Durf genadeloos te zijn

Ik heb een roman geschreven. Hier publiceer ik af en toe een stukje van het verhaal.

Voorpublicatie 'Durf genadeloos te zijn'

 

Hoofdstuk 1

Natuurlijk heb ik als volbloed wees weleens eerder achter een lijkwagen aangezeten. Dat ging toen stapvoets in een trage stoet over lege straten en via smalle asfaltwegen naar een begraafplaats in het lommer. Het was de kunst om gelijkmatig langzaam te rijden zonder de hele tijd de koppeling in te drukken. Hoe anders is dat nu. De langwerpige, zwarte bolide glijdt door het verkeer als een haai door een school sardientjes en ik ben de enige volger. Op de snelweg gaat iedereen als vanzelf voor ons aan de kant. Niemand wil de dood hinderen of ophouden. De dood is een ongebruikelijke en ongenode gast op de autobaan die bezworen moet worden door hem zoveel mogelijk voorrang toe te kennen. Langzamer rijdende auto’s zien ons aankomen in hun spiegels en laten ons snel passeren. Snellere wagens halen ons in, maar blijven links rijden zodat we ongebruikelijk veel leeg asfalt voor ons hebben. Toen ik eenmaal door had dat de kans op een onverwacht remlicht minimaal is, ging ik min of meer op de bumper van mijn voorganger rijden, als een meeliftende zuigvis. Zo had ik door het achterraam voortdurend zicht op de houten kist van Josje met het ietwat golvende deksel.
Op de snelweg naar het Zuiden sterft het middaglicht een wisse dood in de getinte ramen van de lijkwagen. We verminderen snelheid als de chauffeur zijn limousine de uitvoegstrook op stuurt. We remmen. We draaien om de benzinepomp heen en het lijkt alsof hij me wil afschudden, want we rijden de officiële parkeerplaatsen voorbij om brutaal naast het wegrestaurant te stoppen, tegen de stoep aan.
De ouders van Josje stappen uit en lopen naast elkaar naar de entree met tegen de pui reclames voor een tweede gratis kopje koffie en het zomermenu van salade, friet en een hamburger. Als zij achter de façade zijn verdwenen, komt de chauffeur van de dodenwagen tevoorschijn. Zorgvuldig vermijdt hij mijn kant op te kijken, ook al moet hij nu weten dat de man van middelbare leeftijd in dat rode bestelwagentje bevriend is met de overledene. Ik vraag me af wat haar vader en moeder over mij hebben verteld, terwijl ik Josjes auto al een uur achter hen aan stuur. Waarschijnlijk iets over de seksboerderij waar ze dood is gegaan, misschien door mijn schuld en zo niet dan toch wel als gevolg van mijn betrokkenheid. Het is vreemd te vermoeden dat de man mij als een gevaarlijke perverseling ziet. Dat ik tot nu toe slechts een hooguit soms ietwat onbekwame verzekeringsarts ben, is gewoon een afspraak tussen mij en mijn spiegelbeeld. Eigenlijk bevalt die gedachte me wel.
Het hoofd van de chauffeur neigt een tikje naar voren. Met zijn linkerhand drukt hij een peuk tussen zijn lippen en met zijn rechterhand geeft hij zichzelf vuur. Het zou ongepast zijn om hier op de motorkap te leunen, dus slentert hij in de richting van de vrachtwagens die iets verderop tussen hun absurd grote rechthoeken op het asfalt staan. Daar wordt hij aangesproken door een trucker die bezig is met spanbanden. Hij draagt een korte broek, sandalen en een openstaand hemd. In een innig verbond van beroepsrijders staat de kraai naast hem op zijn gitzwarte schoenen. Met een stevig sisgeluid komt een grijze verhuiswagen tot stilstand. Hij onttrekt het koppel aan het oog.
De stijve vlaggen op de buitenspiegels, de zwarte ruches in het raam en het zicht op Josjes kist in de verhoogde laadbak zijn het laatste uur in mijn ziel gestempeld. Tijdens de hele rit stelde ik me voor hoe Josjes ouders naast elkaar op de achterbank zaten, met hun jassen nog aan, zonder over haar te spreken want dat hadden ze ooit afgeschaft en inmiddels konden ze niet anders meer. Stijfjes zijn ze met het lichaam van hun dochter op weg naar het huis waar ze stelselmatig in peilloze wreedheid is genegeerd, alsof ze uit een schaduwrijk afkomstig was en de omgang met haar besmettelijk was. Ze zullen haar opbaren in haar oude meisjeskamer, de laatste plaats op aarde waar Josje wil zijn, daarvan ben ik overtuigd. In die kamer moet haar angst en haar paniek zelfs zoveel jaren later nog steeds voelbaar zijn. Dat heeft ze me zelf verteld.
Ik haal de sleutels uit het contact, pak mijn rugzak, stap uit het bestelbusje en loop vier of vijf stappen over pokdalig asfalt naar de verlaten lijkwagen. Er komen mensen uit het restaurant mijn kant op, maar dat zijn Josjes ouders niet. In de zwarte lak van de Mercedes lijk ik een wapperende doktersjas te dragen waar lange extremiteiten losjes uitsteken. ‘Genezen kan ik je niet’, fluister ik tegen Josje achter het zijraam in haar vurenhouten kist. ‘Maar ik kan je wel meenemen.’
Ik trek aan het handvat. De deur is open en de sleutelchip zit nog in het dashboard, zoals ik vermoedde toen ik zag dat de doodgraver zijn beide handen gebruikte om een sigaret aan te steken. Een hoge hoed ligt op de bijrijdersstoel. Ik schuif achter het stuur en zit op gecapitonneerd leer. Mijn benen zijn langer dan de zijne. Tijd om de stoel te verzetten, gun ik me niet. Dit is een automaat. De korte pook in de middenconsole naast mijn stoel heeft een knop die aanvoelt als gepolijst marmer en past precies in mijn handpalm. Ik duw hem in Drive en als ik de rem loslaat, komt het gevaarte vanzelf in beweging. Een beetje gas erbij en de auto schiet zo hard vooruit dat ik me paniekerig afvraag of Josjes kist achter me niet gaat schuiven. Van schrik laat ik het gas los en de auto komt weer zo goed als tot stilstand. In mijn ooghoek zie ik iets zwarts op me afrennen. Even dreig ik te verstijven. Dan zie ik hoe mijn rechterhand de vergeten handrem ontkoppelt en de linker het stuur een tikje geeft en ik merk dat beneden een voet soepel gas geeft, waarna we even later met zijn drieën – de auto, Josje en ik – invoegen bij het verkeer op de snelweg. In een vloek en een zucht rijden we dik honderd in het uur en nemen we als vertegenwoordiger van de dood opnieuw onze positie op de autobaan in. Nu zonder het rode volgwagentje. Die staat nog bij het trottoir, met gruis en kleiresten in de laadbak, ongetwijfeld omringd door Josjes boze ouders, de tierende beambte in zijn uniform en de verbijsterde korte broek, die zich zal afvragen waarin hij verzeild is geraakt.
Met elke ademhaling verwijder ik me verder van dat pandemonium. Ontspannen leg ik een elleboog op de raamstijl. Autorijden terwijl er iemand naast me of achter me in slaap is gevallen, heb ik altijd lekker gevonden. Muziekje erbij. Into the Mystic, Van Morrison. Paul Simon, The only living boy in New York. Dat werk. Het moet eigenlijk donker zijn, met bundels licht over een verlaten weg die af en toe een verdwaald reflectorpaaltje en donkere bomen in de berm beschijnen. In een slecht scenario zou onze lijkwagen zich plotseling in de nacht bevinden, maar dergelijke tijdwissels heeft het leven niet in petto.

 

© Jan Kloeze