich door twee losjes tegen elkaar aan geplaatste hekken en zocht op de bouwplaats naar een stuk touw. Daarna ging hij terug, wrikte de hekken ver genoeg uit elkaar om Astrid door te laten. Ze moest op eigen kracht door de smalle opening komen, want hij had al zijn kracht nodig om de poort te maken. Ze wilde niet. Ze piepte.
‘Astrid kom! Nu!’
Hij knoopte het touw aan haar halsband en nam haar mee naar een steenlift. Hij bond het touw stevig vast aan de vork waarmee het houten platform langs het stalen hekwerk gleed. Het was van dichtbij te zien dat de stangen ooit geel waren geweest. Aan de zijkant van de lift zat een kastje met twee knoppen, een grijze en een groene, voor omlaag en omhoog. Hij drukte op de groene en met een lichte schok zette de steenlift zich in beweging. Het maakte het apparaat niet uit of het stenen of een hond mee naar boven nam. Astrid hing aan het touw. Ze probeerde op het platform te klimmen. Het touw was iets te kort. Ze kon er met haar voorpoten bij. Maar ze glipte er weer van af.

©Jan Kloeze

 Lees ook Angst of In uniform.